Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:242

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-02-2016
Datum publicatie
03-02-2016
Zaaknummer
201505542/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 juni 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Schoollocatie Sanderbout" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Besluit ruimtelijke ordening
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/125
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505542/1/R1.

Datum uitspraak: 3 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,

2. [appellant sub 2], wonend te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Sittard-Geleen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Schoollocatie Sanderbout" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad en [appellant sub 1] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 december 2015, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. B. Smit, [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. J.M. Smits, en de raad, vertegenwoordigd door M.J.H. van Cleef en drs. J.M. Janssens, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is ter zitting de stichting ZoWonen, vertegenwoordigd door J. Crijnen, als belanghebbende gehoord.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het bestemmingsplan

2. Het bestemmingsplan voorziet in de bouw van 26 woningen en een multifunctionele accommodatie (hierna: de MFA) in de wijk Sanderbout ter plaatse van de voormalige basisschool "Augustinus" in de voormalige gemeente Sittard (thans: gemeente Sittard-Geleen). Het plangebied ligt ingesloten tussen de achterzijde van de bebouwing aan de Anjelierstraat en de Veestraat, de kerk van Sanderbout en de spoorlijn.

De MFA

3. Het beroep van [appellant sub 1] is onder meer gericht tegen het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk". [appellant sub 1] betoogt dat met dit plandeel ten onrechte wordt voorzien in een nieuwe MFA. Hiertoe voert hij onder meer aan dat er reeds in de nabijgelegen kerk aan de Bremstraat een nieuwe MFA zal worden gevestigd.

3.1. Aan de gronden waarop de MFA is voorzien is de bestemming "Maatschappelijk" met gedeeltelijk de aanduiding "bouwvlak" toegekend.

3.2. De raad heeft toegelicht dat in een nieuwe MFA is voorzien in het plangebied, omdat de gemeenschapsaccommodatie in Sanderbout aan vervanging toe is. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant sub 1] echter aldus dat geen behoefte bestaat aan een MFA in het plangebied, omdat in de bestaande kerk aan de Bremstraat een MFA zal worden gevestigd. Ter zitting heeft de raad erkend dat de bestaande kerk aan de Bremstraat een geschiktere locatie betreft en dat derhalve geen behoefte bestaat aan een nieuwe MFA in het plangebied. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog van [appellant sub 1] slaagt. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden van [appellant sub 1] gericht tegen het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" geen bespreking meer.

Woningen

4. Ter zitting hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] toegelicht dat hun beroep is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Wonen" en de aanduiding "maximum aantal wooneenheden = 10" waarmee aan de zuidzijde van hun percelen wordt voorzien in de bouw van 10 woningen.

Artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro)

5. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat het bestemmingsplan in zoverre in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is vastgesteld. Hiertoe voeren zij aan dat de actuele regionale behoefte aan de voorziene woningen onvoldoende inzichtelijk is gemaakt. In dit verband betoogt [appellant sub 1] dat de enkele verwijzing naar de Structuurvisie Wonen (2010), de regionale Structuurvisie Wonen Westelijke Mijnstreek en het rapport "Woningvoorraadbehoefte sociale doelgroep Westelijke Mijnstreek 2013-2030" van E,til van november 2013 (hierna: het behoefteonderzoek) niet inzichtelijk maakt dat regionale behoefte bestaat aan de in het plan voorziene woningen. Voorts voert [appellant sub 1] aan dat niet gebleken is dat rekening is gehouden met andere plannen.

[appellant sub 2] betoogt voorts dat in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, onder b, van het Bro niet is beschreven waarom niet in het sloopgebied kan worden voorzien in de ontwikkeling van vervangende nieuwbouw.

5.1. Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, onder h, van het Bro wordt onder "bestaand stedelijk gebied" verstaan: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur;

Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

5.2. In het plangebied liggen drie verschillende plandelen met de bestemming "Wonen". Aan alle drie de plandelen is tevens gedeeltelijk de aanduiding "bouwvlak" toegekend. Aan twee van drie plandelen is tevens de aanduiding "maximum aantal wooneenheden = 10" toegekend. Aan het derde plandeel is de aanduiding "maximum aantal wooneenheden = 6" toegekend. De percelen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] grenzen aan het meest noordelijk gelegen plandeel met de aanduiding "maximum aantal wooneenheden = 10".

