Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:250

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-02-2016
Datum publicatie
03-02-2016
Zaaknummer
201306680/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Havens" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201306680/2/R4.

Datum uitspraak: 3 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Schiedam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Equipment Rental & Services B.V., gevestigd te Schiedam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellant sub 3], gevestigd te Schiedam,

4. [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 4]), wonend te Schiedam,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Schiedam,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Havens" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [appellant sub 1], Equipment

Rental & Services B.V., [appellant sub 3] en [appellant sub 4] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juli 2014, waar onder meer [appellant sub 1] en [appellant sub 4], beiden bijgestaan door mr. C. Lubben, werkzaam bij SRK rechtsbijstand, Equipment Rental & Services B.V. en [appellant sub 3], beide vertegenwoordigd door mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis, en de raad, vertegenwoordigd door drs. S.J.C. Hovens, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Bij uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak van 18 maart 2015, nr. 201306680/1/R4 (hierna: de eerdere uitspraak), heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 26 weken na verzending van deze uitspraak de daarin omschreven gebreken te herstellen en het gewijzigde of nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.

Deze eerdere uitspraak is aangehecht.

Bij beschikking van 26 augustus 2015 heeft de Afdeling op verzoek van de raad de in de eerdere uitspraak gegeven termijn verlengd.

Bij besluit van 15 september 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Havens" gewijzigd vastgesteld.

[appellant sub 1], [appellant sub 4], Equipment Rental & Services B.V. en [appellant sub 3] hebben gebruik gemaakt van de aan hen geboden gelegenheid om hun zienswijzen naar voren te brengen over de wijze waarop het gebrek is hersteld.

De Afdeling heeft afgezien van het houden van een nadere zitting en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

Gelet op deze bepaling zijn de beroepen van rechtswege mede gericht tegen het besluit van 15 september 2015.

De beroepen van Equipment Rental & Services B.V. en [appellant sub 3]

2. In haar eerdere uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat hetgeen Equipment Rental & Services B.V. en [appellant sub 3] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan dat op 13 juni 2013 is vastgesteld in strijd is met artikel 3:2 van de Awb voor zover het betrekking heeft op hun percelen.

Voorts heeft de Afdeling in die eerdere uitspraak geoordeeld dat hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel voor zover het betreft het deel van de werf aan de Jan van Galenstraat dat niet conform de Nota van beantwoording en het vaststellingsbesluit als "Milieuzone - gezoneerd industrieterrein" op de verbeelding is aangeduid.

Gelet hierop zijn de beroepen gegrond voor zover gericht tegen het besluit van 13 juni 2013 en dient dat besluit in zoverre te worden vernietigd.

3. Equipment Rental & Services B.V. en [appellant sub 3] betogen dat hun bedrijfsactiviteiten volgens het nieuwe plan ten onrechte niet zijn toegestaan. Daartoe voeren zij aan dat op een deel van hun gronden volgens het plan ten hoogste bedrijvigheid uit milieucategorie 4.2 is toegestaan, terwijl hun bedrijvigheid moet worden gerekend tot milieucategorie 5.1 uit de staat van bedrijfsactiviteiten uit de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-handreiking).

3.1. Equipment Rental & Services B.V. en [appellant sub 3] zijn gevestigd op een gezoneerd industrieterrein. Aan hun gronden is in het plan, zoals vastgesteld op 15 september 2015, de bestemming "Bedrijventerrein - Haven" toegekend.

Zoals de Afdeling reeds heeft overwogen in haar eerdere uitspraak, heeft de raad een aangepaste "Staat van milieubelastende activiteiten gezoneerd industrieterrein" in het plan opgenomen waarin het aspect geluid buiten beschouwing is gelaten en waarnaar is verwezen in de regels voor de bestemming "Bedrijventerrein - Haven".

