Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:251

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-02-2016
Datum publicatie
03-02-2016
Zaaknummer
201409493/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 september 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Camping International" vastgesteld en besloten geen exploitatieplan vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2016/7456
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201409493/1/R2.

Datum uitspraak: 3 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Nieuwvliet, gemeente Sluis,

2. [appellant sub 2], wonend te Nieuwvliet, gemeente Sluis,

3. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], beiden wonend te [land],

en

de raad van de gemeente Sluis,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Camping International" vastgesteld en besloten geen exploitatieplan vast te stellen.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] beroep ingesteld.

[appellant sub 2] en de vennootschap onder firma VOF Camping International hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 september 2015, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2], bijgestaan door mr. K.M. Moeliker, advocaat te Middelburg, en ing. M.O. van Lienden, [appellant sub 3A], en de raad, vertegenwoordigd door R. Louwes, gemachtigde, en G. Naeije, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting Camping Internationaal, vertegenwoordigd door [eigenaren/exploitanten], bijgestaan door R.E.S.S. Vliex, gehoord.

Overwegingen

Het plan

1. Het plangebied grenst aan de noordelijke rand van Nieuwvliet in de gemeente Sluis aan de kust van West Zeeuws Vlaanderen.

Het plan maakt de herinrichting en uitbreiding van Camping International (hierna: de camping) mogelijk. De camping is gevestigd aan de Sint Bavodijk 2D te Nieuwvliet in de gemeente Sluis. Het plangebied omvat de gronden van de camping bestaande uit het huidige terrein, de aangrenzende boomgaard en het voormalige recreatieterrein Pierewiet met minicamping. De bestaande camping omvat 6 ha. Het in het plan voorziene, uitgebreide terrein van de camping omvat 7,6 ha. In de plantoelichting is aangegeven dat op het recreatieterrein Pierewiet 15 standplaatsen in de vorm van een minicamping zijn toegestaan. De huidige planologische maximale capaciteit van het gehele terrein inclusief het recreatieterrein Pierewiet bedraagt 267 verblijfsrecreatieve eenheden. Deze eenheden bestaan uit kampeermiddelen, stacaravans en recreatiewoningen. Het bestaande aantal van 267 standplaatsen blijft gehandhaafd, aldus de plantoelichting. De eigenaar van de camping wil een aantal kwaliteitsverbeteringen op het kampeerterrein doorvoeren. Daarvoor is bij eenzelfde aantal verblijfsrecreatieve eenheden een uitbreiding van de camping nodig. De verbeteringsplannen hebben onder andere betrekking op het vergroten van de standplaatsen zowel voor jaar- als toeristische plaatsen en een verbetering van het voorzieningenniveau.

Het geschil

2. De beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] zijn gericht tegen de plandelen die uitbreiding van de camping richting hun percelen en woningen mogelijk maakt. Zij vrezen dat zij ernstige hinder zullen gaan ondervinden van de camping omdat die door de uitbreiding op korte afstand van hun percelen en woningen zal komen te liggen.

Toetsingskader

3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Bestuurlijke lus

4. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Ontvankelijkheid

5. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Awb van toepassing.

Ingevolge artikel 3.8, derde lid, van de Wro geschiedt de bekendmaking van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan binnen twee weken na de vaststelling. Burgemeester en wethouders plaatsen de kennisgeving van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan tevens in de Staatscourant en voorts geschiedt deze langs elektronische weg. Gelijktijdig verzenden zij de kennisgeving, bedoeld in de vorige volzin, langs elektronische weg aan de diensten en bestuursorganen bedoeld in het eerste lid, onder b, en stellen zij het besluit met de hierbij behorende stukken langs elektronische weg beschikbaar. In afwijking van artikel 3:1, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zijn op een besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan de artikelen 3:40, 3:42, 3:43, 3:44 en 3:45 en afdeling 3.7 van die wet van toepassing.

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, vierde lid, van de Awb vangt de termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen een besluit dat is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 aan met ingang van de dag na die waarop het besluit overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, onderdeel a, ter inzage is gelegd.

Ingevolge artikel 3:42, tweede lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten van een niet tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door kennisgeving van het besluit of van de zakelijke inhoud ervan in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Elektronische bekendmaking vindt uitsluitend plaats in een van overheidswege uitgegeven blad, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.

Ingevolge artikel 3:43, eerste lid, van de Awb wordt tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van het besluit mededeling gedaan aan degenen die bij de voorbereiding ervan hun zienswijze naar voren hebben gebracht.

Ingevolge artikel 3:44, eerste lid, van de Awb geschiedt indien bij de voorbereiding van het besluit toepassing is gegeven aan afdeling 3.4, de mededeling, bedoeld in artikel 3:43, eerste lid:

a. met overeenkomstige toepassing van de artikelen 3:11 en 3:12, eerste of tweede lid, en derde lid, onderdeel a, met dien verstande dat de stukken ter inzage liggen totdat de beroepstermijn is verstreken, en

b. door toezending van een exemplaar van het besluit aan degenen die over het ontwerp van het besluit zienswijzen naar voren hebben gebracht.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

6. De terinzagelegging heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2015. De beroepstermijn is derhalve aangevangen op 17 oktober 2014 en geëindigd op 27 november 2014. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] hebben het beroepschrift eerst 23 januari 2015, ingekomen op 28 januari 2015 bij de Afdeling, en derhalve buiten de beroepstermijn ingediend.

6.1. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] stellen dat de overschrijding van de beroepstermijn verschoonbaar is omdat het besluit tot vaststelling van het plan op ondeugdelijke wijze is bekendgemaakt zodat zij door de publicatie in de Staatscourant en kennisgeving van de gemeente Sluis niet op de hoogte konden zijn van het besluit.

6.2. De raad heeft ter zitting betoogd dat aan alle personen die tegen het ontwerp-plan hun zienswijze naar voren hebben gebracht, waaronder [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], een mededeling is gedaan als bedoeld in artikel 3:44, eerste lid, van de Awb zodat zij op tijd op de hoogte konden zijn van de vaststelling.

6.3. De Afdeling stelt vast dat in de bekendmaking van het besluit tot vaststelling van het plan in de Staatscourant van 15 oktober 2014, nr. 29151, en in de openbare kennisgeving van de gemeente Sluis van week 42 van 2014 het besluit is vermeld onder de titel ‘Kleine kernen Sluis’ in plaats van ‘Camping International’. In de resterende tekst van de bekendmaking wordt wel het juiste plan vermeld. Daarvan uitgaande kan [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], naar het oordeel van de Afdeling, niet worden tegengeworpen dat zij in verzuim zijn geweest doordat zij, afgaande op de tekst van de titel van de openbare kennisgeving, geen verdere aandacht hebben besteed aan de overige tekst van deze kennisgeving. Daaruit volgt dat zij daardoor niet tijdig op de hoogte zijn geraakt van de vaststelling en ter inzage legging van het onderhavige bestemmingsplan. Het standpunt van de raad dat de termijnoverschrijding desondanks niet verschoonbaar is omdat een mededeling is uitgegaan als bedoeld in artikel 3:44, eerste lid, van de Awb volgt de Afdeling niet omdat [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] ter zitting hebben verklaard die mededeling niet te hebben ontvangen en de raad ter zitting heeft erkend dat de mededeling niet is gestuurd naar het adres dat [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] in hun zienswijzen als correspondentieadres hebben opgenomen.

