Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2607

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-10-2016
Datum publicatie
05-10-2016
Zaaknummer
201507732/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2015:3971, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 oktober 2014 heeft het college aan de stichting Stichting Faunabeheereenheid Overijssel op grond van artikel 68 van de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw) ontheffing verleend.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Flora- en faunawet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/985
Omgevingsvergunning in de praktijk 2016/7359
Milieurecht Totaal 2016/6449

Uitspraak

201507732/1/A3.

Datum uitspraak: 5 oktober 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Vogels, gevestigd te Zeist (hierna: de Vogelbescherming),

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 28 augustus 2015 in zaak nr. 15/683 in het geding tussen:

de Vogelbescherming

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel.

Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2014 heeft het college aan de stichting Stichting Faunabeheereenheid Overijssel op grond van artikel 68 van de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw) ontheffing verleend.

Bij besluit van 17 februari 2015 heeft het college het door de Vogelbescherming daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard en het besluit van 3 oktober 2014 deels aangevuld.

Bij besluit van 26 mei 2015 heeft het college het besluit van 17 februari 2015 vervangen.

Bij uitspraak van 28 augustus 2015 heeft de rechtbank het door de Vogelbescherming ingestelde beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 17 februari 2015, niet-ontvankelijk verklaard, voor zover gericht tegen het besluit van 26 mei 2015, deels gegrond verklaard, dat besluit deels vernietigd, het college opgedragen met inachtneming van de uitspraak binnen een maand een nieuw besluit op het bezwaar te nemen en het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 26 mei 2015, voor het overige ongegrond verklaard.

Bij besluit van 21 september 2015 heeft het college gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank het besluit van 26 mei 2015 gewijzigd.

Tegen de uitspraak van de rechtbank heeft de Vogelbescherming hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Vogelbescherming heeft gronden tegen het besluit van 21 september 2015 ingediend.

Bij besluit van 21 april 2015 (lees: 2016) heeft het college een deel van de ontheffing ingetrokken.

De Vogelbescherming heeft reacties ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 september 2016, waar de Vogelbescherming, vertegenwoordigd door mr. H.M. Dotinga, werkzaam bij de Vogelbescherming, en het college, vertegenwoordigd door H.G. Bos en drs. H.L. van Gerrevink, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. De relevante bepalingen van de Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB 2010 L 20) (hierna: de Vogelrichtlijn), van de Ffw en van de Bekendmaking lijsten beschermde inheemse diersoorten zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

2. Bij het besluit van 26 mei 2015 heeft het college vanaf de inwerkingtreding van het besluit tot 1 september 2019 ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen ontheffing verleend voor:

- het doden van grauwe ganzen en kolganzen in de zomerperiode (1 april tot 1 oktober) op agrarisch in gebruik zijnde gronden in alle wildbeheereenheden in Overijssel,

- het verjagen van grauwe ganzen met behulp van ondersteunend afschot in de winterperiode (1 oktober tot 1 april) ter voorkoming van belangrijke schade aan percelen met overjarig grasland en overige percelen met schadegevoelige gewassen in alle wildbeheereenheden in Overijssel,

- het verjagen van kolganzen met behulp van ondersteunend afschot in de winterperiode (1 oktober tot 1 april) ter voorkoming van belangrijke schade aan percelen met overjarig grasland en overige percelen met schadegevoelige gewassen in 15 genoemde wildbeheereenheden,

- het verjagen van kolganzen met behulp van ondersteunend afschot van 1 oktober tot 15 februari in de andere dan hiervoor bedoelde 15 wildbeheereenheden nadat eenmalig door de provinciale toezichthouder is geconstateerd dat zich daadwerkelijk belangrijke schade voordoet of dat er kans is op het ontstaan van belangrijke schade,

- het verjagen van kolganzen met behulp van ondersteunend afschot van 15 februari tot 1 april in alle wildbeheereenheden in Overijssel,

- het doden van brandganzen in de zomerperiode (1 april tot 1 oktober) op agrarisch in gebruik zijnde gronden in 18 genoemde wildbeheereenheden,

- het doden van brandganzen in de winterperiode (1 oktober tot 1 april) ter voorkoming van belangrijke schade aan percelen met overjarig grasland en overige percelen met schadegevoelige gewassen in 8 genoemde wildbeheereenheden.