In het gewijzigd vastgestelde plan is deze benadering gehandhaafd. In bijlage 6 bij de plantoelichting is aangegeven tot welke milieucategorie de bedrijvigheid van de op het gezoneerde industrieterrein gevestigde bedrijven moet worden gerekend als het aspect geluid daarbij wordt betrokken. Ook is in die bijlage aangegeven tot welke milieucategorie die bedrijvigheid wordt gerekend als het aspect geluid bij de indeling van bedrijfsactiviteiten in milieucategorieën buiten beschouwing wordt gelaten, zoals in het plan is gebeurd.

Volgens deze bijlage 6 moet de bedrijvigheid van Equipment Rental & Services B.V. en [appellant sub 3] worden gerekend tot milieucategorie 5.1 indien het aspect geluid daarbij wordt betrokken. Dit stemt overeen met de stelling van Equipment Rental & Services B.V. en [appellant sub 3] dat hun bedrijvigheid valt onder milieucategorie 5.1 van de staat van bedrijfsactiviteiten bij de VNG-handreiking.

In het plan wordt, zoals hiervoor reeds uiteengezet, de toegestane bedrijvigheid op het gezoneerde industrieterrein echter niet bepaald aan de hand van deze reguliere staat van bedrijfsactiviteiten, maar aan de hand van de "Staat van milieubelastende activiteiten gezoneerd industrieterrein", waarin het aspect geluid buiten beschouwing is gelaten. Onder welke milieucategorie van de staat van bedrijfsactiviteiten van de VNG-handreiking de bedrijvigheid van Equipment Rental & Services B.V. en [appellant sub 3] valt, is daarom niet van belang om te beoordelen of het plan die bedrijvigheid toelaat.

Volgens bijlage 6 bij de plantoelichting valt de bedrijvigheid van zowel Equipment Rental & Services B.V. als [appellant sub 3] onder milieucategorie 3.2 als het aspect geluid niet wordt betrokken bij de indeling in milieucategorieën. Equipment Rental & Services B.V. en [appellant sub 3] hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is.

Op de gronden van Equipment Rental & Services B.V. en [appellant sub 3] maakt het plan -naar overigens niet in geschil is- onder meer bedrijfsmatige activiteiten mogelijk die een milieubelasting kennen die valt onder categorie 3.2 als bedoeld in de als bijlage 3 bij de planregels opgenomen Staat van milieubelastende activiteiten 'gezoneerd industrieterrein'. Het plan maakt op die gronden zelfs bedrijfsmatige activiteiten uit hogere categorieën als bedoeld in die Staat van milieubelastende activiteiten 'gezoneerd industrieterrein' mogelijk tot ten hoogste categorie 4.2. Het onderscheid vloeit voort uit de gekozen systematiek.

Gelet op het voorgaande faalt het betoog dat het plan de bedrijvigheid van Equipment Rental & Services B.V. en [appellant sub 3] niet langer bij recht toelaat.

4. Voorts betogen Equipment Rental & Services B.V. en [appellant sub 3] dat de raad de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting van de bedrijventerreinen waarop het plan ziet, heeft gebaseerd op de maximale geluidsbelastingen (MTG’s). Equipment Rental & Services B.V. en [appellant sub 3] betwijfelen of het onder deze omstandigheden vanuit een oogpunt van rechtszekerheid aanvaardbaar is dat de MTG’s niet zijn vastgelegd in het plan.

4.1. In haar eerdere uitspraak heeft de Afdeling naar aanleiding van de beroepen van Equipment Rental & Services B.V. en [appellant sub 3] overwogen dat de raad buiten het onderzoek dat verplicht is op grond van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) in het geheel geen inzicht had geboden in de ruimtelijke uitstraling van de op het gezoneerde industrieterrein toegelaten bedrijvigheid wat betreft het aspect geluid voor de omgeving van het industrieterrein. Dit bracht de Afdeling tot de conclusie dat bij de besluitvorming ten onrechte geen belangenafweging had plaatsgevonden ten aanzien van het aspect geluid.