6.4. Nadat [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] medio januari 2015 van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] hebben vernomen dat raad het plan in september 2014 had vastgesteld hebben zij zo spoedig als redelijkerwijs van hen kon worden verlangd beroep ingesteld.

6.5. Onder deze omstandigheden kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] in verzuim zijn geweest en is hun beroep ontvankelijk.

Publicatie

7. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] betogen dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt omdat het op onjuiste en ondeugdelijke wijze is bekendgemaakt vanwege het vermelden van een onjuist plan in de titel. Volgens hen is niet uitgesloten dat derden hierdoor geen beroep hebben kunnen instellen.

7.1. De beroepsgrond heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan dan ook geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit. Het betoog faalt.

Inspreken

8. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] betogen dat zij ten onrechte niet hebben kunnen inspreken in de vergadering van de Commissie Ruimte van de gemeente Sluis van 10 september 2014, omdat zij hierover pas bij brief van 3 september 2014 zijn ingelicht. Tevens hebben zij de op 9 september 2014 laten weten dat ze niet in de gelegenheid waren om op 10 september op de vergadering te verschijnen.

8.1. In de Verordening op de raadscommissies 2010 van de gemeente Sluis zijn regels opgenomen omtrent het houden van een commissievergadering. In artikel 14, eerste lid, van deze verordening is bepaald dat een commissievergadering tegelijkertijd door aankondiging in de gemeentelijke informatierubriek in een door het college aan te wijzen regionaal blad en door plaatsing op de gemeentelijke website ter openbare kennis wordt gebracht. De raad heeft toegelicht dat rond het tijdstip van een aankondiging als hiervoor bedoeld van de commissievergadering van 10 september 2014 ook de persoonlijke kennisgevingen zijn uitgegaan. De verordening noopte niet tot een eerdere persoonlijke kennisgeving, noch tot uitstel van de commissievergadering nadat eerst daags voor de vergadering [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben laten weten dat zij niet konden verschijnen. Tevens acht de Afdeling de in acht genomen termijn van ongeveer een week niet in strijd met de zorgvuldigheid. De betogen falen.

Nut en noodzaak

9. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] betogen dat niet is aangetoond dat er noodzaak is om tot uitbreiding van de camping te komen, omdat de camping al vele jaren winstgevend is met de huidige omvang en bezetting. Tevens heeft de raad hier ten onrechte geen onderzoek naar gedaan. In dat verband verwijzen zij naar een uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2002.

9.1. Uit de stukken is gebleken dat de eigenaar van de camping een aantal kwaliteitsverbeteringen op het kampeerterrein wil doorvoeren en dat daarvoor bij eenzelfde aantal standplaatsen een uitbreiding van de camping nodig is. De verbeteringsplannen hebben onder andere betrekking op het bewerkstelligen van een sterker accent op de toeristische markt, het vergroten van de standplaatsen zowel voor jaar- als toeristische plaatsen en een verbetering van het voorzieningenniveau. De campingeigenaar heeft toegelicht dat uit analyses blijkt dat voortdurende vernieuwing en het periodiek toevoegen van nieuwe elementen aan het aanbod een vereiste is voor het aantrekkelijk blijven van een recreatiebedrijf, ook gelet op de concurrentie in deze sector in Zeeland. Daarbij dient volgens de verrichte analyses vooral ingespeeld te worden op de vraag naar grotere en luxere standplaatsen. In het ruimtelijk beleid van zowel de provincie als de gemeente wordt de noodzaak van kwaliteitsverbetering van de recreatieve sector ook benadrukt. Het betreft een van de speerpunten van het beleid.

9.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad op de hiervoor genoemde gronden gewicht kunnen toekennen aan het belang bij uitbreiding van de camping. De uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2002, in zaak nr. 200104699/1 noopt niet tot een ander oordeel, omdat de in die zaak aan de orde zijnde situatie verschilt van de situatie die thans aan de orde is. Immers in die zaak lag een besluit ter toetsing voor waarin het college van gedeputeerde staten opnieuw over de goedkeuring van een plan had beslist, nadat de Afdeling een eerder genomen goedkeuringsbesluit had vernietigd omdat het college van gedeputeerde staten ten onrechte niet zelf een onderzoek naar de financiële haalbaarheid had laten verrichten. Dit is in de onderhavige zaak niet aan de orde. De betogen falen.

Standplaatsen/kampeermiddelen

10. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] betogen dat de 15 standplaatsen die deel uitmaken van de minicamping behorende bij Pierewiet ten onrechte bij het aantal standplaatsen in aanmerking is genomen en dat het plan ten onrechte voorziet in een uitbreiding met 15 standplaatsen. Zij betogen voorts dat het plan rechtsonzeker is waar het betreft het toegestane aantal verblijfsrecreatieve eenheden, dit mede omdat het plan voorziet in de mogelijkheid van het plaatsen van een onbekend aantal bijzettenten.

10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de huidige planologische maximale capaciteit van het gehele terrein inclusief de 15 standplaatsen op Pierewiet, 267 verblijfsrecreatieve eenheden bedraagt. Deze eenheden bestaan uit kampeermiddelen, stacaravans en recreatiewoningen. Het bestaande aantal blijft in de gewijzigde vaststelling gehandhaafd, aldus de raad.

10.2. Ingevolge artikel 1, lid 1.17, van de planregels dient onder een bouwwerk ten behoeve van een recreatief nachtverblijf te worden verstaan een verblijf niet zijnde een recreatiewoning, dat bedoeld is om uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar te worden bewoond.

Ingevolge artikel 1, lid 1.22, van de planregels dienen onder kampeermiddel te worden verstaan niet als een bouwvergunningplichtig bouwwerk aan te merken vouwwagens, kampeerauto's, caravans of hiermee gelijk te stellen onderkomens, die bestemd zijn voor recreatief nachtverblijf en waarbij de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben.

Ingevolge artikel 1, lid 1.26, van de planregels dient onder een recreatiewoning te worden verstaan een permanent ter plaatse aanwezig gebouw, geen woonkeet en geen caravan of andere constructie op wielen zijnde, dat bedoeld is om uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar te worden gebruikt.

Ingevolge artikel 1, lid 1.27 dient onder standplaats kampeermiddel te worden verstaan het gedeelte van een kampeerterrein aangewezen voor recreatief nachtverblijf in één of meerdere kampeermiddelen, inclusief bij dat kampeermiddel behorende onderkomens, zoals bijzettenten.

