Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2542

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-09-2016
Datum publicatie
28-09-2016
Zaaknummer
201508899/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 mei 2015 heeft de staatssecretaris het verzoek van SIO om een scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs (mavo, havo en vwo) te Den Haag op islamitische en hindoeïstische grondslag voor bekostiging in aanmerking te brengen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2016/1904
AB 2017/79 met annotatie van S. Philipsen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Bij deze uitspraak is een persbericht uitgebracht.

201508899/1/A2.

Datum uitspraak: 28 september 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Islamitisch Onderwijs Amsterdam en omstreken (hierna ook: SIO), gevestigd te Amsterdam,

appellante,

en

de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2015 heeft de staatssecretaris het verzoek van SIO om een scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs (mavo, havo en vwo) te Den Haag op islamitische en hindoeïstische grondslag voor bekostiging in aanmerking te brengen, afgewezen.

Bij besluit van 28 oktober 2015 heeft de staatssecretaris het door SIO hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft SIO beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

SIO heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak, gevoegd met zaak nr. 201508900/1/A2, ter zitting behandeld op 27 juni 2016, waar SIO, vertegenwoordigd door mr. J.W.C. van Kleef, adviseur, vergezeld van [bestuurder van SIO], en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.Y. van Hattum, vergezeld van E. Luinge, beiden werkzaam bij de Dienst Uitvoering Onderwijs van het ministerie, zijn verschenen.

Na de zitting heeft de Afdeling de zaken weer gesplitst.

Overwegingen

1. SIO heeft op 31 oktober 2014 de staatssecretaris verzocht een scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs (mavo, havo en vwo) met ingang van 1 augustus 2016 voor bekostiging in aanmerking te brengen.

In het besluit van 28 mei 2015 heeft de staatssecretaris aan de afwijzing van het verzoek ten grondslag gelegd dat de hindoeïstische richting niet bij het verzoek om bekostiging in aanmerking wordt genomen, omdat de SIO, gelet op artikel 21 van de Wet op het voortgezet onderwijs (hierna: de WVO) alsmede de hierover door de Afdeling gevormde jurisprudentie, in haar statuten niet ondubbelzinnig tot uitdrukking heeft gebracht van welke richting, naast de islamitische richting, het onderwijs uitgaat. Gelet hierop heeft de staatssecretaris de berekening van het leerlingenpotentieel uitsluitend op het belangstellingspercentage voor de richting islamitisch onderwijs gebaseerd. Uitgaande van alleen die richting wordt voor geen van de gevraagde schoolsoorten aan de stichtingsnormen voldaan. In het besluit van 28 oktober 2015 heeft de staatssecretaris hieraan toegevoegd dat op grond van de tijdens de bezwaarprocedure overgelegde, gewijzigde, statuten van SIO van 24 juli 2015 de hindoeïstische richting evenmin bij het verzoek om bekostiging in aanmerking wordt genomen, omdat in de naam van SIO niet tot uitdrukking komt dat zij ook scholen van een andere richting dan de islamitische wil beheren en uit de artikelen 4 en 5 van haar statuten volgt dat de bestuursleden van SIO belijdend moslim moeten zijn, aldus de staatssecretaris.

Wettelijk kader

2. Ingevolge artikel 21, tweede lid, van de WVO brengt het bevoegd gezag in het maatschappelijk verkeer ondubbelzinnig tot uitdrukking:

a. welk bij of krachtens deze wet geregeld, uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs de leerlingen volgen en aankomende leerlingen kunnen gaan volgen,

b. van welke richting dit onderwijs uitgaat, en

c. […].

Ingevolge artikel 65, eerste lid, brengt de minister voor bekostiging in aanmerking een school waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze, gelet op de belangstelling voor de desbetreffende schoolsoort, de verlangde richting en het leerlingenverloop, blijkens statistische gegevens, onder meer verstrekt door het Centraal Bureau voor de Statistiek, zal worden bezocht door ten minste:

a. 390 leerlingen, wat een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs betreft;

b. 325 leerlingen, wat een school en 130 leerlingen, wat een afdeling voor hoger algemeen voortgezet onderwijs betreft;

c. 260 leerlingen, wat een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs betreft;

[…]

e. 120 leerlingen, wat een school voor praktijkonderwijs betreft.

Ingevolge het tweede lid wordt een scholengemeenschap die twee of meer van de in het eerste lid genoemde scholen omvat, in ieder geval voor bekostiging in aanmerking gebracht indien op dezelfde manier als volgens het eerste lid kan worden aangetoond, dat het aantal leerlingen van elk van de samenstellende scholen ten minste drie kwart zal bedragen van het daarvoor in het eerste lid genoemde aantal.

Ingevolge artikel 66, eerste lid, kan het bevoegd gezag bij de minister een aanvraag indienen om een school of scholengemeenschap voor bekostiging in aanmerking te brengen. De aanvraag wordt ingediend voor 1 november.

Ingevolge het tweede lid vermeldt elke aanvraag de schoolsoorten, de verlangde richting en de plaats van vestiging van de school of scholengemeenschap en gaat deze vergezeld van een prognose over de te verwachten omvang.

Beroepsgronden

3. SIO betoogt dat de staatssecretaris niet heeft onderkend dat de hindoeïstische richting bij haar verzoek tot bekostiging in aanmerking had moeten worden genomen. Bij zijn beoordeling van de richting waarvan het onderwijs uitgaat heeft de staatssecretaris ten onrechte betrokken dat islamitisch onderwijs onderdeel is van de naam van SIO en in de statuten is bepaald dat de bestuursleden belijdend moslim moeten zijn. Zij wijst daarbij op het geval van de Stichting Tjalling Koopmans College en op haar gewijzigde statuten van 4 januari 2016.