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. wonen, met dien verstande dat slechts aaneengebouwde woningen zijn toegestaan;

alsmede voor:

b. erven en tuinen;

c. (ontsluiting van) parkeervoorzieningen;

Ingevolge lid 6.2 is bouwen uitsluitend toegestaan ten dienste van de in lid 6.1 omschreven doeleinden en met inachtneming van de volgende bepalingen:

a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd, waarbij per bouwvlak het aantal woningen niet meer mag bedragen dan het aantal dat is aangegeven ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden".

5.3. Aan de gronden waarop de woningen zijn voorzien was in het voorgaande bestemmingsplan "Sanderbout", dat is vastgesteld door de raad op 12 februari 2009, de bestemming "Maatschappelijke voorzieningen" met gedeeltelijk de aanduiding "bouwvlak" toegekend.

Ingevolge artikel 8, lid 8.1.1, van de planregels waren de op de verbeelding voor "Maatschappelijke voorzieningen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. instellingen en voorzieningen op medisch, sociaal-cultureel, educatief of religieus gebied dan wel op het gebied van sport en recreatie of openbaar bestuur, waaronder begrepen bejaarden- en verzorgingstehuizen;

b. ondergeschikte horeca en detailhandel ten dienste van de onder a genoemde doeleinden;

Ingevolge lid 8.2, onder a, was bouwen uitsluitend toegestaan ten dienste van de in lid 8.1.1 omschreven doeleinden en mochten gebouwen uitsluitend binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken worden gebouwd.

5.4. Wat betreft het verweer van de raad over artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) overweegt de Afdeling onder verwijzing naar haar uitspraak van 25 juni 2014 in zaak nr. 201310004/1/A1 (www.raadvanstate.nl), dat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro onder meer beoogt leegstand te voorkomen en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren. Gelet hierop en nu de percelen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] aan het plangebied grenzen bestaat geen grond voor het oordeel dat dit artikel kennelijk niet strekt ter bescherming van het belang waarvoor [appellant sub 1] en [appellant sub 2] in deze procedure bescherming zoeken. Het verweer van de raad faalt.

5.5. Vast staat dat op een gedeelte van de gronden waarop thans woningen zijn voorzien een basisschool stond die inmiddels is gesloopt. Verder is niet in geschil dat de voorziene woningen leiden tot een extra ruimtebeslag binnen bestaand stedelijk gebied ten opzichte van het voorgaande planologische regime. Gelet hierop stellen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] naar het oordeel van de Afdeling terecht dat het bestemmingsplan voorziet in een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 6 november 2013 in zaak nr. 201306573/1/R6; www.raadvanstate.nl) is het echter niet in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro dat in de plantoelichting wordt volstaan met een vermelding van de uitkomst van de beoordeling van de actuele regionale behoefte en een verwijzing naar de onderzoeken en/of beleidsstukken voor de onderbouwing daarvan. Het betoog faalt.

5.6. De Westelijke Mijnstreek - bestaande uit de gemeenten Sittard-Geleen, Stein, Schinnen en Beek - heeft volgens de raad te maken met een bevolkingskrimp. Teneinde te voorkomen dat deze bevolkingskrimp leidt tot een neerwaartse spiraal wensen deze gemeenten in samenwerking met de provincie de leefbaarheid van de Westelijke Mijnstreek te verbeteren door herstructurering van bestaande woningbouwlocaties, met als uitgangspunt het principe "1 woning erbij is 1 woning eraf". Op de streefbeeldenkaart Westelijke Mijnstreek van de regionale Structuurvisie Wonen Westelijke Mijnstreek is de wijk Sanderbout, evenals de overige MijnZuid-locaties, aangeduid als verdunnings- en vergroeningsgebied: in verdunningsgebieden wordt gestreefd naar het ontwikkelen van een woonmilieu met een lagere bebouwingsdichtheid. In deze gebieden vindt herstructurering plaats waarbij minder woningen worden teruggebouwd dan dat er oorspronkelijk waren. Door deze ontwikkeling zal meer ruimte ontstaan voor groen en zal de druk op het openbaar gebied afnemen. De leefbaarheid zal hierdoor toenemen. Door sloop, herbouw en aanpassingen aan bestaande woningen wordt de woningvoorraad in het projectgebied MijnZuid getransformeerd en toekomstbestendig gemaakt. De Afdeling begrijpt het standpunt van de raad in het kader van artikel 3.1.6, tweede lid, onder a, van het Bro dan ook aldus dat de actuele regionale behoefte aan de woningen in het plangebied niet bestaat uit de toevoeging van nieuwe woningen aan het bestaande regionale woonbestand in de Westelijke Mijnstreek, maar aan de vervanging van bestaande en verouderde woningbouwlocaties door moderne woningen.