2.1. De rechtbank heeft overwogen dat voor het verjagen van grauwe ganzen met behulp van ondersteunend afschot in de winterperiode, voor het doden van kolganzen in de zomerperiode en voor het verjagen van kolganzen met behulp van ondersteunend afschot van 15 februari tot 1 april ontheffing is verleend voor alle wildbeheereenheden in Overijssel. Slechts in een deel van die wildbeheereenheden is in het verleden schade aangericht door grauwe ganzen respectievelijk kolganzen en slechts in een deel van die wildbeheereenheden is eerder een ontheffing van toepassing geweest. Voor de wildbeheereenheden waar in het verleden geen schade is aangericht door de betreffende ganzensoort in de betreffende periode en evenmin een ontheffing was verleend voor die ganzensoort in die periode, acht de rechtbank de aanwezigheid van een concrete dreiging van belangrijke schade aan gewassen onvoldoende gemotiveerd. Voor zover de ontheffing ziet op brandganzen, acht de rechtbank die voldoende gemotiveerd.

De rechtbank heeft voorts overwogen dat de ontheffing, voor zover verleend voor het verjagen van kolganzen met behulp van ondersteunend afschot van 1 oktober tot 15 februari, nadat eenmalig door de provinciale toezichthouder is geconstateerd dat zich daadwerkelijk belangrijke schade voordoet, niet in strijd is met artikel 68, eerste lid, van de Ffw. Voor zover is bepaald dat de ontheffing wordt verleend nadat eenmalig door de provinciale toezichthouder is geconstateerd dat er kans is op het ontstaan van belangrijke schade, is de rechtbank van oordeel dat dit in te ver verwijderd verband staat tot de strekking van artikel 68, eerste lid, van de Ffw.

Het hoger beroep

3. De Vogelbescherming betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college ontheffing heeft mogen verlenen onder de voorwaarde dat een provinciale toezichthouder heeft geconstateerd dat zich daadwerkelijk belangrijke schade voordoet. Volgens haar is een voorwaardelijke ontheffing in strijd met de Vogelrichtlijn en de Ffw. De Vogelbescherming verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9067. Het college dient de toets of belangrijke schade aan gewassen is aangericht of dreigt te worden aangericht voorafgaand aan het verlenen van een ontheffing uit te voeren en mag die niet overlaten aan de toezichthouder, aldus de Vogelbescherming.

3.1. Het college stelt in het verweerschrift dat de Vogelbescherming deze grond eerst in hoger beroep heeft aangevoerd, zodat die buiten beschouwing moet blijven.

3.1.1. Eerst bij het besluit van 26 mei 2015 is een deel van de ontheffing voorwaardelijk verleend. In het besluit staat dat de Vogelbescherming door het college in de gelegenheid is gesteld om te reageren op het voornemen dat besluit te nemen.

In een e-mail van 22 mei 2015, gericht aan het college, heeft de Vogelbescherming zich op het standpunt gesteld dat geen ontheffing mag worden verleend voor wildbeheereenheden waar zich belangrijke schade noch een concrete dreiging daarvan voordoet en dat de Afdeling in de voormelde uitspraak van 1 mei 2013 heeft bepaald dat een systeem waarbij de provinciale toezichthouder toetst of er belangrijke schade aan gewassen dreigt, in strijd met de Ffw en de Vogelrichtlijn is.

Ter zitting van de rechtbank op 10 juni 2015 is namens de Vogelbescherming betoogd dat het in strijd met jurisprudentie is dat een toezichthouder achteraf vaststelt of zich belangrijke schade voordoet. Gelet op het geringe tijdsverloop tussen het besluit van 26 mei 2015 en de behandeling ter zitting, kan de Vogelbescherming niet worden tegengeworpen dat zij eerst ter zitting dit heeft betoogd. Bovendien heeft zij reeds in de e-mail van 22 mei 2015 naar voren gebracht dat een voorwaardelijke ontheffing volgens haar in strijd met de Ffw en de Vogelrichtlijn is. Er bestaat derhalve geen aanleiding die grond in hoger beroep buiten beschouwing te laten.

3.2. Artikel 68 van de Ffw is de implementatie van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, derde gedachtestreepje, van de Vogelrichtlijn. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 februari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH1843), is niet gebleken dat de implementatie niet op een juiste wijze is geschied. Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof van Justitie) van 11 juli 2002 in zaak C-62/00 (ECLI:EU:C:2002:435), Marks & Spencer, laat dit evenwel onverlet, zoals ook de rechtbank terecht heeft overwogen, dat artikel 68 van de Ffw moet worden uitgelegd en toegepast in het licht van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, derde gedachtestreepje, van de Vogelrichtlijn.

Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 8 juni 2006 in zaak C-60/05 (ECLI:EU:C:2006:378), WWF Italia e.a., onder verwijzing naar zijn arrest van 7 maart 1996 in zaak C-118/94 (ECLI:EU:C:1996:86), Associazione Italiana per il WWF e.a., overwogen dat, aangezien het hier gaat om een uitzonderingsregeling die strikt moet worden uitgelegd en volgens welke de autoriteit die het besluit neemt voor elke afwijking moet bewijzen dat aan de gestelde voorwaarden is voldaan, de lidstaten moeten waarborgen dat elke ingreep die de beschermde soorten raakt slechts wordt toegestaan op basis van besluiten die steunen op een nauwkeurige en treffende motivering welke verwijst naar de in artikel 9, eerste en tweede lid, van de Vogelrichtlijn opgesomde redenen, voorwaarden en vereisten.

In het arrest van 7 maart 1996 heeft het Hof van Justitie overwogen dat de afwijking van de in de Vogelrichtlijn neergelegde verbodsbepalingen moet voldoen aan nauwkeurig omschreven vormvoorwaarden, die tot doel hebben de afwijkingen tot het strikt noodzakelijke te beperken. Ofschoon artikel 9 van de Vogelrichtlijn een ruime afwijking van de algemene beschermingsregeling toestaat, moet het niettemin een concrete en gerichte toepassing vinden teneinde tegemoet te komen aan nauwkeurige vereisten en specifieke situaties.

3.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9067), is aan het in artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ffw gestelde vereiste van belangrijke schade voldaan, indien is gebleken van een concrete dreiging van belangrijke schade.

Bij het besluit van 26 mei 2015 heeft het college voorwaardelijk ontheffing verleend voor het verjagen van kolganzen met behulp van ondersteunend afschot van 1 oktober tot 15 februari in de andere wildbeheereenheden in Overijssel dan de 15 wildbeheereenheden, waarvoor bij dat besluit onvoorwaardelijk ontheffing is verleend voor het verjagen van kolganzen met behulp van ondersteunend afschot in de winterperiode. De rechtbank heeft overwogen dat voor kolganzen in de winterperiode in het verleden voor 15 wildbeheereenheden ontheffing was verleend en dat in 3 andere wildbeheereenheden schade is aangericht door kolganzen in de winterperiode. Voor de overige wildbeheereenheden acht de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat zich een concrete dreiging van belangrijke schade aan gewassen voordoet. Het college heeft geen hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ingesteld. De Afdeling moet daarom van het oordeel van de rechtbank uitgaan. Als uitgangspunt geldt daarom dat het college voor een deel van de wildbeheereenheden waarvoor het voorwaardelijk ontheffing voor het verjagen van kolganzen met behulp van ondersteunend afschot van 1 oktober tot 15 februari heeft verleend, onvoldoende heeft gemotiveerd dat zich een concrete dreiging van belangrijke schade aan gewassen voordoet.

Gelet op de hiervoor onder 3.2 weergegeven jurisprudentie van het Hof van Justitie, moet bij het besluit waarbij ontheffing wordt verleend bewijs worden geleverd dat aan de voorwaarden wordt voldaan en moet dat besluit steunen op een nauwkeurige en treffende motivering. Voor het bewijs dat zich een concrete dreiging van belangrijke schade voordoet, mocht het college derhalve niet slechts verwijzen naar een in de toekomst door een provinciaal toezichthouder te geven oordeel (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9067).

De rechtbank heeft derhalve ten onrechte niet onderkend dat de ontheffing, voor zover verleend voor het verjagen van kolganzen met behulp van ondersteunend afschot van 1 oktober tot 15 februari nadat eenmalig door de provinciale toezichthouder is geconstateerd dat zich daadwerkelijk belangrijke schade voordoet, in strijd met artikel 68, eerste lid, van de Ffw is verleend.

Het betoog slaagt.

