Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2421

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-09-2016
Datum publicatie
07-09-2016
Zaaknummer
201409117/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 januari 2014, kenmerk 2013-014016, heeft het college een vergunning krachtens artikel 16 en artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998) verleend voor het uitbreiden van de activiteiten van de vereniging Motorsportvereniging Noord-Oost Veluwe (hierna: de Motorsportvereniging) op een ongenummerd perceel aan de Kamperweg te Heerde.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Natuurbeschermingswet 1998
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2016/7613
Milieurecht Totaal 2016/6429
AB 2016/395 met annotatie van L.M. Koenraad
ABKort 2016/358
Milieurecht Totaal 2016/6502
JB 2016/186 met annotatie van G. Overkleeft-Verburg
JOM 2016/903
JOM 2017/181
JIN 2016/231 met annotatie van G. Overkleeft-Verburg
OGR-Updates.nl 2016-0199
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201409117/1/R2.

Datum uitspraak: 7 september 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Landgoed Steenbergen, gevestigd te Heerde, en

[appellant A], [appellant B] en [appellant C], allen wonend te [woonplaats] gemeente Heerde (hierna: de Stichting en anderen),

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2014, kenmerk 2013-014016, heeft het college een vergunning krachtens artikel 16 en artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998) verleend voor het uitbreiden van de activiteiten van de vereniging Motorsportvereniging Noord-Oost Veluwe (hierna: de Motorsportvereniging) op een ongenummerd perceel aan de Kamperweg te Heerde.

Tegen dit besluit hebben de Stichting en anderen beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Motorsportvereniging heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Stichting en anderen en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juni 2016, waar de Stichting en anderen, vertegenwoordigd door mr. J.R. Reeker en [gemachtigde], bijgestaan door mr. R.S. Wertheim, advocaat te Zwolle, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.F.H.A. Tillie en ir. C.A. Borggreve, beiden werkzaam bij de provincie Gelderland, zijn verschenen. Tevens is de Motorsportvereniging, vertegenwoordigd door mr. W.J.W. van Eijk, advocaat te Den Bosch, en ing. E. Barendregt, gehoord.

Overwegingen

1. Bij het bestreden besluit heeft het college krachtens de Nbw 1998 een vergunning verleend aan de Motorsportvereniging voor het uitbreiden van de motorcrossactiviteiten die plaatsvinden op haar ongenummerde perceel aan de Kamperweg te Heerde. De uitbreiding behelst onder meer een verruiming van de tijden waarop en de hoeveelheid motoren waarmee wedstrijden en trainingen kunnen worden verreden op het terrein van de Motorsportvereniging. Aan de vergunning zijn onder meer als voorschriften verbonden dat de stikstofemissie als gevolg van het gebruik van het motorcrossterrein maximaal 163,8 kilogram per jaar bedraagt en dat met een tijdregistratiesysteem dan wel handmatig het gebruik van het terrein voor motorsportactiviteiten wordt geregistreerd. Een overzicht van die registratie moet jaarlijks worden toegezonden aan het provinciebestuur.

2. De Stichting is eigenaar van een landgoed ten noorden van het motorcrossterrein, waarop zij een cursuscentrum exploiteert. [appellant A], [appellant B] en [appellant C] wonen in de omgeving van het terrein en kunnen de motorcrossactiviteiten horen. Zij kunnen zich niet verenigen met de motorcrossactiviteiten omdat zij stellen daarvan overlast te ondervinden.

Wettelijk kader

3. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Nbw 1998, voor zover hier van belang, is het verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten in een beschermd natuurmonument handelingen te verrichten, te doen verrichten of te gedogen, die schadelijk kunnen zijn voor het natuurschoon, voor de natuurwetenschappelijke betekenis van het beschermde natuurmonument of voor dieren en planten in het beschermd natuurmonument of die het beschermd natuurmonument ontsieren.

Ingevolge artikel 19d, eerste lid, voor zover hier van belang, is het verboden zonder vergunning, of in strijd met aan die vergunning verbonden voorschriften of beperkingen, van het college, projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten.

Ontvankelijkheid

4. De Stichting en anderen hebben geen zienswijzen ingediend op het ontwerpbesluit. Na de ontwerpfase heeft het bestreden besluit ter inzage gelegen van 30 januari 2014 tot 13 maart 2014. Gedurende die termijn hebben de Stichting en anderen geen beroep ingesteld: het beroep is op 12 november 2014 per fax bij de Raad van State ingekomen. De Afdeling ziet zich voor de vraag gesteld of het beroep onder deze omstandigheden ontvankelijk is.