Ingevolge artikel 1, lid 1.28 dient onder stacaravan te worden verstaan een gebouw dat in zijn geheel kan worden verplaatst en is bestemd voor recreatief verblijf, waarbij de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, van de planregels zijn de voor "Recreatie-Verblijfsrecreatie" aangewezen gronden bestemd voor:

a. verblijfsrecreatie in bouwwerken ten behoeve van recreatief nachtverblijf; b. verblijfsrecreatie in recreatiewoningen uitsluitend met een centrale bedrijfsmatige exploitatie;

c. ter plaatse van de aanduiding "specifieke aanduiding recreatie - 1": tevens bedrijfswoningen en horeca tot ten hoogste categorie 1b van de Staat van Horeca-activiteiten;

d. ter plaatse van de aanduiding "specifieke aanduiding recreatie - 2": uitsluitend verblijfsrecreatie in kampeermiddelen, stacaravans, dierenweide, visvijver en een speelterrein/tuin;

e. ter plaatse van de aanduiding "specifieke aanduiding recreatie - 3": uitsluitend verblijfsrecreatie in kampeermiddelen, stacaravans, dierenweide, visvijver en een speelterrein/tuin;

f. dienstverlening, beheer en onderhoud ten behoeve van de verblijfsrecreatie op hetzelfde terrein;

g. bij deze functies behorende voorzieningen zoals sport- en spelvoorzieningen, ontsluitingswegen, parkeervoorzieningen, groen en water, waterberging en overige voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding.

Ingevolge artikel 5, lid 5.2.1. gelden voor het bouwen op de voor "Recreatie-Verblijfsrecreatie" bestemde gronden de volgende regels:

a. op deze gronden mogen worden gebouwd:

1. ten hoogste twee bedrijfswoningen;

2. bedrijfsgebouwen, zoals kantoor- en personeelsruimten, recreatieruimten, sanitair gebouwen voor gezamenlijk gebruik;

3. bouwwerken ten behoeve van recreatief nachtverblijf;

4. ten hoogste 4 recreatiewoningen;

5. aan- of uitbouwen, bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

b. per standplaats kampeermiddel is ten hoogste één bijgebouw toegestaan.

Ingevolge artikel 5, lid 5.3, aanhef en onder a, van de planregels geldt met betrekking tot het gebruik dat bedrijfswoningen tevens mogen worden gebruikt als recreatiewoning of voor permanente bewoning.

Ingevolge artikel 5, lid 5.3, aanhef en onder c, van de planregels geldt met betrekking tot het gebruik dat het hebben van meer dan 267 standplaatsen niet is toegestaan.

10.3. Uit de stukken blijkt dat in 2008 recreatieterrein Pierewiet met speeltuin, een kinderboerderij, een minicamping en lichte horeca is toegevoegd aan de camping. Bij Pierewiet waren 15 standplaatsen in de vorm van een minicamping toegestaan. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad het aantal standplaatsen op recreatieterrein Pierewiet, dat sinds 2008 deel uitmaakt van de camping, terecht bij het bestaande aantal standplaatsen in aanmerking genomen.

10.4. Uit hetgeen in de plantoelichting - in paragrafen 2.1, 2.2, 3.4, 6.3 en hoofdstuk 8 met betrekking tot het begrip recreatieve eenheid in de bestaande en toekomstige situatie, de bestemming "Recreatie-Verblijfsrecreatie" en de gewijzigde vaststelling van artikel 5, lid 5.3, onder c, van de planregels in samenhang bezien - wordt overwogen en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de raad heeft beoogd te voorzien in maximaal 267 verblijfrecreatieve eenheden, bestaande uit kampeermiddelen, stacaravans en recreatiewoningen, op de camping.

10.5. De Afdeling neemt aan dat het aantal van 267 standplaatsen als genoemd in artikel 5, lid 5.3, aanhef en onder c, gelet ook op de omschrijving van het begrip standplaats kampeermiddel, als opgenomen in artikel 1, lid 1.27, aldus moet worden uitgelegd dat het om maximaal 267 standplaatsen voor kampeermiddelen gaat. De Afdeling stelt vast dat aldus in de planregels het aantal stacaravans niet is gelimiteerd en deze bovendien overal ter plaatse van de gronden met de bestemming "Recreatie-Verblijfsrecreatie" mogelijk worden gemaakt. Tevens kunnen op grond van artikel 5, lid 5.2.1., onder a, sub 4, van de planregels naast de 267 standplaatsen voor kampeermiddelen en het ongelimiteerde aantal stacaravans 4 recreatiewoningen op de camping worden gerealiseerd en mogen op grond artikel 5, lid 5.3, aanhef en onder a, van de planregels de toegestane 2 bedrijfswoningen ook als recreatiewoning worden aangewend. Tevens stelt de Afdeling vast dat op een standplaats kampeermiddel - naast een niet gelimiteerd aantal daarbij behorende onderkomens als bijzettenten - ook meerdere kampeermiddelen kunnen worden geplaatst, zodat het aantal kampeermiddelen aldus ook niet is gelimiteerd. Daarbij komt ook dat het (maximale) oppervlak van een standplaats in het plan ook niet is geregeld.

10.6. Het voorgaande betekent dat het plan in strijd met de bedoeling van de raad een substantiële en onbepaalde uitbreiding van het aantal verblijfrecreatieve eenheden en bij kampeermiddelen behorende onderkomens als bijzettenten mogelijk maakt. Gelet hierop is het plan in zoverre niet zorgvuldig en in strijd met de rechtszekerheid tot stand gekomen. De conclusie is dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en artikel 3:2 van de Awb. De betogen slagen.

Provinciaal beleid

11. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] betogen dat in het plan wordt afgeweken van het provinciaal beleid uit het Omgevingsplan Zeeland 2012-2018 van 28 september 2012 (hierna: het Omgevingsplan) omdat Nieuwvliet-Dorp waar de camping ligt niet behoort tot een in het Omgevingsplan aangewezen kustzone dan wel ontwikkelingslocatie waar uitbreiding mogelijk is. Tevens betogen zij dat ingevolge het Omgevingsplan de beoogde uitbreiding en kwaliteitsslag dienen te worden gerealiseerd binnen het bestaande terrein van het kampeerbedrijf door het verminderen van het aantal standplaatsen en niet met uitbreiding van de oppervlakte ten koste van de woonkwaliteit in Nieuwvliet-Dorp.

11.1. De raad stelt dat niet wordt afgeweken van het Omgevingsplan.

11.2. Ten aanzien van het betoog dat het plan in strijd met het Omgevingsplan is vastgesteld, overweegt de Afdeling dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet gebonden is aan provinciaal beleid. Wel dient hij daarmee bij de belangenafweging rekening te houden. De camping ligt in het gebied dat in het Omgevingsplan is aangeduid als Overig Zeeland. Ook voor een dergelijk gebied wordt ingevolge het Omgevingsplan ingezet op kwaliteitsverbetering en productinnovatie van de verblijfsrecreatie en worden (beperkte) uitbreidingsmogelijkheden geboden om deze verbeteringsslag te financieren. In het Omgevingsplan staat dat om minimaal het huidige kwaliteitsniveau te kunnen blijven bieden tegen de hiervoor noodzakelijke tarieven het niet wenselijk is dat het aanbod aan kampeerplaatsen in Zeeland verder toeneemt. De beoogde uitbreiding van de camping is echter niet van kwantitatieve aard, maar uitsluitend van kwalitatieve aard. Reeds daarom bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de belangenafweging onvoldoende rekening heeft gehouden met het Omgevingsplan. De betogen falen.

