Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2456

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-09-2016
Datum publicatie
14-09-2016
Zaaknummer
201505669/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2015:3600, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 augustus 2014, kenmerk V282068, heeft de burgemeester [appellant sub 2] onder aanzegging van bestuursdwang gelast het perceel aan de [locatie 1] en [locatie 2] te Hagestein met alle onroerende en roerende zaken met ingang van 22 september 2014 voor een periode van zes maanden te sluiten.

Wetsverwijzingen
Opiumwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2016/7387
AB 2016/451 met annotatie van J.G. Brouwer, L.M. Bruijn
JOM 2016/916
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505669/1/A3.

Datum uitspraak: 14 september 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend te Vianen,

2. [appellant sub 2], wonend te Hagestein, gemeente Vianen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 27 mei 2015 in zaken nrs. 15/201 en 15/207 in het geding tussen:

[appellant sub 1],

[appellant sub 2]

en

de burgemeester van Vianen.

Procesverloop

Bij besluit van 29 augustus 2014, kenmerk V282068, heeft de burgemeester [appellant sub 2] onder aanzegging van bestuursdwang gelast het perceel aan de [locatie 1] en [locatie 2] te Hagestein met alle onroerende en roerende zaken met ingang van 22 september 2014 voor een periode van zes maanden te sluiten.

Bij besluiten van 28 november 2014, kenmerken V291116 onderscheidenlijk V290940, heeft de burgemeester de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 mei 2015 heeft de rechtbank de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 24 februari 2016 heeft de burgemeester verzocht om geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de bestuurlijke rapportages van de Dienst Regionale Recherche van de Politie Midden-Nederland van 17 juli 2014 en 21 augustus 2014. Bij beslissing van 3 maart 2016 heeft een andere kamer van de Afdeling beperking van de kennisneming van deze rapportages gerechtvaardigd geacht. Aan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] is gevraagd om toestemming om mede op grondslag van de geheim te houden rapportages uitspraak te doen. Zij hebben die toestemming verleend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juni 2016, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. E.U.H. van de Schepop, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. R. Schreudering, advocaat te Utrecht, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. H.E. Hartkamp en B. Loerts, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant sub 2] is eigenaar van het perceel aan de [locatie 1]. Op het perceel staan diverse woningen en loodsen. [appellant sub 2] woont op dit perceel in de bedrijfswoning met het huisnummer [locatie 1] en exploiteert op een deel van het perceel een handels- en transportbedrijf. Ten tijde van de oplegging van de last onder bestuursdwang huurde [appellant sub 1] de woning die op het achterste deel van het perceel staat. Thans woont hij niet meer in die woning. [appellant sub 1] en de burgemeester verschillen van mening over de vraag welk huishummer die woning heeft en dit huisnummer is niet eenduidig komen vast te staan. In de nabijheid van zijn voormalige woning exploiteerde [appellant sub 1] op het perceel een rijwielhal met showroom.

Bij besluit van 29 augustus 2014 heeft de burgemeester, onder toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, [appellant sub 2] aangezegd het perceel met de daarop staande opstallen te sluiten voor een periode van zes maanden. Aan dit besluit heeft de burgemeester de volgende feiten uit de bestuurlijke rapportages van de Politie Midden-Nederland, Dienst Regionale Recherche, van 17 juli 2014 en 21 augustus 2014 ten grondslag gelegd. De politie heeft in de haven van Rotterdam een container met rozijnen onderschept die voor [appellant sub 2] was bestemd. In deze container bevond zich een hoeveelheid heroïne van 764,8 kg. De container is met achterlating van enkele grammen heroïne doorgelaten en op 15 mei 2014 op het perceel afgeleverd. Op dezelfde dag heeft de politie zich de toegang tot het perceel verschaft. [appellant sub 2] is aldaar aangetroffen, terwijl hij samen met een andere persoon de container aan het lossen was. De politie heeft [appellant sub 2] aangehouden en het perceel doorzocht. Daarbij werden in één van de loodsen onder meer een vacumeermachine, twee kleine weegschalen met restanten hennep en vier zakken met hennepkruimels en henneptoppen met een brutogewicht van in totaal 1.684 gram aangetroffen. Elders op het perceel bevond zich een zeecontainer met materialen die gebruikt waren of konden worden gebruikt voor het inrichten van een hennepkwekerij. Voorts werden in de woning van [appellant sub 2] twee stroomstootwapens aangetroffen.

