Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2624

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-10-2016
Datum publicatie
05-10-2016
Zaaknummer
201600602/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2016:1761, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 maart 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellant] toegekende voorschot huurtoeslag over 2014 herzien en op € 3.421,00 gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201600602/1/A2.

Datum uitspraak: 5 oktober 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 7 januari 2016 in zaak nr. 15/3467 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellant] toegekende voorschot huurtoeslag over 2014 herzien en op € 3.421,00 gesteld.

Bij besluit van 2 juni 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 januari 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 september 2016, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. E.J.E. Groothuis, werkzaam bij de dienst, zijn verschenen.

Overwegingen

Achtergrond en besluitvorming

1. Op 27 december 2010 heeft [appellant] huurtoeslag aangevraagd met ingang van 1 januari 2011 voor het adres [locatie A] te Utrecht, waar hij toen woonde. Op 3 januari 2014 is [appellant] verhuisd naar [locatie B] te Utrecht.

Bij besluit van 21 februari 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellant] toegekende voorschot huurtoeslag over 2014 herzien en op nihil gesteld. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat de rekenhuur van [locatie B] te Utrecht niet bekend is bij de Belastingdienst/Toeslagen.

Op 24 februari 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen van de verhuurder van [appellant] een melding ontvangen dat de rekenhuur van [locatie B] met ingang van 1 juli 2013 € 591,79 per maand bedraagt. Naar aanleiding hiervan heeft de Belastingdienst/Toeslagen bij besluit van 21 maart 2014 het voorschot huurtoeslag over 2014 herzien en op € 3.421,00 gesteld.

Bij brief van 10 juni 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen [appellant] te kennen gegeven dat de gemeente heeft doorgegeven dat zijn broer, [broer], bij hem woont. Bij brief van eveneens 10 juni 2014 heeft Belastingdienst/Toeslagen [appellant] bericht dat op 14 januari 2014 zijn wijziging huurtoeslag is ontvangen en gevraagd om aanvullende gegevens om de toeslag te kunnen vaststellen.

Naar aanleiding van de brieven van 10 juni 2014 heeft [appellant] op 25 juni 2014 de huurtoeslag stopgezet met ingang van 1 januari 2014. Daarnaast heeft hij bij brief van 25 juni 2014 bezwaar gemaakt. Hij heeft daarbij te kennen gegeven dat hij tot zijn verbazing in april 2014 van de Belastingdienst/Toeslagen een bedrag van € 1.140,00 had ontvangen, terwijl hij voor 2014 geen huurtoeslag had aangevraagd. [appellant] stelt dat hij eerst naar aanleiding van de brieven van de brieven van 10 juni 2014 ermee bekend is geworden dat hem voor het adres [locatie B] huurtoeslag is toegekend. Voorts is voor hem onduidelijk hoe de Belastingdienst/Toeslagen op een bedrag van € 285,00 huurtoeslag per maand is uitgekomen, nu de huur per maand maar € 300,00 bedraagt en hem uit een eerdere proefberekening was gebleken dat in dat geval de huurtoeslag ongeveer € 73,00 per maand zou bedragen. Tot slot heeft [appellant] zich in het bezwaarschrift op het standpunt gesteld dat hij onmogelijk de uitbetaalde voorschotten kan terugbetalen en verzocht om kwijtschelding, nu de schuld in dit geval bij de Belastingdienst/Toeslagen ligt en niet bij hem.

Bij besluit van 21 augustus 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellant] toegekende voorschot huurtoeslag over 2014 herzien en op nihil gesteld. Daaraan is ten grondslag gelegd dat de toeslag per 1 januari 2014 is beëindigd.

Bij besluit van 2 juni 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het naar aanleiding van de brief van 10 juni 2014 gemaakte bezwaar tegen het besluit van 21 maart 2014 ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat naar aanleiding van de melding van de verhuurder van [appellant] van 24 februari 2014 aan hem een voorschot huurtoeslag is toegekend voor 2014. Nu [appellant] op 25 juni 2014 de huurtoeslag heeft stopgezet per 1 januari 2014, moet hij de door hem ten onrechte ontvangen voorschotten terugbetalen, aldus de Belastingdienst/Toeslagen.

De uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk is, omdat hij geen procesbelang heeft. Daartoe is overwogen dat [appellant] beroep heeft ingesteld, omdat hij wil voorkomen dat hij de ten onrechte door de Belastingdienst/Toeslagen aan hem betaalde voorschotten huurtoeslag moet terugbetalen. Het besluit van 21 maart 2014, dat in bezwaar is gehandhaafd en waarbij de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellant] een voorschot heeft toegekend, heeft echter niet tot gevolg dat hij de aan hem uitgekeerde voorschotten moet terugbetalen. Met het beroep tegen dat besluit kan hij naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet bereiken dat hij de teveel ontvangen voorschotten niet hoeft terug te betalen.

Hoger beroep

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen procesbelang heeft. Hij voert daartoe aan dat hij, doordat de Belastingdienst/Toeslagen hem bij besluit van 21 maart 2014 ongevraagd voorschotten huurtoeslag heeft toegekend en aan hem heeft uitbetaald, in een hachelijke situatie terecht is gekomen. Als immers het besluit van 21 maart 2014 niet was genomen en aan hem geen voorschotten waren uitbetaald, had hij nu die voorschotten niet hoeven terugbetalen.

3.1. [appellant] heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 2 juni 2015 met het doel te voorkomen dat hij de door hem in 2014 ontvangen voorschotten huurtoeslag terug moet betalen. Hij voert daarbij aan dat hij het bedrag dat hij aan voorschotten heeft ontvangen inmiddels heeft uitgegeven en dus niet meer terug kan betalen.

De Afdeling overweegt dat indien het beroep van [appellant] tegen het besluit van 2 juni 2015 gegrond wordt verklaard en het besluit van 21 maart 2014, waarbij aan hem voorschotten huurtoeslag zijn toegekend, zou worden herroepen, dit weliswaar tot gevolg heeft dat komt vast te staan dat de Belastingdienst/Toeslagen aan hem ten onrechte een voorschot dan wel een te hoog voorschot huurtoeslag heeft toegekend, maar dit niet met zich brengt dat hij de aan hem te veel betaalde voorschotten niet hoeft terug te betalen. Daarbij is van belang dat voor 2014 inmiddels een bedrag van € 2.246,00 aan voorschotten is betaald aan [appellant] en dit bedrag, ook wanneer de grondslag aan de betaling daarvan komt te vervallen, moet worden terugbetaald aan de Belastingdienst/Toeslagen. De voorschotten zijn in dat geval immers onverschuldigd betaald.

Voor zover [appellant] zich op het standpunt heeft bedoeld te stellen dat de Belastingdienst/Toeslagen ten onrechte het aan hem bij besluit van 21 maart 2014 toegekende voorschot huurtoeslag over 2014 herzien en op nihil heeft gesteld, dient hij dat aan te voeren in bezwaar en beroep tegen het besluit van 21 augustus 2014. Voor zover hij zich heeft willen verzetten tegen de terugvordering van de betaalde voorschotten, dient hij dat aan te voeren in bezwaar en beroep tegen het terugvorderingsbesluit.

De slotsom is dat [appellant] geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit van 2 juni 2015, waarbij het bezwaar tegen het besluit van 21 maart 2014 ongegrond is verklaard. De rechtbank is terecht tot die conclusie gekomen.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Wieland, griffier.

w.g. Kranenburg w.g. Wieland

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2016

502.