Naar aanleiding van deze uitspraak heeft de raad de geluidsbelasting van het gezoneerde industrieterrein op basis van aanvullend akoestisch onderzoek beoordeeld vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Dit onderzoek is beschreven in paragraaf 4.7.1.4 van de toelichting bij het plan, zoals dat is vastgesteld op 15 september 2015. In deze paragraaf staat onder meer dat op basis van de Wet geluidhinder wordt gereguleerd dat de gecumuleerde geluidsbelasting van alle bedrijven op het gezoneerde industrieterrein de vastgestelde maximale geluidsbelastingen (MTG) niet overschrijdt.

Vervolgens staat in deze paragraaf dat daarnaast een nader akoestisch onderzoek is uitgevoerd om vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening inzicht te bieden in de ruimtelijke uitstraling van de op het gezoneerde industrieterrein toegelaten bedrijvigheid op de omgeving. Over dit onderzoek staat in de plantoelichting onder meer het volgende:

"In het aanvullend akoestisch onderzoek is de geluidsbelasting van de op het gezoneerde industrieterrein gevestigde bedrijven beoordeeld, zowel cumulatief als voor de bedrijven afzonderlijk. De geluidsbelasting is beschouwd uit drie invalshoeken: het zonebeheermodel, de milieucategorie van de huidige bedrijven en de milieucategorie op basis van maximale planologische mogelijkheden. De geluidsbelasting van de bedrijven, uitgaande van de toegelaten milieucategorie, bedraagt maximaal 53,9 dB(A) en is daarmee ruim lager dan de ter plekke toegelaten MTG's. De in het bestemmingsplan toegepaste wijze van zoneren, waarbij het aspect geluid buiten beschouwing wordt gelaten, leidt dan ook niet tot uitbreiding van de akoestische ruimte in vergelijking tot de ruimte die reeds wordt geboden op basis van het zonebeheermodel."

Uit het voorgaande blijkt dat de raad niet heeft beoogd om de maximale geluidsbelasting in het plan op te nemen. De raad heeft op basis van de mogelijkheden die het plan biedt onderzoek uitgevoerd naar de geluidsbelasting die het gezoneerde industrieterrein kan hebben op de omgeving. De raad heeft geconcludeerd dat de berekende geluidsbelasting die daaruit volgt lager ligt dan de MTG en stelt dat hij de berekende geluidsbelasting met het oog op een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar acht. De mogelijkheden die het plan biedt aan Equipment Rental & Services B.V. en [appellant sub 3] volgen uit de regeling bij de bestemming "Bedrijventerrein - Haven". Het aangevoerde geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad vanuit een oogpunt van rechtszekerheid ten onrechte heeft nagelaten om daarnaast de MTG op te nemen in het plan.

5. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen ongegrond voor zover gericht tegen het besluit van 15 september 2015.

6. De raad dient op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten van Equipment Rental & Services B.V. en [appellant sub 3] Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat hun beroepen zijn aan te merken als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 4]

7. In haar eerdere uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 4] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan dat op 13 juni 2013 is vastgesteld in strijd is met artikel 3:2 van de Awb voor zover het betreft artikel 4, lid 4.1, onder i, en lid 4.6 van de planregels, voor zover betrekking hebbend op hun gronden aan de [locaties].

Voorts heeft de Afdeling in die eerdere uitspraak geoordeeld dat hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan dat op 13 juni 2013 is vastgesteld in strijd is met artikel 3:2 van de Awb voor zover het betrekking heeft op de gronden met de bestemming "Bedrijventerrein - Haven".

Gelet hierop zijn de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 4] gegrond voor zover gericht tegen het besluit van 13 juni 2013 en dient dat besluit in zoverre te worden vernietigd.

8. [appellant sub 1] en [appellant sub 4] betogen dat de op het gezoneerde industrieterrein toegelaten bedrijvigheid leidt tot een onaanvaardbare geluidsbelasting op hun bedrijfswoningen aan de Jan Evertsenweg. Zij voeren in dit verband aan dat de berekende maximale geluidsbelasting van 63,7 dB(A) op de bedrijfswoningen niet juist kan zijn, aangezien regelmatig een geluidsbelasting optreedt van 95 dB(A). Bovendien staat in gemeentelijk beleid dat een geluidsbelasting van 55 dB(A) of hoger al gezondheidsklachten kan opleveren, aldus [appellant sub 1] en [appellant sub 4].