3.4. Het hoger beroep is gegrond.

De nadere besluiten

4. Bij het besluit van 21 september 2015 heeft het college, gevolggevend aan de uitspraak van de rechtbank, de zinsnede "of dat er kans is op het ontstaan van belangrijke schade in de wildbeheereenheid" in de ontheffing geschrapt. Voorts heeft het college ingetrokken de ontheffing, voor zover die was verleend voor het verjagen van kolganzen met behulp van ondersteunend afschot van 15 februari tot 1 april in alle wildbeheereenheden in Overijssel. Bij het besluit wordt verder voorwaardelijk ontheffing verleend voor het verjagen van grauwe ganzen met behulp van ondersteunend afschot in de winterperiode voor 21 genoemde wildbeheereenheden, voor het verjagen van kolganzen met ondersteunend afschot in de winterperiode voor 26 genoemde wildbeheereenheden en voor het doden van kolganzen in de zomerperiode voor 23 genoemde wildbeheereenheden. Het college heeft hierbij toegelicht dat een voorwaardelijke ontheffing inhoudt dat van de ontheffing pas gebruik gemaakt mag worden nadat de provinciale toezichthouder eenmalig heeft geconstateerd dat zich belangrijke schade voordoet. De toezichthouder meldt dat schriftelijk aan de Faunabeheereenheid, die daarop de betreffende wildbeheereenheid of de grondgebruiker kan machtigen om gebruik te maken van de ontheffing.

4.1. Bij besluit van 21 april 2015 (lees: 2016) heeft het college de ontheffing ingetrokken, voor zover die was verleend voor het doden van brandganzen in de winterperiode in één wildbeheereenheid.

4.2. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft het bezwaar of beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

Ingevolge artikel 6:24 is deze bepaling in hoger beroep van overeenkomstige toepassing.

4.3. Over het besluit van 21 september 2015 heeft de Vogelbescherming te kennen gegeven dat zij zich daarmee niet kan verenigen, nu daarbij voorwaardelijke ontheffingen zijn verleend. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

4.4. Bij brief van 4 mei 2016 heeft de Vogelbescherming te kennen gegeven dat zij zich met het besluit van 21 april 2015 (lees: 2016) kan verenigen. Dit besluit is geen onderwerp van dit geding, nu partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

5. Over het besluit van 21 september 2015 betoogt de Vogelbescherming eveneens dat het in strijd met de Vogelrichtlijn en de Ffw is om voorwaardelijk ontheffing te verlenen.

5.1. Reeds bij het besluit van 26 mei 2015 heeft het college voorwaardelijk ontheffing verleend voor het verjagen van kolganzen met behulp van ondersteunend afschot van 1 oktober tot 15 februari voor 27 wildbeheereenheden. Dat zijn op één na dezelfde wildbeheereenheden als die waarvoor bij het besluit van 21 september 2015 voorwaardelijk ontheffing is verleend voor het verjagen van kolganzen met behulp van ondersteunend afschot in de winterperiode. Zoals hiervoor onder 3.3 is overwogen, heeft de rechtbank ten aanzien van een deel van die wildbeheereenheden geoordeeld dat het college bij het besluit van 26 mei 2015 onvoldoende heeft gemotiveerd dat zich in de winterperiode een concrete dreiging van belangrijke schade aan gewassen aangericht door kolganzen voordoet.

Ten aanzien van de wildbeheereenheden waarvoor bij het besluit van 21 september 2015 voorwaardelijk ontheffing is verleend voor het verjagen van grauwe ganzen met behulp van ondersteunend afschot in de winterperiode, en ten aanzien van de wildbeheereenheden waarvoor bij dat besluit voorwaardelijk ontheffing is verleend voor het doden van kolganzen in de zomerperiode, heeft de rechtbank eveneens geoordeeld dat het college in het besluit van 26 mei 2015 onvoldoende heeft gemotiveerd dat zich een concrete dreiging van belangrijke schade aan gewassen voordoet.

Nu het college geen hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank heeft ingesteld, moet de Afdeling van die oordelen van de rechtbank uitgaan.

5.2. Uit overweging 6.1 van de aangevallen uitspraak blijkt dat de rechtbank bij die oordelen over de aanwezigheid van een concrete dreiging van belangrijke schade aan gewassen heeft betrokken dat uit hoofdstuk 7 van het Faunabeheerplan, dat is opgesteld door de Faunabeheereenheid en waarnaar het college bij het verlenen van ontheffing heeft verwezen, volgt dat de in Overijssel uitgekeerde schade veroorzaakt door de grauwe gans sinds 2005 is verdubbeld en de schade door de kolgans met 50% is toegenomen. Voorts heeft de rechtbank betrokken dat het college ervan uitgaat dat zich een concrete dreiging van belangrijke schade aan gewassen voordoet in de gebieden van de wildbeheereenheden waarvoor in de periode van 2009-2014 ontheffingen zijn verleend waarvan gebruik is gemaakt.