2. De burgemeester acht op basis van de bestuurlijke rapportages aannemelijk dat het perceel een rol vervult in de georganiseerde heroïne- en/of hennephandel en dat het een vrijhaven voor criminele activiteiten was. De sluiting van het gehele perceel met de daarop staande bedrijfsbebouwing en woningen was daarom noodzakelijk. Daarbij heeft de burgemeester in aanmerking genomen dat delen van de bedrijfsbebouwing met elkaar in verbinding staan en onderlinge doorgangen hebben. Het perceel vormt één samenhangend geheel en is slechts bereikbaar via één toegangsweg. Een gedeeltelijke sluiting zou afbreuk doen aan het doel van de sluiting, te weten de loop van dealers, telers en klanten naar het perceel te voorkomen. Gezien de ernst van de feiten heeft de burgemeester geen aanleiding gezien te volstaan met een minder vergaande maatregel, zoals een schriftelijke waarschuwing.

3. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

Ter uitvoering van de bevoegdheid, neergelegd in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, heeft de burgemeester de "Beleidsregels artikel 13b Opiumwet gemeente Vianen 2013" (hierna: de Beleidsregels) vastgesteld. In de Beleidsregels is een handhavingsarrangement opgenomen. Volgens het handhavingsarrangement wordt bij een eerste overtreding van de Opiumwet, waarbij een handelshoeveelheid drugs is aangetroffen in een al dan niet voor het publiek toegankelijke lokaal of op het bij het lokaal behorende erf, een sluiting van zes maanden gelast. In het geval een handelshoeveelheid drugs is aangetroffen in een woning of op het bij de woning behorende erf, geldt, gezien het woonrecht, het uitgangspunt dat bij een eerste overtreding een schriftelijke waarschuwing wordt gegeven. De feiten en omstandigheden kunnen ertoe leiden dat toch direct tot sluiting van de woning wordt overgegaan. De burgemeester moet in dat geval motiveren waarom wordt afgeweken van het uitgangspunt.

4. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester in redelijkheid heeft kunnen gelasten zijn woning te sluiten. Daartoe voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de burgemeester zijn besluit voldoende heeft gemotiveerd door te stellen dat hij het perceel ziet als een vrijhaven voor tal van criminele activiteiten. In dit verband stelt [appellant sub 2] dat hij niet op de hoogte was van de drugs op zijn perceel. Ook wijst hij erop dat de Officier van Justitie de strafzaak tegen hem heeft geseponeerd. Wat betreft de stroomstootwapens die in zijn woning waren aangetroffen, stelt hij dat die door zijn echtgenote alleen voor zelfverdediging werden gebruikt. Voorts voert [appellant sub 2] aan dat de burgemeester had kunnen volstaan met een minder vergaande maatregel en had kunnen besluiten alleen de loods en niet zijn woning te sluiten. Hij voert aan dat de burgemeester de omstandigheden van het geval onvoldoende heeft afgewogen.

[appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester in redelijkheid heeft kunnen gelasten zijn woning en rijwielhal met showroom te sluiten. Daartoe voert [appellant sub 1] aan dat de rechtbank is uitgegaan van onjuiste en onvolledige informatie over de op het perceel aanwezige gebouwen. Hij stelt dat het woongedeelte in de loods van [appellant sub 2] ten onrechte is aangezien voor zijn woonruimte. Zijn voormalige woning staat echter achteraan op het perceel en is niet verbonden met de loods waarin hennep is aangetroffen. [appellant sub 1] stelt dat zijn voormalige woning en rijwielhal met showroom niet waren betrokken bij de feiten die aan het besluit van 29 augustus 2014 ten grondslag zijn gelegd. Tevens voert [appellant sub 1] aan dat de burgemeester voor een gedeeltelijke afsluiting van het perceel had kunnen kiezen, waarbij het achterste deel van het perceel, waarop zijn voormalige woning en opstallen staan, bereikbaar zou blijven. Voor een gehele afsluiting bestond geen aanleiding, omdat [appellant sub 1] op het perceel nooit overlast heeft ervaren van een toeloop van bezoekers in verband met druggerelateerde activiteiten.

