Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2638

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-10-2016
Datum publicatie
05-10-2016
Zaaknummer
201600716/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:15090, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 februari 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de vaststelling van de huurtoeslag van [wederpartij] over 2011 herzien, de huurtoeslag vastgesteld op nihil en het teveel betaalde teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201600716/1/A2.

Datum uitspraak: 5 oktober 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Belastingdienst/Toeslagen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 december 2015 in zaak nr. 15/6760 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de vaststelling van de huurtoeslag van [wederpartij] over 2011 herzien, de huurtoeslag vastgesteld op nihil en het teveel betaalde teruggevorderd.

Bij besluit van 7 augustus 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 december 2015 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 7 augustus 2015 vernietigd en het besluit van 24 februari 2015 herroepen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Belastingdienst/Toeslagen hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 augustus 2016, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, werkzaam bij de dienst, en [wederpartij] zijn verschenen.

Overwegingen

Aanleiding voor het geschil

1. [wederpartij] en de Belastingdienst/Toeslagen zijn verdeeld over de vraag of [wederpartij] over 2011 recht heeft op huurtoeslag. [wederpartij] huurde in 2011 woonruimte aan de [locatie] te Rotterdam. Zij heeft hiervoor huurtoeslag aangevraagd en ontvangen. De Belastingdienst/Toeslagen is hiervan evenwel teruggekomen en heeft bij de vaststelling de huurtoeslag op nihil gesteld. De dienst heeft hieraan ten grondslag gelegd dat in die periode nog twee andere personen stonden ingeschreven op hetzelfde woonadres in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: GBA), thans Basisregistratie Personen (hierna: BRP), en deze personen daarom zijn aangemerkt als medebewoners van [wederpartij]. [wederpartij] heeft niet aangetoond dat zij een zelfstandig deel huurde op het betreffende adres, aldus de Belastingdienst/Toeslagen.

Aangevallen uitspraak

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich ten onrechte op dit standpunt heeft gesteld. Volgens de rechtbank heeft [wederpartij] met de door haar overgelegde verklaringen van de verhuurder en foto’s van de door haar gehuurde woonruimte voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake was van een zelfstandige woonruimte.

Hoger beroep

3. De Belastingdienst/Toeslagen betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot dit oordeel is gekomen. De rechtbank heeft volgens de dienst miskend dat in beginsel mag worden uitgegaan van de juistheid van de BRP en dat er op één BRP-adres één zelfstandige woning is. [wederpartij] heeft met de door haar overgelegde stukken niet aangetoond dat de gehuurde woning een zelfstandig woonobject betrof met wezenlijke voorzieningen die niet met andere bewoners op hetzelfde adres werden gedeeld, aldus de Belastingdienst/Toeslagen. De Belastingdienst/Toeslagen wijst er in dit verband op dat in de overgelegde huurovereenkomst en het e-mailcontact tussen [wederpartij] en de toenmalige verhuurder is vermeld dat het gaat om huur van een onzelfstandige woning danwel kamerverhuur en dat uit de overgelegde foto’s is niet gebleken van de aanwezigheid van een zelfstandig toilet met waterspoeling.

Wettelijk kader

4. Toekenning van huurtoeslag is verankerd in de Wet op de huurtoeslag (hierna: de Wht). De hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van de draagkracht van de huurder, diens partner of de medebewoners (artikel 7). Huurtoeslag wordt volgens artikel 9 slechts toegekend als de huurder op het adres van die woning is ingeschreven in de GBA, thans BRP, en op dat adres geen andere personen staan ingeschreven, behoudens eventueel een onderhuurder en personen die behoren tot diens huishouden. Huurtoeslag wordt, zo bepaalt artikel 11, slechts toegekend voor de huur van een woning die een zelfstandige woonruimte of een vrije etage is.

De Wht sluit voor de definitie van een zelfstandige woonruimte aan bij de definitie in artikel 234 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Ingevolge artikel 234 van Boek 7 van het BW wordt onder een zelfstandige woonruimte verstaan de woning welke een eigen toegang heeft en welke de bewoner kan bewonen zonder daarbij afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen buiten de woning.

