Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:256

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-02-2016
Datum publicatie
03-02-2016
Zaaknummer
201504382/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2015:3102, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 januari 2013 heeft de staatssecretaris het koninklijk besluit van 15 december 2006, waarbij aan [appellant] het Nederlanderschap is verleend, ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Nationaliteitsrecht 2016/829
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504382/1/V6.

Datum uitspraak: 3 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 april 2015 in zaak nr. 14/7656 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2013 heeft de staatssecretaris het koninklijk besluit van 15 december 2006, waarbij aan [appellant] het Nederlanderschap is verleend, ingetrokken.

Bij besluit van 15 oktober 2014 heeft de staatssecretaris het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 april 2015 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en de staatssecretaris hebben ieder een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 december 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. E.L. Garnett, advocaat te Den Bosch, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) komt voor verlening van het Nederlanderschap slechts in aanmerking de verzoeker die, voor zover thans van belang, in het Koninkrijk als ingeburgerd kan worden beschouwd. Ingevolge artikel 14, eerste lid, kan de staatssecretaris de verlening van het Nederlanderschap intrekken, indien zij berust op een door de betrokken persoon gegeven valse verklaring of bedrog, dan wel op het verzwijgen van enig voor de verlening relevant feit. De intrekking werkt terug tot het tijdstip van verlening van het Nederlanderschap.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN (hierna: de Handleiding) kan de staatssecretaris besluiten tot intrekking van het Nederlanderschap indien de betrokkene in het kader van de naturalisatieprocedure relevante feiten heeft verzwegen. Hierbij moet worden gedacht aan het verzwijgen van feiten, waarvan de betrokkene weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat ze van belang kunnen zijn voor de beoordeling van het naturalisatieverzoek. Intrekking zal slechts worden overwogen indien de betrokkene, ware de verzwijging van relevante feiten tijdig bekend geweest, niet voor verlening van het Nederlanderschap in aanmerking zou zijn gekomen.

Volgens de Handleiding verstaat de staatssecretaris onder ingeburgerd zijn, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de RWN onder meer dat de verzoeker slechts met één persoon door het huwelijk verbonden kan zijn.

2. De staatssecretaris heeft het koninklijk besluit van 15 december 2006 ingetrokken omdat [appellant], die ten tijde van zijn naturalisatieverzoek was getrouwd met [partner A], heeft verzwegen dat hij op dat moment ook met [partner B] was getrouwd. De staatssecretaris heeft hieraan de in een verificatierapport van 23 februari 2012 (hierna: het verificatierapport) neergelegde resultaten van door de minister van Buitenlandse Zaken verricht verificatieonderzoek ten grondslag gelegd. In het verificatierapport staat dat [appellant] op 13 februari 2001 in Egypte met [partner B] is getrouwd en dat dit huwelijk op 14 februari 2001 is ingeschreven in het Egyptische register van de burgerlijke stand. Het verificatierapport vermeldt voorts dat [appellant] op 9 oktober 2008 opnieuw met [partner B] is getrouwd en dat dit huwelijk op 11 oktober 2008 is ingeschreven in het Egyptische register van de burgerlijke stand. [appellant] wist of moest redelijkerwijs vermoeden dat hij bij zijn naturalisatieverzoek melding had moeten maken van zijn eerste huwelijk met [partner B], aldus de staatssecretaris.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris ten onrechte is uitgegaan van de juistheid van het verificatierapport en dus niet heeft aangetoond dat [appellant] ten tijde van zijn naturalisatieverzoek bigaam was gehuwd. [appellant] voert aan dat uit het verificatierapport blijkt dat hij tweemaal met [partner B] is getrouwd, maar niet dat hij tegelijk met [partner B] en [partner A] getrouwd is geweest. Verder heeft hij, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet alleen de volledigheid, maar ook de consistentie, zorgvuldigheid en inhoud van het verificatierapport betwist. Wat betreft de consistentie van het verificatierapport wijst [appellant] erop dat daarin twee verschillende data zijn vermeld waarop zijn eerste huwelijk met [partner B] zou zijn geregistreerd. Voorts heeft hij informatie overgelegd over het huwelijksrecht in Egypte, waaruit volgt dat zijn eerste huwelijk met [partner B] niet door de bevoegde kerk is gesloten en derhalve nietig is. In dit verband wijst [appellant] voorts op een overeenkomst van 30 maart 2001 (hierna: de overeenkomst van 30 maart 2001), waaruit blijkt dat de onderliggende civiele overeenkomst tussen hem en [partner B] is ontbonden, alsmede een beschikking van de rechtbank in Sohag (Egypte) van 27 juni 2013, waaruit volgt dat die rechtbank de juistheid van de overeenkomst van 30 maart 2001 heeft bevestigd. [appellant] wijst voorts op de door hem overgelegde huwelijksakte van 23 oktober 2002 betreffende zijn huwelijk met [partner A] en een ongehuwdverklaring van de Koptische kerk van 21 oktober 2002, waaruit volgens hem volgt dat hij ten tijde van het sluiten van zijn huwelijk met [partner A] niet gehuwd was. [appellant] voert verder aan dat de rechtbank weliswaar heeft overwogen dat zij er niet van overtuigd is dat, zoals het verificatierapport vermeldt, [appellant] de huwelijksakte die ten grondslag ligt aan zijn eerste huwelijk met [partner B] heeft gemanipuleerd, maar zij heeft niet onderkend dat daarmee ook de overige conclusies in het verificatierapport zijn aangetast.