4.1. De rechtbank heeft overwogen dat, gelet op de bevindingen in de bestuurlijke rapportages, de burgemeester de loods op het perceel waar verdovende middelen zijn aangetroffen voor een duur van zes maanden heeft mogen sluiten. Vervolgens heeft de rechtbank beoordeeld of de burgemeester het gehele perceel heeft mogen sluiten.

Over de woning van [appellant sub 2] heeft de rechtbank overwogen dat de burgemeester voldoende heeft gemotiveerd waarom van het beleid, zoals neergelegd in de Beleidsregels, dat bij een eerste overtreding niet tot sluiting van een woning wordt besloten, maar een schriftelijke waarschuwing wordt gegeven, is afgeweken. De burgemeester heeft zijn besluit voldoende gemotiveerd door te stellen dat hij het perceel ziet als een vrijhaven voor tal van criminele activiteiten, gelet op de bevindingen in de bestuurlijke rapportages. Volgens de rechtbank heeft de burgemeester zich op het standpunt mogen stellen dat sluiting van de woning van [appellant sub 2] in dit ernstige geval gerechtvaardigd was.

De rechtbank heeft voorts overwogen dat de burgemeester, door toe te lichten dat het perceel slechts via één toegangsweg is te bereiken, voldoende heeft gemotiveerd dat sluiting van het gehele perceel noodzakelijk was om de handel in drugs op of via het perceel te stoppen. Volgens de rechtbank heeft de burgemeester bij zijn beoordeling mogen betrekken dat een gedeeltelijke sluiting afbreuk zou doen aan het doel van de sluiting, te weten het voorkomen van de loop naar het perceel door telers, dealers en klanten. Ook wat betreft de woning van [appellant sub 1] is de rechtbank daarom van oordeel dat de burgemeester voldoende heeft gemotiveerd waarom hij van het beleid dat eerst een schriftelijke waarschuwing wordt gegeven, is afgeweken.

4.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de burgemeester de bedrijfswoning van [appellant sub 2], waarin twee stroomstootwapens zijn aangetroffen, onder de last mogen brengen. Daarbij is van belang dat deze bedrijfswoning tot het deel van het bedrijfsperceel behoort waarop de loods staat waarin een handelshoeveelheid hennep is aangetroffen en waarop de container met materialen die gebruikt waren of konden worden gebruikt voor een hennepkwekerij en de zeecontainer waarin heroïne is aangetroffen aanwezig waren. Gezien deze omstandigheden volgt de Afdeling het standpunt van de burgemeester dat dit deel van het bedrijfsperceel als een samenhangend geheel moet worden beschouwd dat voor de georganiseerde handel in drugs werd gebruikt en dat in dit geval de bedrijfswoning daar niet los van kan worden gezien. Dat [appellant sub 2] voorts stelt dat hij niet op de hoogte was van de feiten die aan de sluiting ten grondslag zijn gelegd en dat de Officier van Justitie heeft besloten de strafzaak tegen hem te seponeren, doet niet af aan de bevoegdheid van de burgemeester om dit deel van het bedrijfsperceel met zijn bedrijfswoning te sluiten. Daarbij is van belang dat op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs bestemd voor verkoop, aflevering of verstrekking de bevoegdheid aan de burgemeester verschaft om tot sluiting van de loods en in dit geval in verband met de samenhang ook de woning over te gaan. Gezien de ernst van de feiten heeft de rechtbank ook terecht overwogen dat de burgemeester in dit geval in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien een minder vergaande maatregel te treffen. Het betoog van [appellant sub 2] faalt.