5. De Wht is een inkomensafhankelijke regeling. Voor de toepassing van deze wet zijn de algemene regels neergelegd in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir). In dit verband bepaalt artikel 1a, eerste lid, van de Wht dat de Awir op deze wet van toepassing is. In artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, is neergelegd wie onder medebewoner wordt verstaan.

De wetsartikelen die in deze zaak van belang zijn, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling hoger beroep

6. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 27 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY7346 en ECLI:NL:RVS:2012:BY7348) mag de Belastingdienst/Toeslagen er in beginsel van uitgaan dat op één GBA-adres één zelfstandige woning is gelegen en degenen die op hetzelfde GBA-adres zijn ingeschreven, met uitzondering van de onderhuurder en degenen die behoren tot diens huishouden, aanmerken als medebewoners die behoren tot hetzelfde huishouden als de aanvrager van huurtoeslag. Het is aan de aanvrager om aan te tonen dat op één GBA-adres meer zelfstandige woningen zijn gelegen door bewijsstukken over te leggen waaruit blijkt dat de gehuurde woning beschikt over een eigen toegang en wezenlijke voorzieningen die niet met andere bewoners op hetzelfde adres worden gedeeld. Voorts dient de huurder aan te tonen dat degene die de Belastingdienst/Toeslagen als medebewoner heeft aangemerkt niet tot zijn huishouden behoort of heeft behoord.

6.1. In 2011 stonden nog twee personen op hetzelfde woonadres ingeschreven in het GBA als [wederpartij]. In geschil is of [wederpartij] in de maanden september 2011 tot en met december 2011 een zelfstandige woonruimte huurde. Het is aan [wederpartij] om aan te tonen dat die woonruimte beschikte over een eigen toegang en wezenlijke voorzieningen die niet met andere personen werden gedeeld. [wederpartij] heeft een kopie van een huurovereenkomst overgelegd alsmede schermprints van foto’s op haar facebookpagina van de door haar gehuurde woonruimte en e-mails van de verhuurder.

6.2. De Afdeling ziet zich gesteld voor de vraag of [wederpartij] met de door haar overgelegde stukken en haar verklaringen aannemelijk heeft gemaakt dat de woonruimte aan de [locatie] die zij in 2011 heeft gehuurd en bewoond beschikte over een eigen voordeur en voorzieningen die niet werden gedeeld met andere bewoners op hetzelfde adres. In de door [wederpartij] overgelegde huurovereenkomst is vermeld dat het een huurovereenkomst betreft voor onzelfstandige woonruimte (kamerverhuur) bestaande uit één kamer met medegebruik van de gemeenschappelijke ruimte(n) zoals entree e.d.. In de door [wederpartij] overgelegde email van de verhuurder van 15 juli 2015 wordt gesproken over een onzelfstandige woonruimte met eigen appartementsvoordeur, eigen keuken, toilet en douche. Tevens wordt door de verhuurder vermeld dat het pand bestaat uit een winkelruimte met daarboven vijf studio’s die apart worden verhuurd en door één persoon mogen worden bewoond. Naar aanleiding van een vraag van [wederpartij] over haar inschrijving bij de gemeente, heeft de verhuurder bevestigd dat het om zelfstandig wonen gaat. De door [wederpartij] overgelegde foto’s tonen de voordeur van de door haar gehuurde woonruimte, de woon-slaapkamer en de keuken. Voorts heeft zij ter zitting een toelichting gegeven over de indeling van de woonruimte. Daarbij heeft zij verklaard dat beneden in het pand een winkelruimte was. De daarboven gelegen vijf studio’s hadden een gezamenlijke straatvoordeur met daarachter een trap naar boven. Zij had een eigen voordeur die op slot kon met daarachter een eigen woon-en slaapkamer, keuken en toilet met douche.

