Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2597

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-10-2016
Datum publicatie
05-10-2016
Zaaknummer
201600258/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 juni 2013 heeft het college met toepassing van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) aan [appellant] een overzicht verstrekt van de bedragen die oud-wethouders over de periode van 2005 tot en met april 2013 aan wachtgelden hebben ontvangen.

Wetsverwijzingen
Wet openbaarheid van bestuur
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/975

Uitspraak

201600258/1/A3.

Datum uitspraak: 5 oktober 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Menameradiel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2013 heeft het college met toepassing van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) aan [appellant] een overzicht verstrekt van de bedragen die oud-wethouders over de periode van 2005 tot en met april 2013 aan wachtgelden hebben ontvangen.

Bij brief van 9 januari 2016 heeft [appellant] beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar.

Bij besluit van 19 januari 2016 heeft het college opnieuw op het bezwaar besloten en loonstaten en jaaropgaven van oud-wethouders over de periode 2008 tot en met april 2013 geanonimiseerd openbaar gemaakt. Voor zover het Wob-verzoek van [appellant] van 26 april 2013 betrekking heeft op loonstaten en jaaropgaven van vóór 2008 heeft het college dat verzoek afgewezen.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep bij de Afdeling ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 juli 2016, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J. Faber, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

Overwegingen

1. Bij brief van 26 april 2013 heeft [appellant] een verzoek ingediend om openbaarmaking op grond van de Wob van documenten over de verstrekking van wachtgelden aan oud-wethouders en oud-raadsleden vanaf 2000.

Bij besluit van 11 juni 2013 heeft het college aan [appellant] een overzicht verstrekt van de bedragen die oud-wethouders over de periode van 2005 tot en met april 2013 aan wachtgelden hebben ontvangen. Bij besluit van 1 oktober 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 november 2014 heeft de rechtbank Noord-Nederland in zaak nr. 13/2835 het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 1 oktober 2013 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Bij besluit van 13 januari 2015 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 11 juni 2013 gemaakte bezwaar gegrond verklaard, voor zover de namen van de oud-wethouders niet openbaar waren gemaakt. Deze namen zijn met dit besluit alsnog verstrekt. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3584 heeft de Afdeling het door [appellant] ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 25 november 2014 gegrond verklaard, het beroep van rechtswege tegen het besluit van het college van 13 januari 2015 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, voor zover het college daarin niet heeft besloten over openbaarmaking van loonstaten en jaaropgaven en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld. Daarbij heeft de Afdeling overwogen dat het verzoek dat [appellant] in bezwaar kenbaar heeft gemaakt om de door hem verzochte informatie te verstrekken in de vorm van bestaande documenten, zoals loonstaten en jaaropgaven, als nadere invulling van het oorspronkelijke verzoek kan worden beschouwd. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat [appellant] het verzoek met de precisering in bezwaar heeft uitgebreid en dat het college niet gehouden was het bezwaar in zoverre als een verduidelijking van het verzoek aan te merken. Het college heeft derhalve ten onrechte niet besloten over openbaarmaking van loonstaten en jaaropgaven.

Bij besluit van 19 januari 2016, naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 25 november 2015, heeft het college besloten tot geanonimiseerde openbaarmaking van loonstaten en jaaropgaven van oud-wethouders over de periode 2008 tot en met april 2013. Voor zover het verzoek van [appellant] betrekking heeft op loonstaten en jaaropgaven van vóór 2008 heeft het college dat verzoek afgewezen.

Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit

2. [appellant] betoogt in zijn brief van 9 januari 2016 dat het college heeft nagelaten binnen zes weken na de uitspraak van de Afdeling van 25 november 2015 een nieuw besluit op bezwaar te nemen. In zijn brief van 7 februari 2016 stelt hij dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat het college alsnog op het bezwaar heeft besloten. [appellant] verzoekt de Afdeling het college te veroordelen in een vergoeding van de proceskosten.

2.1. De Afdeling overweegt dat [appellant] geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, omdat het college bij besluit van 19 januari 2016 heeft besloten op zijn bezwaar. Het beroep is niet-ontvankelijk.

2.2. Ingevolge artikel 6:12, eerste lid, van de Awb is indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan wel het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking het niet aan een termijn gebonden.

Ingevolge het tweede lid, onder a, kan het beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken.

2.3. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling dat wanneer hangende de procedure tegen het uitblijven van een tijdig besluit alsnog een uitdrukkelijk besluit wordt genomen, dit wordt aangemerkt als tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb (onder meer de uitspraak van 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1753). Hiervoor is wel van belang dat is voldaan aan de voorwaarden voor het instellen van een beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit.