5. De Stichting en anderen betogen dat zowel het achterwege blijven van een zienswijze als het te laat indienen van een beroepschrift verschoonbaar is. In dit verband voeren zij aan dat zowel het ontwerp- als het definitieve besluit niet op geschikte wijze bekend zijn gemaakt, terwijl de wet dit wel vereist. Volgens de Stichting en anderen kan het enkel op een provinciale website plaatsen van een kennisgeving niet worden aangemerkt als een geschikte wijze om kennis te geven van het ontwerp- en het definitieve besluit, nu dat geen bron is die breed toegankelijk en kenbaar is. Van burgers kan niet worden verwacht dat zij alle mogelijke overheidswebsites op regelmatige basis in de gaten houden, aldus de Stichting en anderen. Als een dergelijke eis wel wordt gesteld, is dat volgens hen in strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).

Voorts betogen zij dat ook als het enkel op een provinciale website plaatsen van een kennisgeving als een geschikte wijze van kennisgeven moet worden beschouwd, in het thans voorliggende geval niet duidelijk is of de kennisgeving heeft plaatsgevonden, dan wel op juiste wijze heeft plaatsgevonden. Hiertoe voeren zij aan dat pas in een laat stadium van de procedure door het college bewijsmiddelen zijn overgelegd waaruit zou moeten blijken dat op de provinciale website kennis is gegeven van het ontwerp- en het definitieve besluit. Zij betogen dat de bewijsmiddelen die het college heeft overgelegd niet overtuigend zijn, nu dit geen weergaven van de provinciale website of het Provincieblad zijn, maar een weergave is van een archiefwebsite. Daaruit kan niet worden afgeleid dat daadwerkelijk een kennisgeving heeft plaatsgevonden, aldus de Stichting en anderen.

5.1. Het college stelt zich op het standpunt dat op correcte wijze bekendmaking van het ontwerpbesluit en het definitieve besluit heeft plaatsgevonden en wijst er in dit verband op dat een provinciale verordening bestaat op grond waarvan kon worden volstaan met uitsluitend bekendmaking langs elektronische weg. Daarom is het beroep van de Stichting en anderen volgens het college niet-ontvankelijk.

5.2. Het college heeft het bestreden besluit voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

Ingevolge artikel 3:12, eerste lid, geeft het bestuursorgaan voorafgaand aan de terinzagelegging in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze kennis van het ontwerp. Volstaan kan worden met het vermelden van de zakelijke inhoud.

Ingevolge artikel 42, derde lid, van de Nbw 1998 wordt van een besluit tot verlening, wijziging of intrekking van de vergunningen als bedoeld in de artikelen 16 en 19d door het orgaan dat tot verlening van de vergunning bevoegd is, kennis gegeven in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op andere geschikte wijze. Volstaan kan worden met vermelding van de zakelijke inhoud.

Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep bij de Afdeling worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.

5.3. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4676, eerder heeft overwogen, kan kennisgeving via het internet een geschikte wijze van kennisgeving als bedoeld in artikel 3:12, eerste lid, van de Awb zijn. Zoals wordt bevestigd in de memorie van toelichting bij de Wet elektronisch bestuurlijk verkeer (Kamerstukken II 2001-2002, 28 483, nr. 3, blz. 24 en 38), is op de kennisgeving als bedoeld in artikel 3:12, eerste lid, echter tevens artikel 2:14, tweede lid, van de Awb van toepassing.

Artikel 2:14, tweede lid, en artikel 3:12, eerste lid, van de Awb dienen in onderlinge samenhang aldus te worden uitgelegd dat op grond daarvan vereist is dat, in verband met de artikelen 3:11, eerste lid, en 3:15, eerste lid, van een ontwerpbesluit op ten minste één niet-elektronische, geschikte wijze als bedoeld in artikel 3:12, eerste lid, kennis wordt gegeven, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.

De Stichting en anderen hebben aangevoerd dat deze jurisprudentie van de Afdeling zou moeten worden heroverwogen, omdat de elektronische bekendmaking via de provinciale website om verschillende redenen geen andere geschikte wijze is om kennis te geven van een besluit. Zij hebben gewezen op de omstandigheden dat dit van burgers een actievere opstelling vereist en dat voor sommigen het raadplegen van het internet onmogelijk kan zijn. In deze door de Stichting en anderen aangevoerde omstandigheden ziet de Afdeling echter geen redenen terug te komen van haar eerdere jurisprudentie waarin bekendmaking via internet als geschikte wijze van bekendmaking is aangemerkt, gelet op hetgeen daarover in de wet is bepaald en hetgeen daarover in de wetsgeschiedenis is opgemerkt.

5.4. De Stichting en anderen hebben voorts betoogd dat deze rechtspraak van de Afdeling moet worden heroverwogen vanwege het bepaalde in artikel 6 van het EVRM, waarmee die jurisprudentie in strijd is. Uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (onder meer het arrest van 28 mei 1985, Ashingdane tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:1985:0528JUD000822578) blijkt dat in artikel 6 van het EVRM niet een absoluut recht op toegang tot de rechter is neergelegd. Aan de verdragsstaten komt een zekere beoordelingsvrijheid toe tot het stellen van regels die zekere beperkingen inhouden, mits daardoor het recht op toegang tot de rechter niet in zijn kern wordt aangetast, de gestelde beperkingen een rechtmatig doel dienen en aan de evenredigheidseis is voldaan.