4.3. Ter zitting heeft de burgemeester aannemelijk gemaakt dat de rijwielhal met showroom die door [appellant sub 1] werd geëxploiteerd een onlosmakelijk geheel vormde met de bedrijfsbebouwing van [appellant sub 2]. Ook bestond er een doorgang naar die bedrijfsbebouwing en uiteindelijk naar de loods waarin hennep is aangetroffen. Gelet op deze samenhang is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de burgemeester de rijwielhal met showroom heeft mogen sluiten. Het betoog faalt in zoverre.

4.4. Vaststaat dat de voormalige woning van [appellant sub 1] op de achterzijde van het perceel op 15 mei 2014 niet is doorzocht door de politie. Deze woning is geen bedrijfswoning behorende bij het deel van het bedrijfsperceel dat door [appellant sub 2] werd gebruikt. Ter zitting heeft [appellant sub 1], mede aan de hand van het door de burgemeester getoonde fotomateriaal, toegelicht dat de woning alleen te bereiken is via een toegangsweg aan de zuidgrens van het bedrijfsperceel en niet via een omweg over dat perceel. De woning staat niet in directe verbinding met de bedrijfsbebouwing en heeft daartoe ook geen doorgang. De Afdeling ziet geen aanleiding aan deze toelichting van [appellant sub 1] te twijfelen, nu de burgemeester het tegendeel niet met enig stuk aannemelijk heeft gemaakt. Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat de voormalige woning van [appellant sub 1] niet in een zodanige relatie staat met het deel van het bedrijfsperceel dat voor de georganiseerde handel in drugs werd gebruikt, dat de bevoegdheid van de burgemeester tot sluiting zich mede uitstrekte tot die woning. Evenmin is aannemelijk geworden dat een sluiting van het perceel met behoud van de toegang naar deze woning niet mogelijk was. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het betoog van [appellant sub 1] slaagt in zoverre.

5. Het hoger beroep van [appellant sub 2] is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden bevestigd.

Het hoger beroep van [appellant sub 1] is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover het beroep van [appellant sub 1] ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant sub 1] tegen de besluiten van 28 november 2014 van de burgemeester alsnog gegrond verklaren. Die besluiten komen wegens strijd met artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet voor vernietiging in aanmerking, voor zover de last ziet op de woning van [appellant sub 1] op het achterste deel van het perceel aan de [locatie 1]. Nu het besluit van 29 augustus 2014 hetzelfde gebrek bevat, zal de Afdeling dit besluit herroepen, voor zover de last ziet op de woning van [appellant sub 1] op het achterste deel van het perceel aan de [locatie 1].

6. De burgemeester dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1] gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 27 mei 2015 in zaken nrs. 15/201 en 15/207, voor zover het beroep van [appellant sub 1] ongegrond is verklaard;

III. verklaart het door [appellant sub 1] bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt de besluiten van de burgemeester van Vianen van 28 november 2014, kenmerken V291116 onderscheidenlijk V290940, voor zover de last ziet op de woning van [appellant sub 1] op het achterste deel van het perceel aan de [locatie 1];

V. herroept het besluit van 29 augustus 2014, kenmerk V282068, voor zover de last ziet op de woning van [appellant sub 1] op het achterste deel van het perceel aan de [locatie 1];

VI. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

VII. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 2] ongegrond;

VIII. bevestigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 27 mei 2015 in zaken nrs. 15/201 en 15/207, voor zover het beroep van [appellant sub 2] ongegrond is verklaard;

IX. veroordeelt de burgemeester van Vianen tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1984,00 (zegge: negentienhonderdvierentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

X. gelast dat de burgemeester van Vianen aan [appellant sub 1] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 415,00 (zegge: vierhonderdvijftien euro) voor de behandeling van het beroep en hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. K.S. Man, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Man

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 september 2016

629.