De Afdeling heeft in haar uitspraak van 25 november 2015 geen termijn gesteld waarbinnen het college opnieuw een besluit op bezwaar dient te nemen. Als maximumtermijn waarbinnen moet worden besloten na vernietiging door de rechter kan worden uitgegaan van de termijn die van toepassing is op de primaire besluitvorming. In dit geval dient als termijn voor het nemen van een nieuw besluit op bezwaar te worden uitgegaan van de termijn waarbinnen volgens de Awb een besluit op bezwaar moet worden genomen. Ingevolge artikel 7:10, eerste lid, van de Awb bedraagt deze termijn ten hoogste twaalf weken indien een commissie is ingesteld als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb. Nu vast staat dat deze commissie is ingesteld diende het college uiterlijk op 17 februari 2016 een besluit op bezwaar te nemen. Omdat het college op 9 januari 2016 niet in gebreke was tijdig een besluit te nemen bestaat er geen aanleiding het college ter zake van het beroep wegens niet tijdig beslissen te veroordelen in de proceskosten.

Het beroep tegen het besluit op bezwaar van 19 januari 2016

3. [appellant] betoogt dat het college ook de loonstaten en jaaropgaven van oud-wethouders over de jaren 2006 en 2007 had moeten verstrekken. Het college had deze documenten niet mogen vernietigen, omdat het daartoe niet de vrijheid had na het verzoek van 26 april 2013. Volgens [appellant] heeft het college nagelaten te onderzoeken of de documenten toch nog ergens voorhanden zijn.

3.1. Het college stelt dat documenten van de salarisadministratie over het jaar 2006 in januari 2014 zijn vernietigd. Documenten over het jaar 2007 zijn in januari 2015 vernietigd. Documenten van de salarisadministratie van vóór 2008 zijn niet meer voorhanden, omdat het college op grond van de Archiefwet 1995 is gehouden documenten zeven jaren te bewaren en na verloop van deze termijn te vernietigen. Ook heeft navraag bij oud-wethouders niet tot enig resultaat geleid.

3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer haar uitspraak van 9 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1214 heeft een bestuursorgaan na indiening van een verzoek om openbaarmaking van documenten niet de vrijheid om documenten, waarop dat verzoek betrekking heeft, te vernietigen. Vanaf dat moment dient het behoud daarvan volledig te worden gewaarborgd.

Het verzoek van [appellant] van 26 april 2013, dat nader is gepreciseerd in zijn bezwaarschrift van 30 juni 2013, heeft mede betrekking op loonstaten en jaaropgaven van oud-wethouders over de jaren 2006 en 2007. Het college heeft deze loonstaten en jaaropgaven na het verzoek, in januari 2014 onderscheidenlijk januari 2015, vernietigd, terwijl het daartoe niet meer de vrijheid had. Gelet hierop en nu het college stelt dat uit een nader onderzoek is gebleken dat de loonstaten en jaaropgaven niet meer voorhanden zijn, is het besluit op bezwaar van 19 januari 2016 niet met de te betrachten zorgvuldigheid voorbereid. Het betoog slaagt.

Conclusie

4. Het beroep is gegrond. Het besluit op bezwaar van 19 januari 2016, voor zover het verzoek om openbaarmaking van loonstaten en jaaropgaven van oud-wethouders over de jaren 2006 en 2007 is afgewezen, komt wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

Wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, is het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust. De Afdeling acht de toelichting van het college dat na onderzoek is gebleken dat de loonstaten en jaaropgaven over de jaren 2006 en 2007 niet meer voorhanden zijn en dat geen digitale bestanden van de salarisadministratie over deze jaren aanwezig zijn, omdat pas vanaf 1 januari 2008 een aanvang is gemaakt met het digitaal archiveren, niet ongeloofwaardig. Nu [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze loonstaten en jaaropgaven toch onder het college berusten, ziet de Afdeling aanleiding te bepalen dat het college niet opnieuw op het bezwaar een besluit behoeft te nemen.

5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Menameradiel van 19 januari 2016, voor zover het verzoek om openbaarmaking van loonstaten en jaaropgaven van oud-wethouders over de jaren 2006 en 2007 is afgewezen, gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Menameradiel van 19 januari 2016, voor zover het verzoek om openbaarmaking van loonstaten en jaaropgaven van oud-wethouders over de jaren 2006 en 2007 is afgewezen;

IV. bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders van Menameradiel in zoverre geen nieuw besluit op bezwaar behoeft te nemen;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Menameradiel tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 496,00 (zegge: vierhonderdzesennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Menameradiel aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. K.S. Man, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Man

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2016

629.