Gemeentelijk beleid

Gebiedsplan

12. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] betogen dat de uitbreiding van de camping in strijd is met het Gebiedsplan West Zeeuws Vlaanderen Natuurlijk Vitaal van 13 juni 2004 (hierna: het Gebiedsplan) omdat de uitbreiding van de camping een negatieve invloed heeft op de landschappelijke kwaliteit van het gebied en valt buiten het kustgebied. Voorts betwisten zij de onafhankelijkheid van de toetsingscommissie omdat deze commissie wordt gefinancierd door de gebiedscommissie.

12.1. De raad stelt dat het Gebiedsplan dat door de gemeenteraad als eigen beleid wordt gehanteerd niet in de weg staat aan vaststelling van het plan, en dat dit standpunt steun vindt in het positieve advies van de toetsingscommissie.

12.2. In het Gebiedsplan staat dat het als doelstelling heeft te komen tot een algehele kwaliteitsimpuls voor de regio. Voor het recreatieve-toeristische product wordt de impuls gezocht in het maken van een kwaliteitsslag van het bestaande recreatiebedrijf. De kwaliteit wordt verbeterd door de bedrijven landschappelijk beter in te passen, door meer groen rondom de bedrijven aan te brengen, door grotere standplaatsen en moderne centrale basisvoorzieningen aan te leggen en/of door slecht gelegen bedrijven te verplaatsen. Om de kwaliteitsverbetering financieel ook aantrekkelijk te maken voor het recreatiebedrijf wordt planologisch ruimte geboden voor de vergroting en uitbreiding van het aantal staanplaatsen/eenheden. Recreatiebedrijven mogen niet enkel uitbreiden, maar dit moet gepaard gaan met een kwaliteitsslag waaronder het vergroten van de standplaatsen. Tevens worden plannen tot kwaliteitsverbetering van recreatiebedrijven door een toetsingscommissie op deugdelijkheid beoordeeld, aldus het Gebiedsplan.

12.3. Naar het oordeel van de Afdeling biedt het Gebiedsplan ruimte voor uitbreiding van bestaande recreatiebedrijven, mits het daarbij ook gaat om een kwaliteitsverbetering als bijvoorbeeld het vergroten van standplaatsen. Het standpunt van de raad dat gelet op de ligging van de camping en de situering van de voorziene uitbreiding deze niet leidt tot aantasting van landschapskenmerken van de gemeente Sluis is niet gemotiveerd weerlegd. Voorts is de voorziene uitbreiding positief beoordeeld door de toetsingscommissie. De door [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] gestelde omstandigheid dat de toetsingscommissie wordt gefinancierd door de gebiedscommissie, wat daar ook van zij, geeft onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat de raad op grond daarvan niet op het advies van die commissie mocht afgaan. In hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] hebben aangevoerd kan niet worden geoordeeld dat het Gebiedsplan aan de voorziene uitbreiding in de weg staat. De betogen falen.

Structuurvisie

13. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] betogen dat de beoogde uitbreiding zich niet verdraagt met de Structuurvisie Goed leven van 27 oktober 2011 (hierna: de Structuurvisie) omdat de camping niet ligt binnen het concentratiegebied verblijfsrecreatie en niet het belang dient van een groene- en rustige woon- en leefomgeving.

13.1. In de Structuurvisie zijn de hoofdlijnen met betrekking tot de gewenste ontwikkelingen binnen de verblijfsrecreatie opgenomen. De camping ligt ingevolge de Structuurvisie in een gebied dat is aangeduid als kustgebied. Ingevolge de Structuurvisie dient ook in dit gebied te worden gekomen tot versterking van het toeristisch-recreatief product waaronder de uitbreiding van standplaatsen kan worden begrepen. De Structuurvisie staat er niet aan in de weg deze versterking te realiseren door uitbreiding van de camping. Strijd met de Structuurvisie doet zich niet voor. De betogen falen.

Luchtkwaliteit

14. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] betogen dat in het uitgevoerde luchtkwaliteitsonderzoek is uitgegaan van een verouderde regeling en dat had moeten worden getoetst aan de Regeling Beoordeling Luchtkwaliteit 2007, zoals die is gewijzigd in 2012.

14.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de Wet luchtkwaliteit niet aan de beoogde uitbreiding in de weg staat omdat uit onderzoek naar de luchtkwaliteit dat is uitgevoerd door Adviesbureau RBOI Rotterdam/Middelburg (hierna: het luchtkwaliteitsonderzoek) is gebleken dat langs de Mettenijedijk en de Sint Bavodijk wordt voldaan aan de grenswaarden.

14.2. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] hebben niet onderbouwd waarom de raad van een verouderde regeling is uitgegaan en op welke gewijzigde onderdelen zij doelen. Ook ter zitting hebben zij daarover desgevraagd geen duidelijkheid kunnen verschaffen. Onder deze omstandigheden hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] niet onderbouwd waarom het luchtkwaliteitsonderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat de raad zich niet in redelijkheid op de uitkomsten daarvan heeft kunnen baseren. De betogen falen.

Privacy/hoogte bebouwing

15. [appellant sub 2], [appellant sub 1] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] betogen dat de raad heeft miskend dat de hoogte van de in het plangebied mogelijk gemaakte bebouwing op de naastgelegen percelen leidt tot een onevenredige inbreuk op de privacy.

15.1. Ingevolge artikel 5, lid 5.2.3, van de planregels geldt voor de goot- en bouwhoogte:

a. de goothoogte en bouwhoogte van bouwwerken ten behoeve van recreatief nachtverblijf bedraagt ten hoogste 4 m;

b. de goothoogte en bouwhoogte van bijgebouwen op de standplaats bedraagt ten hoogste 3 m;

c. de goothoogte van overige gebouwen bedraagt ten hoogste de met de maatvoeringsaanduiding aangegeven goothoogte;

d. de bouwhoogte van overige gebouwen bedraagt ten hoogste de met de maatvoeringsaanduiding aangegeven bouwhoogte;

e. de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 m;

f. de bouwhoogte van lichtmasten met een neerwaartse uitstraling bedraagt ten hoogste 5 m;

g. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m.

Ingevolge artikel 5, lid 5.2.4, onder a, van de planregels bedraagt de totale oppervlakte van gebouwen en overkappingen als bedoeld in lid 5.2.1. onder a, sub 1 en sub 2 ten hoogste het met de maatvoeringsaanduiding aangegeven bebouwingspercentage.

16. De Afdeling stelt vast dat de afstand tussen de woning van [appellant sub 2] en de gronden met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" ongeveer 24 m bedraagt. De woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] liggen op grotere afstand van de betreffende gronden. Op de betreffende gronden langs de Prinses Wilhelminastraat zijn gelet op de op de verbeelding toegekende maatvoeringsaanduiding als bedoeld in artikel 5, lid 5.2.3, aanhef en onder d, van de planregels gebouwen met een bouwhoogte van maximaal 7 m mogelijk en op de verder gelegen gronden en de gronden langs de Sint Bavodijk gebouwen van maximaal 8 m hoog. Het maximale bebouwingspercentage als bedoeld in artikel 5, lid 5.2.4, aanhef en onder a, bedraagt 10%. De met het plan mogelijk gemaakte bebouwing met een maximum bouwhoogte van 7 m en 8 m kan leiden tot vermindering van privacy en een vermindering van uitzicht. Naar het oordeel van de Afdeling is gelet op de afstanden tot de woningen, de diepte van de tuinen van [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] en het maximale bebouwingsgpercentage deze vermindering van privacy en uitzicht echter niet dusdanig dat de raad daarin aanleiding had moeten zien het plan niet vast te stellen. De betogen falen.