Beoordeling van het beroep

3.1. De in de beroepsfase bij de Afdeling door SIO overgelegde statuten van 4 januari 2016 dateren van na het besluit van 28 oktober 2015. De toetsing van het in beroep bestreden besluit wordt verricht aan de hand van de feiten zoals die zich voordeden en het recht dat gold ten tijde van het nemen van dit besluit. Reeds hierom kunnen de statuten van 4 januari 2016 niet worden betrokken bij het thans voorliggende geschil. Bij de hiernavolgende beoordeling betrekt de Afdeling uitsluitend de statuten van 24 juli 2015.

3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer bij uitspraak van 12 juli 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AY3706, zijn voor de beantwoording van de vraag naar de richting van een bijzondere school in de eerste plaats de statuten van de aanvragende stichting of vereniging en de eventuele toelichting daarop van belang. In de tweede plaats is van belang dat de geestelijke stroming, die aan het op de school te geven onderwijs ten grondslag wordt gelegd, ook op andere terreinen van het maatschappelijke leven doorwerkt en zich als zodanig openbaart in een binnen Nederland waarneembare beweging of stroming.

3.3. Niet in geschil is dat onder "richting" in de artikelen 65 en 66 van de WVO mede "richtingen" moeten worden begrepen en dat bij de aanvraag om bekostiging van een nieuw te stichten school van meer richtingen de potentiëlen van deze richtingen mogen worden opgeteld om aan de stichtingsnorm te voldoen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 21 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:872).

Evenmin is in geschil dat, voor de beoordeling of wordt voldaan aan de wettelijk voorgeschreven stichtingsnormen, SIO niet voldoet aan het netto leerlingenpotentieel voor een scholengemeenschap op uitsluitend islamitische grondslag.

3.4. In artikel 1 van de statuten is de naam van de Stichting Islamitisch Onderwijs Amsterdam en omstreken vastgelegd. Volgens de doelstelling van SIO, zoals die is opgenomen in artikel 2, stelt zij zich tot doel: "het scheppen van mogelijkheden tot onderwijs (basis-, voortgezet-, mbo-, en hbo-onderwijs) op Islamitische grondslag en/of op Protestants-Christelijke grondslag en/of op Rooms-Katholieke grondslag, en/of op algemeen-bijzondere grondslag, en/of op interconfessionele grondslag, en/of op Hindoeïstische grondslag, of een samenwerking van voornoemde grondslagen, en voorts al hetgeen [met een] en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin des woords". In artikel 4, onder a, is vermeld dat bestuursleden van SIO belijdend moslim volgens de Qur’an en de Sunnah moeten zijn. In artikel 5, onder b, bepaald dat een bestuurslid kan worden ontslagen op grond van het feit dat hij in strijd met de Qur’an en de Sunnah heeft gehandeld.

3.5. Het uit de artikelen 4 en 5 van de staturen volgende vereiste waaraan een bestuurslid moet voldoen is in tegenspraak met de in artikel 2 van de statuten opgenomen doelstelling, dat SIO, naast onderwijs op islamitische grondslag, ook onderwijs op grondslag van andere richtingen, waaronder de hindoeïstische, wil aanbieden. De staatssecretaris heeft bij zijn beoordeling van het verzoek om bekostiging terecht de statuten in hun geheel beoordeeld. Het standpunt van SIO, dat de staatssecretaris bij die beoordeling uitsluitend acht mag slaan op de in de statuten vermelde doelstelling, volgt de Afdeling niet.

3.6. Het op artikel 23 van de Grondwet gebaseerde Nederlandse onderwijsstelsel is, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, gebonden aan richtingen. Gelet hierop moet in het maatschappelijk verkeer ondubbelzinnig blijken van welke richting(en) het onderwijs van de te stichten school uitgaat. De naam van de school kan daarbij van belang zijn.

Mede door haar naam afficheert SIO zich als een school die uitsluitend uitgaat van de islamitische richting, terwijl het verzoek om bekostiging ziet op onderwijs uitgaande van de islamitische en hindoeïstische richtingen. De staatssecretaris heeft daarom terecht, onder verwijzing naar artikel 21, tweede lid, aanhef en onder b, van de WVO, het standpunt ingenomen dat in de naam van SIO niet tot uitdrukking komt dat zij tevens onderwijs, uitgaande van een andere richting dan de islamitische, wil aanbieden.

3.7. Over de door SIO gemaakte vergelijking van haar geval met dat van de Stichting Tjalling Koopmans College overweegt de Afdeling dat, anders dan SIO, Tjalling Koopmans niet een van de erkende richtingen in haar naam heeft opgenomen. Verder schrijven de door SIO in geding gebrachte statuten van Tjalling Koopmans, anders dan de statuten van SIO, niet voor dat bestuursleden een bepaalde levensovertuiging dienen te belijden. In de statuten van Tjalling Koopmans is vermeld dat bestuursleden het doel en de grondslag van de stichting moeten onderschrijven. Het geval van SIO is derhalve niet gelijk te stellen met dat van Tjalling Koopmans.

Slotsom

4. Het betoog van SIO faalt. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat SIO in haar statuten niet ondubbelzinnig tot uitdrukking heeft gebracht van welke richting het onderwijs uitgaat. De hindoeïstische richting is op goede gronden niet betrokken bij de beoordeling van het verzoek. Gelet hierop heeft de staatssecretaris, voor de beoordeling of wordt voldaan aan de wettelijk voorgeschreven stichtingsnormen, terecht uitsluitend het netto leerlingenpotentieel voor een islamitische scholengemeenschap in aanmerking genomen.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.M.A. Koster, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Koster

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 september 2016

710.