De rechtbank heeft overwogen dat voor de wildbeheereenheden, waar in het verleden geen schade is aangericht door de betreffende ganzensoort in de betreffende periode en evenmin een ontheffing was verleend voor die ganzensoort in die periode, de aanwezigheid van een concrete dreiging van belangrijke schade aan gewassen onvoldoende is gemotiveerd. De enkele verwijzing naar de maximale actieradius van de ganzensoorten van 30 kilometer acht de rechtbank daartoe onvoldoende. Dat zegt immers niets over de schadegevoeligheid van de desbetreffende wildbeheereenheden, aldus de rechtbank.

5.3. Uit hetgeen hiervoor onder 3.3 is overwogen, blijkt dat een voorwaardelijk verleende ontheffing in strijd met artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ffw is, indien in het besluit niet nauwkeurig en treffend is gemotiveerd en bewijs is geleverd dat zich een concrete dreiging van belangrijke schade aan gewassen voordoet. In het geval dat in een besluit de aanwezigheid van die concrete dreiging nauwkeurig en treffend is gemotiveerd en bewezen, bestaat geen bezwaar tegen het opnemen van een extra waarborg dat eerst van de ontheffing gebruik mag worden gemaakt nadat de provinciale toezichthouder eenmalig heeft geconstateerd dat zich belangrijke schade voordoet, nu in dat geval niet in strijd met artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ffw ontheffing wordt verleend. Gelet hierop, is van belang of het college bij het besluit van 21 september 2015 het door de rechtbank geconstateerde motiveringsgebrek heeft hersteld.

5.4. In het besluit van 21 september 2015 heeft het college toegelicht dat in alle wildbeheereenheden waarvoor een voorwaardelijke ontheffing wordt verleend, percelen liggen waarop schadegevoelige gewassen worden geteeld, zoals overjarig grasland. In het bij de Afdeling ingediende verweerschrift heeft het college toegelicht dat de wildbeheereenheden waar in het verleden belangrijke schade is geconstateerd verspreid liggen over de gehele provincie en dat de dreiging van schade wordt versterkt doordat de omstandigheid dat een ontheffing wordt gebruikt in verscheidene wildbeheereenheden in Overijssel er toe leidt dat de ganzen in die wildbeheereenheden naar andere wildbeheereenheden zullen uitwijken. Ter zitting van de Afdeling heeft het college nog toegelicht dat het aantal wildbeheereenheden in Overijssel waarin zich een schadegeval heeft voorgedaan, groeit en dat aanwezige ganzen een aantrekkende werking hebben op overvliegende ganzen.

Het college heeft hiermee niet het door de rechtbank geconstateerde motiveringsgebrek hersteld. Daartoe is het volgende van belang. Het college heeft het in het besluit van 21 september 2015 ingenomen standpunt dat in alle wildbeheereenheden waarvoor een voorwaardelijke ontheffing wordt verleend percelen liggen waarop schadegevoelige gewassen worden geteeld, niet gemotiveerd. De door het college in het verweerschrift en ter zitting van de Afdeling gegeven toelichting is niet in het besluit van 21 september 2015 opgenomen. Bovendien zijn de daarbij ingenomen standpunten evenmin gemotiveerd of met stukken, zoals deskundigenrapporten, gestaafd.

Bij het besluit van 21 september 2015 heeft het college aldus onvoldoende gemotiveerd dat zich in wildbeheereenheden waar in het verleden geen schade is aangericht door de betreffende ganzensoort in de betreffende periode en evenmin een ontheffing was verleend voor die ganzensoort in die periode, een concrete dreiging van belangrijke schade aan gewassen voordoet en heeft voor die wildbeheereenheden derhalve in strijd met artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ffw voorwaardelijk ontheffing verleend.