8.1. In paragraaf 4.7.1.4 van de plantoelichting staat het volgende over de berekende geluidsbelasting op bedrijfswoningen:

"In aanvulling is de ruimtelijke uitstraling van de bedrijven op de bedrijfswoningen aan de Jan Evertsenweg en het Admiraal Lucashof beoordeeld. De geluidsbelasting op de bedrijfswoningen aan de Jan Evertsenweg bedraagt maximaal 63,7 dB(A) en aan het Admiraal Lucashof 62,2 dB(A). Hoewel ter plekke van de bedrijfswoningen sprake is van een hoge geluidsbelasting is deze niet dusdanig hoog dat gesteld moet worden dat de ruimtelijke uitstraling van de bedrijven niet acceptabel is. Bij bedrijfswoningen mag een grotere mate van invloed door bedrijven verwacht worden dan bij andere woningen. Daarbij zijn de bedrijfswoningen gebouwd op een bestaand gezoneerd industrieterrein en blijven deze ook na vaststelling van het bestemmingsplan gelegen binnen dit gezoneerd industrieterrein. Aanvullend geldt dat, hoewel de Wet geluidhinder niet van toepassing is op bedrijfswoningen op een gezoneerd industrieterrein, ter plekke wel wordt voldaan aan de maximale ontheffingswaarde voor industrielawaai (inclusief de zeehavennorm) van 65 dB(A)."

[appellant sub 1] en [appellant sub 4] hebben hun stelling dat de werkelijke geluidsbelasting op hun bedrijfswoningen 95 dB(A) bedraagt niet onderbouwd. Het aangevoerde geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij zijn besluitvorming niet in redelijkheid heeft kunnen uitgaan van de hiervoor weergegeven onderzoeksresultaten. De raad heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aan de bedrijfswoningen wat betreft geluidsbelasting minder bescherming toekomt dan aan burgerwoningen. Het aangevoerde geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de berekende maximale geluidsbelasting op de bedrijfswoningen in dit geval niet in redelijkheid aanvaardbaar heeft kunnen achten, mede gelet op de bestaande ligging van de bedrijfswoningen ter plaatse van een gezoneerd industrieterrein.

9. [appellant sub 1] en [appellant sub 4] voeren daarnaast aan dat de in het plan opgenomen regelingen voor voortzetting van het gebruik van hun bedrijfswoningen onevenredig beperkend zijn omdat bij beëindiging van de werkzaamheden en eventuele verkoop van het pand het gebruik als bedrijfswoning niet langer is toegestaan. Zij vrezen dat de bedrijfswoning daarmee onverkoopbaar wordt. In feite wordt dit gebruik zo onder het overgangsrecht gebracht, aldus [appellant sub 1] en [appellant sub 4].

9.1. De raad heeft toegelicht dat de voor bedrijfswoningen in het plan voorziene uitsterfregeling daarin is opgenomen vanwege de ligging van de bedrijfswoningen ter plaatse van een gezoneerd industrieterrein met zware industriële activiteiten.

9.2. Aan de percelen van [appellant sub 1] en [appellant sub 4] zijn de bestemming "Bedrijventerrein" en de aanduiding "bedrijfswoning" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder o, van de planregels zijn de voor "Bedrijventerrein" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning", tevens bestemd voor één bedrijfswoning.

Ingevolge lid 4.4, onder i, geldt met betrekking tot het bestaand gebruik van een bedrijfswoning dat afsplitsing van een bedrijfswoning van het bedrijf(sperceel) als bedoeld in de als bijlage 5 opgenomen 'Inventarisatie van bedrijfswoningen' niet is toegestaan, alsmede dat na beëindiging van het gebruik van een bedrijfswoning voor een periode langer dan 1 jaar dit gebruik niet mag worden hervat, waarbij deze situatie zich niet voordoet indien de bedrijfswoning aantoonbaar te koop wordt aangeboden en tijdens deze periode niet of tijdelijk voor een andere functie dan het wonen wordt gebruikt.