Gelet op het samenstel van de stukken, de door [wederpartij] ter zitting gegeven toelichting en in het bijzonder de bevestiging van de Belastingdienst/Toeslagen ter zitting dat niet wordt betwist dat [wederpartij] beschikte over een eigen slaap-/woonkamer en een eigen keuken, is de Afdeling van oordeel dat [wederpartij] voldoende heeft aangetoond dat zij aan de [locatie] een woonruimte huurde met eigen toegang en wezenlijke voorzieningen die niet met andere personen werden gedeeld. Weliswaar is in de huurovereenkomst vermeld dat het om een onzelfstandige woonruimte (kamerverhuur) gaat, doch daarin is niet vermeld dat gebruik van de toilet- en doucheruimte, anders dan de keuken, gedeeld dient te worden. Voorts wordt in het emailverkeer tussen [wederpartij] en de verhuurder gesproken over onzelfstandige woonruimte, maar is tevens vermeld dat wel wordt beschikt over een eigen appartementsvoordeur, een eigen keuken, toilet en douche. Dat, zoals de Belastingdienst/Toeslagen stelt, de vermelding "eigen" niet is gekoppeld aan toilet en douche, acht de Afdeling niet doorslaggevend om te betwijfelen dat ook over een eigen toilet- en douchegelegenheid werd beschikt. De rechtbank heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat [wederpartij] aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de periode in geding voor zichzelf over een zelfstandige woonruimte beschikte en dat de Belastingdienst/Toeslagen zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat [wederpartij] in 2011 geen recht heeft op huurtoeslag.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest-Ahlers, griffier.

w.g. Steendijk w.g. Van Soest-Ahlers

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2016

343.

BIJLAGE

Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

Artikel 2. Definities

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede in inkomensafhankelijke regelingen, wordt verstaan onder:

(…)

e. medebewoner: de persoon die als ingezetene op hetzelfde woonadres is ingeschreven in de basisregistratie personen als de belanghebbende, met dien verstande dat als medebewoner niet wordt aangemerkt:

1°. de partner van de belanghebbende,

2°. de persoon die op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende een deel van de woning huurt, tenzij deze een bloed- of aanverwant in de eerste graad is van de belanghebbende of van diens partner,

3°. degene die tot het huishouden van de onder 2° bedoelde persoon behoort.

Wet op de huurtoeslag

Artikel 1a

Op deze wet is de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, met uitzondering van artikel 6, eerste en tweede lid, van toepassing.

Artikel 7

1. Het recht op en de hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, diens partner en de medebewoners.

2. Ten aanzien van een bepaalde woning kan slechts aan één huurder een huurtoeslag worden toegekend.

Artikel 9

1. Een huurtoeslag wordt slechts toegekend:

a. als de huurder, diens partner alsmede degenen die medebewoner van de woning zijn, als ingezetene op het adres van die woning zijn ingeschreven in de basisregistratie personen;

b. als geen andere personen met dat adres in de basisregistratie personen zijn ingeschreven, behoudens eventueel een onderhuurder en personen die behoren tot diens huishouden.

2. In afwijking van het eerste lid kan een huurtoeslag worden toegekend, als de onjuiste inschrijving in de basisregistratie personen niet aan de huurder kan worden toegerekend.

Artikel 11

1. Een huurtoeslag wordt slechts toegekend voor de huur van een woning die:

a. een zelfstandige woonruimte of een onvrije etage is, of

b. een onzelfstandige woonruimte is, welke deel uitmaakt van een woongebouw of woning, geheel of gedeeltelijk verhuurd ten behoeve van begeleid wonen, groepswonen door ouderen of een daarmee vergelijkbare woonvorm, en in eigendom van en aan de huurder verhuurd door een rechtspersoon zonder winstoogmerk, die mede op het gebied van de volkshuisvesting werkzaam is.

2. Het eerste lid onder b vindt slechts toepassing als de onzelfstandige woonruimte deel uitmaakt van een woongebouw of woning, die door de Belastingdienst/Toeslagen is aangewezen. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen terzake nadere regels worden gesteld, waarbij een lagere maximale rekenhuur kan worden vastgesteld dan uit artikel 13 voortvloeit.

3. (…)