Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2627

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-10-2016
Datum publicatie
05-10-2016
Zaaknummer
201601109/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 november 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Vossenberg 2008, 1e herziening (Wielevenweg)" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201601109/1/R2.

Datum uitspraak: 5 oktober 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], beiden wonend te Tilburg,

en

de raad van de gemeente Tilburg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Vossenberg 2008, 1e herziening (Wielevenweg)" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten], de raad en [honden & kattenpension] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juli 2016, waar [appellanten], vertegenwoordigd door mr. J.J. Jaspers, advocaat te Rijen, en de raad, vertegenwoordigd door D.J. Kersten en mr. W.J. Beex, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [honden & kattenpension], belanghebbende, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. E.T. Stevens, gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1. Het plan betreft een herziening van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Vossenberg 2008". Aan het perceel aan de [locatie A] is een bedrijfsbestemming toegekend, waarmee de bestaande paardenhouderij niet als zodanig is bestemd. Met het plan wordt het bestaande honden- en kattenpension aan de [locatie B] als zodanig bestemd. Voorts voorziet het plan in de vestiging van een dierenpension op het perceel aan de Wielevenweg kadastraal bekend gemeente Tilburg, sectie […], nummer […] (hierna: het perceel van de gemeente). [appellanten] kunnen zich met de plandelen op de drie genoemde percelen niet verenigen.

Ter zitting hebben [appellanten] en de raad zich desgevraagd bereid verklaard met elkaar in overleg te treden. De Afdeling heeft daarop toegezegd de uitspraak te zullen aanhouden. Na de zitting van 15 juli 2016 heeft de raad een door [appellanten] en de raad ondertekende overeenkomst van 19 juli 2016 toegezonden aan de Afdeling. In deze overeenkomst staat dat [appellanten] hun beroepsgronden die zien op het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" en de aanduiding "dierenpension" voor het perceel aan de [locatie B] en het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" voor het perceel van de gemeente, intrekken.

Toetsingskader

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

[locatie A]

3. [appellanten] betogen dat de bestaande paardenstallen op hun perceel in het plan ten onrechte niet als zodanig zijn bestemd. Over het niet als zodanig bestemmen van hun paardenpension hebben zij weliswaar op 11 februari 2015 een overeenkomst gesloten met het college van burgemeester en wethouders van Tilburg, maar zij wensen ter plaatse hobbymatig nog enkele paarden te houden. Het niet als zodanig bestemmen van de paardenstallen is volgens [appellanten] in strijd met deze overeenkomst. Volgens [appellanten] is niet aannemelijk dat de paardenstallen binnen de planperiode zullen worden afgebroken. Zij wijzen erop dat de stallen in bouwkundig opzicht een geheel vormen met de bebouwing op het perceel [locatie B]. Voorts stellen [appellanten] dat voor de paardenstallen op 21 mei 1985 een bouwvergunning is verleend. Zij stellen geen plannen te hebben om de gronden waarop de paardenstallen staan te verkopen aan het naast hun perceel gelegen dierenpension. [appellanten] betogen voorts dat aan het deel van de [locatie A] waar de paardenstallen staan ten onrechte de aanduiding "dierenpension" is toegekend. Volgens hen worden zij hiermee onevenredig in hun gebruiksmogelijkheden beperkt. Er bestaat geen noodzaak voor het opnemen van deze aanduiding.

3.1. De raad stelt dat de paardenstallen te groot zijn om als zelfstandige bebouwing bij de bedrijfswoning te fungeren. Omdat met [appellanten] overeen is gekomen dat zij hun bestaande paardenhouderij zullen beëindigen, bestaat volgens de raad geen noodzaak de paardenstallen te handhaven. De raad stelt dat de aanduiding "dierenpension" is opgenomen in verband met de mogelijke verkoop van dit deel van het perceel aan [honden & kattenpension].

3.2. Aan het deel van het perceel [locatie A] waar de paardenstallen staan, is de bestemming "Maatschappelijk" en de aanduiding "dierenpension" toegekend. Aan deze gronden is geen bouwvlak toegekend.

3.3. De raad heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat de gronden van de paardenstallen van een bouwvlak kunnen worden voorzien en de stallen mede ten behoeve van het hobbymatig houden van paarden kunnen worden bestemd. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog slaagt.

3.4. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" en de aanduiding "dierenpension" voor zover dat ziet op het perceel [locatie A], is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Voor zover [appellanten] en de raad hebben verzocht toepassing te geven aan de in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb gegeven bevoegdheid, ziet de Afdeling geen aanleiding om met toepassing van deze bepaling in dit geval zelf in de zaak te voorzien. Hierbij is van belang dat niet is uitgesloten dat derdebelanghebbenden daardoor in hun belangen zouden kunnen worden geschaad.

3.5. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Tilburg van 30 november 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Vossenberg 2008, 1e herziening (Wielevenweg)" voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" en de aanduiding "dierenpension" voor zover dat ziet op het perceel [locatie A];

III. draagt de raad van de gemeente Tilburg op om binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Tilburg tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.051,92 (zegge: duizendeenenvijftig euro en tweeënnegentig cent), waarvan € 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarbij geldt dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

V. gelast dat de raad van de gemeente Tilburg aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) vergoedt, waarbij geldt dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Vletter, griffier.

w.g. Michiels w.g. Vletter

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2016

653.