Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2490

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-09-2016
Datum publicatie
14-09-2016
Zaaknummer
201603863/1/A1 en 201603863/2/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij brief van 2 juni 2015 heeft het college aan SNFLS medegedeeld, dat haar aanvraag voor een omgevingsvergunning buiten behandeling is gesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/915
JB 2016/204
JOM 2017/187
Milieurecht Totaal 2016/6433
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201603863/1/A1 en 201603863/2/A1.

Datum uitspraak: 8 september 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarderadeel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 14 april 2016 in zaken nrs. 15/3746 en 15/4954 in het geding tussen:

de stichting Stichting Noord Friesche Lokaal Spoorwegmaatschappij, gevestigd te Hilversum (hierna: SNFLS),

en

het college.

Procesverloop

Bij brief van 2 juni 2015 heeft het college aan SNFLS medegedeeld, dat haar aanvraag voor een omgevingsvergunning buiten behandeling is gesteld.

Bij besluit van 20 augustus 2015 heeft het college het door SNFLS daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 14 april 2016 heeft de rechtbank het door SNFLS daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 20 augustus 2015 vernietigd, het besluit van 2 juni 2015 herroepen en het college opgedragen de aanvraag van SNFLS in behandeling te nemen en daarop te beslissen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld. Het college heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

SNFLS heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 25 augustus 2016, waar het college, vertegenwoordigd door mr. P.J. Achterhof en A.M. den Herder, beiden werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. I. van der Meer, advocaat te Leeuwarden, en SNFLS, vertegenwoordigd door C. Rijff, bijgestaan door mr. M. Eversteijn, advocaat te Bussum, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op 20 maart 2015 heeft SNFLS een omgevingsvergunning aangevraagd voor het in strijd met het bestemmingsplan plaatsen van rails op de gronden van de voormalige spoorlijn Stiens-Jelsum om daarop met spoorfietsen te kunnen rijden. Het college heeft die aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat SNFLS volgens het college niet kan worden aangemerkt als een belanghebbende bij een beslissing op die aanvraag. Het college heeft daarbij onder meer betrokken dat de gronden waarop het project is voorzien in eigendom zijn van de gemeente, de gemeente niet bereid is de gronden in eigendom aan SNFLS over te dragen of in gebruik te geven en dat de gemeente een fiets- en wandelpad op de gronden zal realiseren zonder een spoorfietsbaan.

Tussen partijen is in geschil of SNFLS kan worden aangemerkt als belanghebbende bij een beslissing op de aanvraag en derhalve of het college is gehouden een inhoudelijke beslissing op de aanvraag te nemen. De rechtbank heeft geoordeeld dat dit het geval is.

2. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

3. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat SNFLS als een belanghebbende bij de aanvraag kan worden aangemerkt. Daartoe voert het aan dat de financiering van het project van de gemeente ten tijde van de zitting van de rechtbank rond was. Voorts voert het college aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het project van de gemeente en het beoogde project van SNLFS naast elkaar uitgevoerd kunnen worden. Tevens heeft de rechtbank ten onrechte betrokken dat het college aanvankelijk een positieve grondhouding had ten opzichte van het plan van SNFLS. Verder heeft het college gesteld dat de gemeente op 8 juli 2016 een aanvraag om omgevingsvergunning heeft ingediend voor het project van de gemeente en dat op 8 augustus 2016 omgevingsvergunning is verleend. Voorts heeft het college gesteld dat de opdracht op 18 augustus 2016 is gegund aan [aannemingsbedrijf] en dat de gemeente opdracht heeft gegeven om het project vóór 1 januari 2017 te realiseren.

3.1. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 14 november 2012, ECLI:NL:RVS:2013:CA2859) heeft de rechtbank terecht overwogen dat de aanvrager om een omgevingsvergunning belanghebbende is bij een beslissing op die aanvraag, tenzij aannemelijk is dat het bouwplan nimmer kan worden verwezenlijkt. Voor zover de aanvrager geen eigenaar is van de grond waarop het bouwplan is voorzien, is van belang of op voorhand is uitgesloten dat op enig moment van de omgevingsvergunning gebruik zal kunnen worden gemaakt.