Geluidsoverlast

17. Ten aanzien van de betogen van [appellant sub 2], [appellant sub 1] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] dat de geluidsoverlast ter plaatse van hun woningen en percelen aan de Prinses Wilhelminastraat en de Sint Bavodijk, in geval van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], ten gevolge van het plan onaanvaardbaar toeneemt, overweegt de Afdeling als volgt.

17.1. Ingevolge artikel 5, lid 5.3, van de planregels geldt met betrekking tot het gebruik de volgende regels:

ter plaatse van de 'specifieke aanduiding recreatie - 2' zijn animatie-activiteiten met versterkt geluid, sportvelden, zwembad, restaurant, beheers- en dienstgebouwen en parkeergelegenheid niet toegestaan;

Ingevolge artikel 5, lid 5.3, aanhef en onder f, is ter plaatse van de aanduiding "specifieke aanduiding recreatie - 3" het gebruik van een speelterrein/tuin vanaf de avonduren (na 19.00 uur) niet toegestaan.

17.2. Met betrekking tot het aspect geluid blijkt uit de plantoelichting dat de raad aansluiting heeft gezocht bij de in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van 2009 (hierna: de VNG-brochure) aanbevolen afstanden. De raad stelt zich op het standpunt dat de omgeving van het perceel kan worden aangemerkt als gemengd gebied als bedoeld in de VNG-brochure en dat dat betekent dat in beginsel een aanbevolen afstand van 30 m van toepassing is tussen het kampeerterrein en de uiterste situering van de gevel van de woningen. In de plantoelichting is voorts vermeld dat langs de Prinses Wilhelminastraat en Sint Bavodijk, ter hoogte van de woningen van [appellant sub 2], [appellant sub 1] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] een groenstrook wordt aangelegd. Grenzend aan de groene afscherming is door middel van het toekennen van de aanduidingen "specifieke vorm van recreatie - 2 en 3" aan de zijde van de Sint Bavodijk en "specifieke vorm van recreatie - 2" aan de zijde van de Prinses Wilhelminastraat voorzien in een strook waarin aldus de raad functies die niet maatgevend zijn voor geluidsoverlast, zijn toegestaan. Op grotere afstand zijn door middel van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - 1" activiteiten toegestaan die meer geluidoverlast kunnen veroorzaken. De raad heeft ter zekerstelling dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de omliggende woningen aanwezig kan zijn, naar aanleiding van de zienswijzen akoestisch onderzoek laten verrichten. Daarbij is tevens onderzocht of in de tuinen sprake kan zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat omdat een aantal tuinen grenst aan de beoogde uitbreiding van de camping en de periode van het gebruik van de tuinen samenvalt met het hoogseizoen waarin de camping intensief wordt gebruikt. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Akoestisch onderzoek voor geluidswal van de Camping International" van 12 augustus 2014 uitgevoerd door Vliex Akoestiek en Lawaaibeheersing (hierna: het Akoestisch rapport van Vliex). In het Akoestisch rapport van Vliex is aangegeven dat indien een aarden wal, met een hoogte van 3 m, zoals aangeduid in figuur C, wordt aangelegd er ter plaatse van de gevels van woningen van derden en in de tuinen van deze woningen bij elke ontwikkeling voldaan kan worden aan de richt- en grenswaarden uit de VNG-brochure die gelden voor een gemengd gebied. Een uitzondering hierop vormt de situatie waarbij de gehele boomgaard ook als speelterrein ingericht wordt. In die situatie zal in de avondperiode de grenswaarde voor het maximale geluidniveau met 2 dB ter plaatse van de gevels van twee woningen en met 3 dB in de tuinen van de woningen van derden overschreden worden (Sint Bavodijk). Indien in de avondperiode het gebied dat in figuur D aangeduid is niet als speelterrein opengesteld wordt, dan wordt ook in de avondperiode voldaan aan de grenswaarde voor het maximaal geluidniveau. Ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Groen" is voorzien in een aarden wal van maximaal 3 m die zal worden beplant met groenblijvende beplanting. Tevens is aan het gebied in figuur D de aanduiding "specifieke aanduiding recreatie - 3" toegekend. De raad stelt zich op het standpunt dat hiermee is tegemoet gekomen aan de voorstellen uit het Akoestisch rapport van Vliex om tot een aanvaardbaar geluidniveau te komen en dat daarmee het plan uit het oogpunt van geluid aanvaardbaar is.

17.3. Volgens de VNG-brochure is voor het aspect geluid voor een gemengd gebied een afstand van 30 m aanbevolen tussen een kampeerterrein en woningen.

17.4. De kortste afstand tussen een in het bestemmingsplan voorziene gevel van de woning van [appellant sub 2] en de gronden met de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie" bedraagt ongeveer 24 m. De kortste afstand tussen een gevel van de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] en de betreffende gronden bedraagt ruim 30 m. De percelen van [appellant sub 1] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], waar de raad blijkens het Akoestisch rapport van Vliex ook onderzoek naar heeft laten verrichten, liggen op een afstand van ongeveer 10 m van de gronden met de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie".

18. [appellant sub 2], [appellant sub 1] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] betogen allereerst dat de raad heeft miskend dat het om een rustige woonwijk gaat zodat ook in het Akoestisch rapport van Vliex diende te worden uitgegaan van een afstand van 50 m.

18.1. De VNG-brochure biedt bouwstenen om milieuzonering in concrete situaties uit te werken. In de VNG-brochure zijn de daarin opgenomen bedrijfstypen ingedeeld in milieucategorieën, die samenhangen met een aanbevolen afstand ten opzichte van een milieugevoelige bestemming om hinder zoals geluid uit te sluiten of althans tot een aanvaardbaar niveau te beperken. De afstanden die in de VNG-brochure worden aanbevolen, zijn indicatief en gelden in beginsel tussen de perceelsgrens van een bedrijf en de gevel van een woning die is gelegen in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Indien de omgeving is aan te merken als gemengd gebied, kunnen de richtafstanden volgens de VNG-brochure met één afstandsstap worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Het begrip gemengd gebied wordt in de VNG-brochure omschreven als een gebied met matige tot sterke functiemenging. Daarvan kan sprake zijn wanneer direct naast woningen andere functies voorkomen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarisch en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Een rustige woonwijk is omschreven als een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer.

18.2. De Afdeling stelt vast dat in de nabijheid van het plangebied waar de uitbreiding van de camping is voorzien woningen liggen afgewisseld met enkele agrarische bedrijven, een caravanstalling, een strandexploitatiebedrijf, een verkooppunt voor landbouwmachines, een sportveld en een camping. De Sint Bavodijk die langs het plangebied loopt vormt een doorgaande route richting kustgebied en ontsluit het kustgebied. De Afdeling is van oordeel dat de raad de omgeving van het plangebied aldus heeft kunnen aanmerken als gemengd gebied. De betogen falen.