De wijze van bekendmaking van een besluit kan er onder omstandigheden toe leiden dat de toegang tot de rechter wordt aangetast op een wijze die in strijd komt met artikel 6 van het EVRM. Dat zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn als op volstrekt onvoldoende wijze kennis wordt gegeven van een besluit met het gevolg dat een belanghebbende zich niet of niet op tijd tot de rechter kan wenden. Naar het oordeel van de Afdeling is bij het alleen langs elektronische weg bekendmaken van een besluit een dergelijke situatie niet aan de orde, zodat niet kan worden gezegd dat het recht op toegang tot de rechter in de kern wordt aangetast. Met het mogelijk maken van het uitsluitend langs elektronische weg kennisgeven van een besluit is blijkens de memorie van toelichting bij de Wet elektronisch bestuurlijk verkeer beoogd makkelijker en sneller verkeer tussen burgers en bestuursorganen mogelijk te maken. De leidende gedachte daarbij is dat elektronisch verkeer tussen bestuursorganen en burgers een belangrijke bijdrage kan leveren aan het streven naar een toegankelijke en beter presterende overheid. Dit is een rechtmatig doel. In hetgeen de Stichting en anderen hebben aangevoerd, is geen grond gelegen voor het oordeel dat niet aan de evenredigheidseis wordt voldaan. Voor het oordeel dat de mogelijkheid van besluiten uitsluitend langs elektronische weg kennis te geven in strijd is met artikel 6 van het EVRM ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding.

5.5. Het college heeft erop gewezen dat in dit geval bij wettelijk voorschrift is bepaald dat kennisgeving uitsluitend langs elektronische weg mogelijk is. Daartoe heeft het college de Verordening elektronische bekendmaking Gelderland 2012 onder de aandacht gebracht. In deze verordening staat dat het mogelijk is de kennisgeving van meldingen, aanvragen, ontwerpbesluiten en besluiten uitsluitend langs elektronische weg te laten plaatsvinden. Deze verordening is voor de datum van het bestreden besluit bekendgemaakt en is dus op het bestreden besluit van toepassing. Daarmee is bij wettelijk voorschrift bepaald dat van besluiten uitsluitend langs elektronische weg kennis kan worden gegeven. Gelet op het voorgaande acht de Afdeling het in beginsel niet onaanvaardbaar dat van het bestreden besluit uitsluitend op de provinciale website kennis is gegeven.

5.6. Het voorgaande neemt niet weg dat in een voorliggend geval de elektronische kennisgeving op incorrecte wijze kan zijn verlopen. De Stichting en anderen hebben betoogd dat dat bij het ontwerp- en het bestreden besluit het geval is. In dit verband hebben zij aangevoerd dat het college er ondanks herhaalde verzoeken niet in is geslaagd aan te tonen dat een bekendmaking op de provinciale website daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De uitdraai van een archiefwebsite die het college heeft overgelegd is daarvoor volgens de Stichting en anderen niet voldoende.

Het college heeft toegelicht dat hij gebruik maakt van de diensten van een archiefwebsite die ook wordt benut door veel andere decentrale overheden. De archiefwebsite maakt geregeld kopieën van de website van de provincie Gelderland, bewaart die en maakt die inzichtelijk en doorzoekbaar voor bezoekers van de archiefwebsite. Uit door het college overgelegde uitdraaien van de archiefwebsite blijkt volgens het college dat zowel van het ontwerpbesluit als van het definitieve besluit op correcte wijze kennis is gegeven op de website van de provincie Gelderland. De Stichting en anderen hebben aangevoerd dat het college hiermee onvoldoende heeft aangetoond dat daadwerkelijk een bekendmaking heeft plaatsgevonden. De Stichting en anderen hebben echter naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat de archiefwebsite waarvan het college en verschillende andere decentrale overheden gebruikmaken, onbetrouwbaar is of anderszins geen goed beeld biedt van de kennisgevingen die op de website van de provincie Gelderland hebben plaatsgevonden. Uit de door het college overgelegde uitdraaien en uit controle van de archiefwebsite is naar het oordeel van de Afdeling voldoende gebleken dat op de website van de provincie Gelderland, op de pagina die wordt gebruikt voor bekendmakingen, kennisgevingen hebben plaatsgevonden van de terinzagelegging van het ontwerp- en het definitieve besluit.

5.7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de Stichting en anderen niet redelijkerwijs kan worden verweten geen zienswijze te hebben ingediend en te laat beroep te hebben ingesteld. Het beroep van de Stichting en anderen is niet-ontvankelijk.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. F.D. van Heijningen en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. G. Klapwijk, griffier.

w.g. Uylenburg w.g. Klapwijk

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2016

726.