Ingevolge lid 4.6 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Bedrijventerrein" te wijzigen door de aanduiding "bedrijfswoning" te verwijderen, zodra het gebruik als bedrijfswoning ter plaatse langer dan 1 jaar is beëindigd en deze op een andere wijze dan ten behoeve van het wonen wordt gebruikt en de eigenaar en gebruiker van het pand hierover vooraf zijn gehoord. Deze situatie doet zich daarbij niet voor indien de bedrijfswoning aantoonbaar te koop wordt aangeboden en tijdens deze periode niet of tijdelijk voor een andere functie dan het wonen wordt gebruikt. De bij de bedrijfswoning behorende milieuzonering ten opzichte van omliggende bedrijven komt hiermee te vervallen, waarbij het bestemmingsplan voor wat betreft de milieuzonering overeenkomstig kan worden gewijzigd.

9.3. De Afdeling volgt [appellant sub 1] en [appellant sub 4] niet in hun betoog dat de bestreden regeling voor bedrijfswoningen neerkomt op het onder het overgangsrecht brengen daarvan. Artikel 4, lid 4.4, onder i, van de planregels betreft een uitsterfregeling. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 20 juni 2012, nr. 201102364/1/R1 betreft een uitsterfregeling een bijzondere vorm van positief bestemmen, waarbij het gebruik, indien dit is beëindigd, niet opnieuw een aanvang mag nemen.

De Afdeling is van oordeel dat de raad in de ligging van de bedrijfswoningen ter plaatse van het gezoneerde industrieterrein in redelijkheid aanleiding heeft kunnen zien om hervatting van het gebruik als bedrijfswoning in beginsel niet toe te staan als dat gebruik langer dan 1 jaar is beëindigd. Dat de bedrijfswoning nadien niet langer als zodanig mag worden gebruikt, betekent niet dat het desbetreffende pand niet anderszins zou kunnen worden gebruikt.

Het aangevoerde geeft voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een wijzigingsbevoegdheid in het plan heeft kunnen opnemen waarmee in de gevallen waarin op grond van artikel 4, lid 4.4, onder i, van de planregels hervatting van het gebruik als bedrijfswoning niet is toegestaan de aanduiding "bedrijfswoning" van de verbeelding kan worden verwijderd.

10. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen ongegrond voor zover gericht tegen het besluit van 15 september 2015.

11. De raad dient op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten van [appellant sub 1] en [appellant sub 4]. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat hun beroepen zijn aan te merken als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen gegrond voor zover gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Schiedam van 13 juni 2013, waarbij de raad het bestemmingsplan "Havens" heeft vastgesteld;

II. vernietigt het onder I vermelde besluit, voor zover het betreft:

a. de plandelen met de bestemming "Bedrijventerrein - Haven";

b. het deel van de werf aan de Jan van Galenstraat dat niet conform de Nota van beantwoording en het vaststellingsbesluit als "Milieuzone - gezoneerd industrieterrein" op de verbeelding is aangeduid;

c. artikel 4, lid 4.1, onder i, en lid 4.6 van de planregels, voor zover betrekking hebbend op de percelen [locaties];

III. verklaart de beroepen ongegrond voor zover gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Schiedam van 15 september 2015, waarbij de raad het bestemmingsplan "Havens" heeft vastgesteld;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Schiedam tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van hun beroepen opgekomen proceskosten, tot een bedrag van:

a. € 620,00 (zegge: zeshonderdtwintig euro) voor [appellant sub 1], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. € 620,00 (zegge: zeshonderdtwintig euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Equipment Rental & Services B.V., geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

c. € 620,00 (zegge: zeshonderdtwintig euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellant sub 3], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

d. € 620,00 (zegge: zeshonderdtwintig euro) voor [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de raad van de gemeente Schiedam aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt, ten bedrage van:

a. € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 1];

b. € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Equipment Rental & Services B.V.;

c. € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellant sub 3] en:

d. € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. J.W. van de Gronden, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Steenbergen, griffier.

w.g. Hagen w.g. Van Steenbergen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2016

528.