3.1. Voor zover [appellant] beoogt te betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris zijn standpunt, dat [appellant] ten tijde van zijn naturalisatieverzoek bigaam was gehuwd, enkel heeft gebaseerd op het verificatierapport, faalt dit betoog. De staatssecretaris heeft op basis van het verificatierapport geconcludeerd dat [appellant] ten tijde van zijn naturalisatieverzoek met [partner B] was getrouwd. Bezien in samenhang met het departementale dossier van [appellant], waaruit blijkt dat hij toen ook met [partner A] was getrouwd, is de staatssecretaris vervolgens tot voormeld standpunt gekomen.

3.2. In het verificatierapport staat dat [appellant] op 13 februari 2001 met [partner B] is getrouwd en dat dit huwelijk op 14 februari 2001 in het Egyptische register van de burgerlijke stand is geregistreerd. In antwoord op de vraag hoe het mogelijk is dat in dit register twee huwelijken tussen [appellant] en [partner B] zijn geregistreerd - het eerste in 2001 en het tweede in 2008 - heeft de onderzoeker te kennen gegeven dat hij veronderstelt dat [appellant] de namen op de eerste huwelijksakte heeft gemanipuleerd en dit huwelijk eerst na de geboorte van zijn eerste zoon in 2003 heeft geregistreerd. Nu de onderzoeker daarmee slechts een mogelijke verklaring heeft gegeven voor het bestaan van de twee hiervoor genoemde huwelijksregistraties, is dit onvoldoende om tot het oordeel te kunnen leiden dat het verificatierapport niet consistent is.