In dit geval is de gemeente eigenaar van de gronden waarop het project van SNFLS is voorzien. SNFLS is slechts eigenaar van een aantal gronden rondom het tracé en het uiterste uiteinde van het tracé. Het college en de gemeente hebben SNFLS bij brief van 16 februari 2015 desgevraagd medegedeeld dat is besloten de gronden zelf te gaan gebruiken en dat is besloten SNFLS geen privaatrechtelijke toestemming te verlenen voor het gebruik van de gronden voor het aanleggen van een spoorfietsbaan. In de brief stellen zij voorts dat de gemeente bij brief van 5 oktober 2011 zijn bedenkingen heeft gegeven bij het ontwikkelen van de spoorfietsplannen. De brief van 5 oktober 2011 betreft een brief van de provincie Fryslân waarin de provincie, mede namens onder meer de gemeente Leeuwarderadeel, SNFLS op de hoogte brengt van hun grondhouding ten opzichte van het project om het Dokkumer Lokaaltsje weer als toeristische spoorverbinding te herstellen. In de brief wordt aangegeven dat de provincie en de gemeente het eindbeeld van SNFLS, namelijk het laten rijden van een toeristische trein, niet haalbaar achten. De provincie en de gemeente zijn

volgens de brief positief over het gebruik van het voormalige tracé van het Dokkumer Lokaaltsje als marketing instrument om toeristen de regio te laten beleven, maar zij menen dat de elementen in een samenhangend geheel aangeboden moeten worden en hebben behoefte aan een aangepast projectplan. In de brief van het college en de gemeente van 16 februari 2015 verwijzen zij voorts naar het coalitieprogramma 2014-2018 "Samen sterker", waarin is vermeld dat het college de opdracht heeft te bevorderen dat de oude spoorbaan wordt ontwikkeld als toeristisch wandel- en fietspad naar Leeuwarden, zodat tevens een veilige en kindvriendelijke route ontstaat naar de scholen en sportcentrum It Gryn.

Bij besluit van 21 mei 2015 heeft de raad van de gemeente Leeuwarderadeel, gelet op het collegevoorstel van 14 april 2015, ingestemd met de "Startnotitie Voet- fietspad op voormalig spoortracé Stiens-Jelsum" en het college opgedragen uitvoering te geven aan het daarin opgenomen tijdspad. In de startnotitie wordt een afweging gemaakt tussen de mogelijkheid en wenselijkheid van enerzijds een voet- en fietspad en anderzijds een voet- en fietspad gecombineerd met een spoorfietsattractie zoals aangevraagd door SNFLS en wordt gekozen voor een voet- en fietspad zonder de spoorfietsattractie van SNFLS.

Anders dan de rechtbank, is de Afdeling van oordeel dat evident is dat het project van SNFLS nimmer kan worden gerealiseerd. Ten tijde van de aanvraag om omgevingsvergunning hadden het college en de gemeente met hun brief van 16 februari 2015 reeds kenbaar gemaakt dat zij niet bereid zijn SNFLS de vereiste toestemming te verlenen voor het gebruik van de gronden voor het aanleggen van een spoorfietsbaan of anderszins aan het project medewerking te verlenen. Ten tijde van de besluitvorming was, gelet op het besluit van de raad van 21 mei 2015, duidelijk dat alleen het project van de gemeente mocht worden uitgevoerd. In aanmerking genomen dat de bevoegde instanties voor het verlenen van een omgevingsvergunning en het afgeven van een verklaring van geen bedenkingen gezamenlijk hadden bepaald dat alleen het project van de gemeente voor een voet- en fietspad mocht worden uitgevoerd, heeft het college terecht de plannen van de gemeente zodanig concreet geacht dat het slechts een kwestie van uitvoering was om die plannen te verwezenlijken. De besluitvorming die nadien heeft plaatsgevonden bevestigt deze aanname slechts.

3.2. Dit betekent dat het verzoek van SNFLS om een omgevingsvergunning niet kan worden aangemerkt als een verzoek van een daarbij belanghebbende en derhalve niet als een aanvraag om een besluit te nemen in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. De afwijzing van het verzoek van SNFLS is geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, zodat het college het daartegen ingestelde bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Het betoog slaagt.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de voorzieningenrechter het beroep tegen het besluit van het college van 20 augustus 2015 alsnog ongegrond verklaren. Gelet hierop dient het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening te worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 14 april 2016 in zaken nrs. 15/3746 en 15/4954;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Wijgerde, griffier.

w.g. Slump w.g. Wijgerde

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 september 2016

672.