19. [appellant sub 2], [appellant sub 1] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] betogen dat het Akoestisch rapport van Vliex ten onrechte ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit, omdat dat onderzoek eerst bij de vaststelling van het plan ter inzage is gelegd.

19.1. De raad heeft na het ter inzage leggen van het ontwerp-plan aanleiding gezien nader akoestisch onderzoek te laten verrichten. Het Akoestisch rapport van Vliex kon dan ook niet bij het ontwerp ter inzage worden gelegd. Het rapport heeft bij het vaststellingsbesluit ter inzage gelegen. De betogen falen.

20. [appellant sub 2], [appellant sub 1] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] betogen dat het Akoestisch rapport van Vliex ten onrechte aan het besluit ten grondslag is gelegd omdat dit onderzoek onjuistheden en onjuiste aannames bevat.

Zij betogen dat in de rekenresultaten uit de bijlagen 1 t/m 10 van het Akoestisch rapport van Vliex foute aannames zijn gebruikt voor de toetspunten aan de perceelgrenzen. [appellant sub 1] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] betogen voorts dat voor wat betreft speelboerderij Pierewiet wordt aangenomen dat er per kind een equivalent bronvermogen van 80 dB(A) optreedt, hetgeen onjuist is omdat de situatie te vergelijken is met een schoolplein en moet worden uitgegaan van een equivalent bronvermogen 80-87 dB(A). Daarbij dient ervan te worden uitgegaan dat ieder kind 25% van de tijd roept en schreeuwt en niet 10%. Tevens dient per kind een maximaal bronvermogen van 105 dB(A) in acht te worden genomen. Voorts hebben [appellant sub 2], [appellant sub 1] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] betoogd dat in het geluidsmodel voor Pierewiet ten onrechte een bronhoogte van 2 m is aangehouden en dat dit 8 m moet zijn omdat zich hier een klimtoren bevindt met die hoogte. Ten slotte betogen [appellant sub 2], [appellant sub 1] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] dat er ten onrechte van is uitgegaan dat gedurende de openingstijden maximaal 75 kinderen aanwezig zijn op de speelplaats. Dat aantal ligt veel hoger.

20.1. [appellant sub 2] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt door Akoestisch Adviesbureau Van Lienden te Zoutelande een akoestisch (tegen)onderzoek laten opstellen waarvan op 17 juli 2015 een rapport is opgemaakt (hierna: het Akoestisch rapport van Van Lienden). Bij brief van 17 augustus 2015 heeft Vliex op dit onderzoek gereageerd en op 19 augustus 2015 heeft Vliex een aanvullend akoestisch rapport opgesteld. Tevens heeft de camping(houder) bij brief van 18 augustus 2015 gereageerd op het tegenrapport van 17 juli 2015.

20.2. De Afdeling stelt voorop dat bij de beoordeling van de geluidbelasting dient te worden uitgegaan van hetgeen planologisch mogelijk is. Daarbij dient van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden van de uitgebreide camping te worden uitgegaan.

20.3. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 2], [appellant sub 1] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] dat bij de rekenresultaten uit bijlagen 1 t/m 10 van het Akoestisch rapport van Vliex foutieve aannames zijn gebruikt voor de toetspunten aan de perceelgrenzen, overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft erkend dat de in het Akoestisch rapport van Vliex is uitgegaan van onjuiste toetspunten aan de perceelgrenzen en dat de getrokken conclusies voor wat betreft de geluidsniveaus in de tuinen, waaronder de tuin van [appellant sub 2], niet juist zijn. De raad stelt dat dit opgelost kan worden door de grondwal enkele meters door te trekken. Dit betekent volgens de raad dat bij nader inzien dit abusievelijk niet is gebeurd in het kader van de vaststelling van het plan. De conclusie is dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. De betogen slagen.

20.4. In het Akoestisch rapport van Vliex zijn verschillende invullingen die het plan mogelijk maakt, onderzocht. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat de raad zich op het standpunt stelt dat in het aanvullende akoestisch rapport van Vliex naar aanleiding van de beroepsgronden en het Akoestisch rapport van Lienden is gemotiveerd dat in het Akoestisch rapport van Vliex van 12 augustus 2014, behoudens het hiervoor besproken aspect, van juiste uitgangspunten is uitgegaan en dat de raad van dat rapport kon uitgaan. In het Akoestisch rapport van Vliex is er vanuit gegaan dat continu 75 kinderen tussen 8.00-21.00 uur aanwezig zijn. Blijkens de reactie van de campinghouder van 18 augustus 2015 is dit aantal vastgesteld op basis van kassagegegevens van de in gebruik zijnde speeltuin Pierewiet in combinatie met enkele aannames. Tevens is uit recente gegevens van de campinghouder over het feitelijk gebruik de afgelopen periode gebleken dat de inschattingen aan de ruime kant zijn geweest. In het Akoestisch rapport van Lienden wordt van veel hogere aantallen kinderen uitgegaan. Deze aantallen zijn evenwel niet onderbouwd.

Ten aanzien van de niet nader onderbouwde stelling van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] dat dient te worden uitgegaan van de situatie op een schoolplein heeft Vliex in het aanvullend akoestisch rapport van 19 augustus 2015 gemotiveerd uiteengezet dat de vergelijking met een schoolplein niet opgaat, met name gelet op het verschil in de duur van het verblijf. Tevens heeft Vliex gemotiveerd dat verblijf gedurende een korte periode in de regel leidt tot meer geluid. Vanwege het verblijf van de kinderen in een speeltuin gedurende een langere periode is uitgegaan van een equivalent bronvermogen van 80 dB(A). Het standpunt van [appellant sub 2], [appellant sub 1] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] dat moet worden uitgegaan van een hoger equivalent bronvermogenniveau faalt nu dat is gebaseerd op de vergelijking met een schoolplein.

Ten aanzien van de gehanteerde bronhoogte heeft Vliex in het aanvullende akoestisch rapport van 19 augustus 2015 toegelicht dat de normale bronhoogte 1,2 m bedraagt. Bij de berekening van de geluidsbelasting is in het Akoestisch rapport van Vliex evenwel voor elke positie een bronhoogte van 2 m aangehouden. Gelet hierop is voldoende rekening gehouden met de hoogte van eventuele speeltoestellen. De klimtoren met een hoogte van circa 8 m is op een afstand van circa 50 m van de gevel van de woning van [appellant sub 2] gelegen. Tevens is in het Akoestisch rapport van Vliex aangegeven dat het maximale geluidniveau vanwege geschreeuw in de toren is gemeten en 60 dB(A) in de tuin van de woning bedraagt.

In het Akoestisch rapport van Vliex dat ten grondslag heeft gelegen aan het plan is een bronvermogen van 105 dB(A) gehanteerd voor het maximale geluidniveau vanwege schreeuwende kinderen.

Naar het oordeel van de Afdeling hebben [appellant sub 2], [appellant sub 1] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen niet aannemelijk gemaakt dat in zoverre niet van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden is uitgegaan dan wel dat aan het rapport voor wat betreft de besproken aspecten zodanige gebreken kleven of dat dit zodanige leemten in kennis vertoont dat de raad zich hierop niet mocht baseren. De betogen falen.