5.5. Het betoog slaagt.

5.6. Het beroep tegen het besluit van 21 september 2015 is gegrond.

Conclusie

6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank heeft nagelaten het besluit van 26 mei 2015 te vernietigen, voor zover daarbij voorwaardelijk ontheffing is verleend voor het verjagen van kolganzen met behulp van ondersteunend afschot van 1 oktober tot 15 februari voor wildbeheereenheden waar in het verleden geen schade is aangericht door kolganzen in die periode en evenmin een ontheffing was verleend voor kolganzen in die periode. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ffw in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Het beroep tegen het besluit van 21 september 2015 is gegrond. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover daarbij voorwaardelijk ontheffing is verleend voor grauwe ganzen en kolganzen in de winterperiode en voor kolganzen in de zomerperiode voor wildbeheereenheden waar in het verleden geen schade is aangericht door de betreffende ganzensoort in de betreffende periode en evenmin een ontheffing was verleend voor die ganzensoort in die periode. Het college dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuw te nemen besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 28 augustus 2015 in zaak nr. 15/683, voor zover de rechtbank heeft nagelaten het besluit van 26 mei 2015 te vernietigen, voor zover daarbij voorwaardelijk ontheffing is verleend voor het verjagen van kolganzen met behulp van ondersteunend afschot van 1 oktober tot 15 februari voor wildbeheereenheden waar in het verleden geen schade is aangericht door kolganzen in die periode en evenmin een ontheffing was verleend voor kolganzen in die periode;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 26 mei 2015, kenmerk 2015/0137398 A14-586 en A14-710, in zoverre;

IV. verklaart het beroep tegen het besluit van 21 september 2015 gegrond;

V. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 21 september 2015, kenmerk 2015/0273046 A15-343 en -344, voor zover daarbij voorwaardelijk ontheffing is verleend voor grauwe ganzen en kolganzen in de winterperiode en voor kolganzen in de zomerperiode voor wildbeheereenheden waar in het verleden geen schade is aangericht door de betreffende ganzensoort in de betreffende periode en evenmin een ontheffing was verleend voor die ganzensoort in die periode;

VI. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Overijssel tot vergoeding van bij de vereniging Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Vogels in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 27,10 (zegge: zevenentwintig euro en tien cent);

VIII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Overijssel aan de vereniging Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Vogels het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 497,00 (zegge: vierhonderdzevenennegentig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. R.J.J.M. Pans en mr. J.W. van de Gronden, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Noordhoek, griffier.

w.g. Slump w.g. Noordhoek

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2016

819.

BIJLAGE

Vogelrichtlijn

Artikel 1

1. Deze richtlijn heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. Zij betreft de bescherming, het beheer en de regulering van deze soorten en stelt regels voor de exploitatie daarvan.

Artikel 5

Onverminderd de artikelen 7 en 9 nemen de lidstaten de nodige maatregelen voor de invoering van een algemene regeling voor de bescherming van alle in artikel 1 bedoelde vogelsoorten; deze maatregelen omvatten met name de volgende verbodsbepalingen:

a) een verbod om, ongeacht de gebruikte methode, opzettelijk de bedoelde vogels te doden of te vangen;

b) (...);

c) (...);

d) een verbod om deze vogels, met name gedurende de broedperiode, opzettelijk te storen, voor zover een dergelijke storing, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn, van wezenlijke invloed is;

e) (...).

Artikel 9

1. De lidstaten mogen, indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat, om onderstaande redenen afwijken van de artikelen 5, 6, 7 en 8:

a) - in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid,

- in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer,

- ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren,

- ter bescherming van flora en fauna;

b) (...);

c) (...).

Ffw

Artikel 4

1. Als beschermde inheemse diersoort worden aangemerkt:

a. (...);

b. alle van nature op het Europese grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie voorkomende soorten vogels met uitzondering van gedomesticeerde vogels behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten;

c. (...);

d. (...).

Artikel 9

Het is verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen.

Artikel 10

Het is verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten.

Artikel 68

1. Wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort, kunnen gedeputeerde staten, voorzover niet bij of krachtens enig ander artikel van deze wet vrijstelling is of kan worden verleend, ten aanzien van beschermde inheemse diersoorten, het Faunafonds gehoord, ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 9 tot en met 15, 15a, 15b, tweede lid in samenhang met het eerste lid, 16, 17, 18, 53, eerste lid, onderdelen c en d, 72, vijfde lid, en 74:

a. (...);

b. (...);

c. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren;

d. (...) of

e. (...).

Bekendmaking lijsten beschermde inheemse diersoorten

Artikel 1

De soorten die behoren tot de hieronder vermelde categorieën beschermde inheemse diersoorten zoals aangewezen in artikel 4, eerste lid, van de Flora- en faunawet zijn opgenomen in:

a. (...);

b. bijlage 2: de van nature op het Europese grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie voorkomende soorten vogels als aangewezen in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de Flora- en faunawet;

c. (...);

d. (...).

Bijlage 2

(...)

Anser albifrons - kolgans

Anser anser - grauwe gans

(...)

Branta leucopsis - brandgans

(...)