[appellant] betoogt tevergeefs dat uit de overgelegde informatie over het huwelijksrecht in Egypte volgt dat zijn eerste huwelijk met [partner B] nietig is. Zoals de rechtbank immers terecht heeft overwogen, heeft hij die stelling niet met objectief verifieerbare gegevens gestaafd. [appellant] heeft weliswaar de overeenkomst van 30 maart 2001 overgelegd, maar de rechtbank heeft daaraan terecht niet de door [appellant] voorgestane betekenis toegekend, nu [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het mogelijk is dat hij en [partner B] zelf, bij overeenkomst, een kerkelijke akte nietig kunnen verklaren. Zo heeft [appellant] geen wettelijke bepalingen overgelegd waaruit blijkt dat zij daartoe bevoegd zijn. De door [appellant] overgelegde beschikking van de rechtbank in Sohag van 27 juni 2013, waarin die rechtbank de overeenkomst van 30 maart 2001 zou hebben bekrachtigd, kan hem evenmin baten, nu, zoals de staatssecretaris in het besluit van 15 oktober 2014 terecht heeft opgemerkt, uit die beschikking niet blijkt wat de aard is van de bekrachtigde overeenkomst. Daar komt bij dat Bureau Documenten in een verklaring van onderzoek van 10 juni 2014 heeft opgemerkt dat het ten zeerste bevreemdt dat deze beschikking niet is voorzien van een waarmerk van de afgevende instantie.

In de door [appellant] overgelegde huwelijksakte betreffende zijn huwelijk met [partner A] staat dat [appellant] heeft verklaard dat hij niet eerder is gehuwd. Die verklaring is niet afkomstig uit een objectieve bron. Uit de ongehuwdverklaring van het bisdom van de orthodoxe Kopten te [plaats] is af te leiden dat er bij dat bisdom niet eerder een huwelijk is gesloten waarbij [appellant] betrokken was. Dat laat echter onverlet dat hij eerder - bij een ander bisdom of anderszins - zou kunnen zijn getrouwd. Met deze stukken heeft [appellant] dus niet succesvol bestreden dat hij op 13 februari 2001 met [partner B] is getrouwd, zoals in het verificatierapport wordt gesteld. Zoals hiervoor is overwogen, is in het verificatierapport met het benoemen van de veronderstelde manipulatie van de eerste huwelijksakte slechts een mogelijke verklaring gegeven voor het bestaan van twee registraties van huwelijken tussen [appellant] en [partner B]. Reeds hierom heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het antwoord op de vraag of die manipulatie daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, niet relevant is voor de beslechting van dit geschil.

In hoger beroep heeft de staatssecretaris een ontbrekende bijlage bij het verificatierapport, te weten een kopie van de akte betreffende het eerste huwelijk tussen [appellant] en [partner B], overgelegd. [appellant] betoogt dat deze akte geen betrekking heeft op hem, nu zijn naam en die van zijn moeder onjuist zijn gespeld en hij, anders dan in deze akte is vermeld, niet op 16 december 1965 te Sohag, maar op [..-..-….] te [plaats] is geboren. Ter zitting van de Afdeling heeft de staatssecretaris dit betoog deugdelijk gemotiveerd weersproken. Daarbij heeft hij er terecht op gewezen dat, zoals ook in het verificatierapport is toegelicht, de in deze akte vermelde data en namen van [appellant] en zijn familieleden nagenoeg overeenkomen met de data en namen in de overige onderzochte documenten. Hierbij is van belang dat, zoals het verificatierapport vermeldt, de Arabische schrijfwijze van de in deze akte vermelde naam '[naam}' nagenoeg hetzelfde is als die van de naam '[appellant]'. Voorts heeft de staatssecretaris, door te verwijzen naar de geboorteakte betreffende de zoon van [appellant], waaruit volgens hem volgt dat de plaats [plaats] onder de stad of regio Sohag valt, een verklaring gegeven voor de in de akte vermelde, afwijkende geboorteplaats van [appellant].

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de staatssecretaris terecht is uitgegaan van de juistheid van het verificatierapport en dat hij zich op basis daarvan en van het huwelijk tussen [appellant] en [partner A] terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] ten tijde van zijn naturalisatieverzoek bigaam was gehuwd. Het betoog faalt.

4. Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij ten tijde van zijn naturalisatieverzoek niet met [partner B] was getrouwd, maar een buitenechtelijke relatie met haar had, faalt dit betoog, gelet op hetgeen hiervoor onder 3.2 is overwogen.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, griffier.

w.g. Sevenster w.g. Oei

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2016

670.