Groen

21. Met betrekking tot de beroepsgronden van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] die zich richten tegen het plandeel met de bestemming "Groen" overweegt de Afdeling het volgende.

21.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Groen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. groen;

b. nutsvoorzieningen;

c. ter plaatse van 'specifieke vorm van groen - 1': uitsluitend voor een groenwal;

d. bij deze bestemming behorende voorzieningen.

Ingevolge artikel 3, lid 3.3, van de planregels gelden met betrekking tot het gebruik de volgende regels:

a. de hoogte van beplanting bedraagt binnen een afstand van 100 m vanaf de op het perceel Molenweg 5 aanwezige molen niet meer dan 4 m en daarbuiten niet meer dan 8 m ;

b. ter plaatse van "specifieke vorm van groen - 1" is uitsluitend een grondwal met een hoogte van ten minste 3 m en ten hoogste 3,5 m toegestaan. De hoogte van de beplanting bedraagt ten hoogste 1,5 m ten opzichte van de hiervoor genoemde hoogte van 3,5 m. Ter plaatse van de gronden tussen de genoemde aanduiding en de plangrens, is beplanting toegestaan tot een hoogte van niet meer dan 3,5 m.

21.2. Ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Groen" is volgens de raad voorzien in een aarden wal van maximaal 3,5 m die zal worden beplant met groenblijvende beplanting met een hoogte van maximaal 1,5 m ten opzichte van de hiervoor genoemde 3,5 m. De raad stelt zich op het standpunt dat hiermee is tegemoet gekomen aan de voorstellen uit het Akoestisch rapport van Vliex om tot een aanvaardbaar geluidniveau te komen en dat het overnemen van die voorstellen noodzakelijk is om uit het oogpunt van geluid tot een aanvaardbaar plan te komen.

22. [appellant sub 2] betoogt dat de aarden wal leidt tot onevenredige schaduwwerking en daarom niet mag worden opgericht.

22.1. De afstand tussen de woning van [appellant sub 2] en de gronden met de bestemming "Groen" bedraagt ongeveer 15 m. Gelet op deze afstand, de beoogde hoogte van de aarden wal met beplanting van in totaal maximaal 5 m hoog en de bestaande situatie waar rond de boomgaard al een bomenrij stond, kan naar het oordeel van de Afdeling niet staande worden gehouden dat het realiseren van de huidige voorziene aarden wal met groenblijvende beplanting leidt tot zodanige (extra) schaduwwerking dat het realiseren daarvan leidt tot een onevenredige inbreuk op het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2]. Het betoog faalt.

22.2. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] dat de planregels die betrekking hebben op de bestemming "Groen" in strijd zijn met de rechtszekerheid, overweegt de Afdeling het volgende. In de gebruiksbepaling neergelegd in artikel 3, lid 3.3, onder b, van de planregels is ook gelet op de daarin opgenomen hoogtematen duidelijk verwoord dat een aarden wal van maximaal 3,5 m die zal worden beplant met groenblijvende beplanting met een hoogte van maximaal 1,5 m ten opzichte van de hiervoor genoemde 3,5 m kan worden opgericht, zoals ook beoogd door de raad. De Afdeling acht de planregels in zoverre niet rechtsonzeker. De betogen falen.

22.3. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] hebben betoogd dat de raad heeft miskend dat hun woning door de ligging op een dijk hoger ligt en dat vanuit een oogpunt van privacy de aarden wal met groenblijvende beplanting langs de Sint Bavodijk minimaal 20 m breed en 8 m hoog moet zijn. Voorheen werd hun perceel afgeschermd door hoge bomen maar die zijn inmiddels gekapt.

22.4. Niet is in geschil dat [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] gelet op de ligging van hun woning op een dijk over de thans met het plan beoogde afscheiding van 5 m heenkijken en rechtstreeks zicht hebben op het kampeerterrein met klimtoren en overige bebouwing. De eigenaar van de camping heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen een hogere afscheiding langs de woning dan thans is voorzien in het plan. De raad heeft ter zitting erkend dat gelet op de ligging van de woning van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] zal moeten worden bezien of in de planregels een differentiatie moet worden aangebracht voor de hoogte van de grondwal met groenvoorziening aan de zijde van de Sint Bavodijk waarbij rekening wordt gehouden met de hoogte van de dijk. Dit betekent volgens de raad dat bij nader inzien dit abusievelijk niet is gebeurd in het kader van de vaststelling van het plan. De conclusie is dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. De betogen slagen.

23. Nu de raad zich op het standpunt stelt dat het oprichten van de aarden wal noodzakelijk is om vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening tot een aanvaardbaar geluidniveau te komen en de gronden ter plaatse van de aarden wal in eigendom zijn van de campinghouder heeft de raad, gelijk [appellant sub 2], [appellant sub 1] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] betogen, de plaatsing en instandhouding van bedoelde grondwal met groenblijvende beplanting ten onrechte niet als voorwaardelijke verplichting in het plan opgenomen. Gelet hierop is niet verzekerd dat deze er komt en blijft zodat niet is verzekerd dat sprake is van een aanvaardbaar geluidniveau. De conclusie is dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. De betogen slagen.

Omvang van het perceel met de aanduiding de aanduiding "specifieke aanduiding recreatie - 3"

24. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] betogen dat de functieaanduiding "specifieke aanduiding recreatie - 3" ten onrechte aan een beperkt deel van de gronden binnen het plangebied is toegekend en niet aan de gronden aan de zijde van de Prinses Wilhelminastraat. Daarom is op gronden in de nabijheid van hun woningen en tuinen een speeltuin toegestaan die ook in de avonduren en ‘s nachts mag worden gebruikt.

25. De raad heeft aan het gebied dat in figuur D van het Akoestisch rapport van Vliex is opgenomen de aanduiding "specifieke aanduiding recreatie - 3" toegekend om ook in de avondperiode te voldoen aan de grenswaarden. De raad stelt zich op het standpunt dat hiermee is tegemoet gekomen aan de voorstellen uit het Akoestisch rapport van Vliex om tot een aanvaardbaar geluidniveau te komen en dat het overnemen van die voorstellen noodzakelijk zijn om uit het oogpunt van geluid tot een aanvaardbaar plan te komen. Die noodzaak bestaat niet voor het gebied dat buiten figuur D ligt, aldus de raad.

26. De eigenaar van de camping heeft ter zitting aangegeven dat de speeltuin ’s avonds en ‘s nachts is gesloten.

27. De Afdeling stelt vast dat ingevolge artikel 5.3, aanhef en onder f, van de planregels ter plaatse van de aanduiding "specifieke aanduiding recreatie - 3" het gebruik van een speelterrein/tuin vanaf de avonduren (na 19.00 uur) niet is toegestaan. Weliswaar is niet geregeld wanneer het gebruik mag worden hervat, maar nu niet aannemelijk is dat het speelterrein ’s nacht zal worden gebruikt, en voorts gelet op de door de campinghouder gehanteerde openingstijden, acht de Afdeling het niet opnemen van een openingstijd in de planregels niet in strijd met de rechtszekerheid. Het betoog faalt.

28. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad de aanduiding "specifieke aanduiding recreatie - 3" kunnen beperken tot het gebied dat in figuur D van het Akoestisch rapport van Vliex is opgenomen en overgenomen in het plan omdat zoals de raad ook stelt, dat noodzakelijk is om uit het oogpunt van geluid tot een aanvaardbaar plan te komen. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het betreffende gebied groter moet zijn en dat het Akoestisch rapport van Vliex op dit punt tekortschiet en niet mocht worden gevolgd. De betogen falen.

Verkeer/parkeren

29. [appellant sub 2], [appellant sub 1] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] betogen dat bij de vaststelling van het plan onvoldoende aandacht is besteed aan, respectievelijk onderzoek is gedaan naar de verkeersafwikkeling, mede gelet op het in het plan mogelijk gemaakte gebruik ten behoeve van dagrecreatieve voorzieningen die ook zelfstandig verkeersaantrekkende werking hebben. Zij betogen dat de raad voorts niet heeft onderzocht in hoeverre een veilige verkeersafwikkeling gewaarborgd is en evenmin is onderzocht wat de totale parkeerbehoefte is op basis van het thans vastgestelde plan. Zij betogen dat de gevolgen van het verkeer voor het akoestisch klimaat ten onrechte niet zijn meegenomen.

29.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat door het beoogde plan met maximaal 267 verblijfsrecreatieve eenheden de toename van verkeer zo gering is dat de gevolgen daarvan ook minimaal zullen zijn nu het aantal standplaatsen niet toeneemt en er ter plaatse ook al vergelijkbare dagrecreatie mogelijk is op het terrein van Pierewiet. Overigens maakt het plan ook op meer locaties parkeerplaatsen en ontsluitingswegen mogelijk. De betogen falen.

Alternatieven

30. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] betogen dat de raad onvoldoende heeft gekeken naar de alternatieve mogelijkheden om de camping uit te breiden.

30.1. De raad stelt dat wel is gekeken naar alternatieve mogelijkheden maar dat de nadelen van een alternatieve locatie aan de noordkant niet opwegen tegen de voordelen voor [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] van een andere locatie.

30.2. De raad dient bij de keuze van een bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. De raad heeft dit gedaan en gemotiveerd dat een uitbreiding aan de noordzijde van de camping geen optie is omdat dit financieel niet haalbaar is gebleken. Tevens is het met het oog op een adequate exploitatie van de camping niet wenselijk de uitbreiding aan een overzijde van een weg te situeren. De betogen falen.

Economische uitvoerbaarheid

31. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] betogen dat de economische uitvoerbaarheid van het plan niet vast staat. Zij stellen dat er aanzienlijke planschadeclaims zullen volgen.

31.1. In het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder ook de economische uitvoerbaarheid is begrepen, slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar.

31.2. In de plantoelichting staat dat er geen belemmeringen zijn aangaande de financiële uitvoerbaarheid. Het gaat om een bestemmingsplan waarin een aantal ontwikkelingen in het kader van kwaliteitsverbetering mogelijk wordt gemaakt, die geheel wordt bekostigd door de initiatiefnemer. Er is een anterieure overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente waarin in kostenverhaal is voorzien. Tevens is er een planschaderisicoanalyse opgesteld, aldus de raad.

31.3. Gelet op het voorgaande kan niet worden staande gehouden dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar. De betogen falen.

Zienswijzen

32. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijzen. De Afdeling overweegt dat in de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op de zienswijzen. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijzen in het bestreden besluit verder onjuist dan wel onvolledig zou zijn. De betogen falen.

Besluit om geen exploitatieplan vast te stellen

33. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] betogen dat ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan het verhaal van de kosten van de grondexploitatie op de initiatiefnemers niet was verzekerd, zodat de raad een exploitatieplan had moeten vaststellen.

33.1. Ingevolge artikel 6.12, eerste lid, van de Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, voor zover hier van belang, kan de gemeenteraad, in afwijking van het eerste lid, bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen, indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen het besluit omtrent vaststelling van een exploitatieplan voor gronden, begrepen in een gelijktijdig vastgesteld bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 8.2, vierde lid, van de Wro wordt als belanghebbende bij een besluit als bedoeld in artikel 6.12, eerste en tweede lid, in elk geval aangemerkt degene die een grondexploitatieovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot de in het desbetreffende besluit opgenomen gronden, of die eigenaar is van die gronden.

33.2. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

33.3. Het beroep van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] is gericht tegen het niet vaststellen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, en artikel 6.18 van de Wro. Indien de raad in dit geval een exploitatieplan zou hebben vastgesteld, zouden [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt bij het exploitatieplan. Daartoe is van belang dat [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] geen eigenaar zijn van gronden in het exploitatiegebied en evenmin een grondexploitatieovereenkomst als bedoeld in artikel 8.2, vierde lid, van de Wro hebben gesloten met betrekking tot gronden in het exploitatiegebied. Gelet hierop en nu ook anderszins niet is gebleken van belangen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] die rechtstreeks betrokken zouden zijn bij de vaststelling van een exploitatieplan, kunnen zij evenmin worden aangemerkt als belanghebbenden bij het niet vaststellen van een exploitatieplan.

Bestuurlijke lus

34. De Afdeling ziet in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen de gebreken in het bestreden besluit binnen de hierna te noemen termijn te herstellen.

35. De raad dient met inachtneming van overwegingen 10.5 en 10.6 het plan zodanig aan te passen dat daarin op ondubbelzinnige wijze tot uitdrukking wordt gebracht dat in het plangebied maximaal 267 verblijfsrecreatieve eenheden bestaande uit kampeermiddelen, stacaravans en recreatiewoningen zijn toegestaan.

35.1. De raad dient met inachtneming van overwegingen 10.5 en 10.6 het plan verder zodanig aan te passen dat daarin op ondubbelzinnige wijze tot uitdrukking wordt gebracht het maximale aantal - en/of het maximum oppervlak voor - bijbehorende ondergeschikte onderkomens, zoals bijzettenten, dat per standplaats mag worden geplaatst.

35.2. De raad dient met inachtneming van overweging 20.3 een nader onderzoek in te stellen, waarbij wordt uitgegaan van juiste aannames voor de toetspunten aan de perceelgrenzen, en het plan aan de hand van de uitkomsten van dat nader onderzoek zonodig aan te passen.

35.3. De raad dient met inachtneming van overweging 22.4 te onderzoeken of het gelet op de ligging van de woning van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk is te voorzien in een hogere grondwal en het plan aan de hand van de uitkomsten van dat onderzoek zonodig aan te passen.

35.4. De raad dient met inachtneming van overweging 23 een voorwaardelijke verplichting in het plan op te nemen gericht op het aanleggen en in stand houden van de grondwal met groenblijvende beplanting.

Proceskosten

36. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de raad van de gemeente Sluis op om binnen zesentwintig weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

1. met inachtneming van overweging 35 de daar omschreven gebreken te herstellen en

2. de Afdeling en [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] de uitkomst mede te delen en de wijzigingen van het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, griffier.

w.g. Van Ettekoven w.g. Ouwehand

voorzitter griffier

224.