5.7. In paragraaf 3.2.2 van de plantoelichting wordt in het kader van de toepassing van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro verwezen naar de uitkomsten van de regionale structuurvisie. In paragraaf 1.3 van de regionale structuurvisie staat dat de provincie voor deze regio onder meer inzet op de herstructurering van enkele woonwijken, waaronder Thienbunder, Achtbunder, Sanderbout en de voormalige slachthuislocatie in Sittard-Geleen. In paragraaf 3.4 van de regionale structuurvisie staat dat de gemeentelijke overzichten van woningbouwplannen in 2010 zijn geactualiseerd en dat de geïnventariseerde plannen vervolgens in vier categorieën zijn opgedeeld. Hierbij is het zogenoemde TASs-gebied (thans: MijnZuid)- waaronder het plangebied valt- blijkens de regionale structuurvisie aangemerkt als een zogenaamd "categorie 1 plan". Een categorie 1 plan betreft blijkens paragraaf 3.4 van de structuurvisie een lopend herstructureringsplan waarbij woningen reeds in de periode 2008 tot en met 2010 zijn gesloopt en nieuwbouw nog deels moet worden uitgevoerd. Uit paragraaf 2.1 van de plantoelichting volgt dat de herstructureringsopgave van het project MijnZuid voorziet in de sloop van 457 woningen en ongeveer 254 vervangende nieuwbouwwoningen in de wijken Thienbunder, Achtbunder en Sanderbout in Sittard-Geleen. De raad heeft ter zitting toegelicht dat het bouwprogramma en de bouwlocaties van het project MijnZuid (toen nog het TASs-gebied) reeds bij besluit van april 2011 door de raad zijn vastgesteld en dat deze zijn vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst met de provincie en ZoWonen. Ter zitting heeft de raad onweersproken gesteld dat de woningen die het thans voorliggende plan beoogt te vervangen, reeds zijn gesloopt. Voor de wijken Achtbunder en Thienbunder en een ander deel van Sanderbout gelden voorts onherroepelijke bestemmingsplannen die voorzien in de herstructurering van die wijken. Naar het oordeel van de Afdeling dienen de woningen die in dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt wat betreft de actuele regionale behoefte te worden bezien in het licht van de gehele herstructureringsopgave van het project MijnZuid. Nu dat project voorziet in een afname van 203 woningen, het merendeel van de te slopen woningen feitelijk al is gesloopt en voor de te herstructureren wijken al onherroepelijke bestemmingsplannen gelden, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte. Voorts is in de plantoelichting onder verwijzing naar het herstructureringsproject MijnZuid voldoende duidelijk beschreven in hoeverre in die behoefte kan worden voorzien binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins. Geen verplichting bestaat de nieuwe woningen terug te bouwen op de plek waar bestaande woningen zijn gesloopt. Bovendien is in dit geval sprake van benutting van beschikbare gronden door herstructurering als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, onder b, te weten van een voormalige schoollocatie. Het betoog faalt.

Flora- en fauna

6. [appellant sub 1] betoogt voorts dat de raad onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de gevolgen van het plan voor de in het plangebied aanwezige flora- en fauna. Volgens hem is het onderzoek dat ten grondslag is gelegd aan het bestemmingsplan ten aanzien van de eekhoorn en de steenmarter ondeugdelijk. Ter onderbouwing van zijn betoog heeft hij een notitie van Ecoresult, "Notitie resultaten potentieonderzoek beschermde flora en fauna plangebied: Anemoonstraat, Sittard" van 3 juli 2015 (hierna: het tegenonderzoek) overgelegd.

6.1. Ingevolge artikel 1b, vierde lid, van de Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet (hierna: Vrijstellingsregeling) worden als beschermde inheemse dier- en plantensoorten als bedoeld in artikel 16b, tweede lid, aanhef en onder a, van het Vrijstellingsbesluit aangewezen de soorten, genoemd in bijlage 4 bij deze regeling. Vast staat dat de eekhoorn en de steenmarter niet worden genoemd in bijlage 4 van de Vrijstellingsregeling. Gelet hierop in samenhang bezien met artikel 16b, tweede lid, onder b, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten gelden de verboden, bedoeld in artikelen 8 tot en met 12 van de Ffw niet bij de uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen en inrichting, mits de werkzaamheden en het gebruik aantoonbaar plaatsvinden overeenkomstig een door de minister van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode.

6.2. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

6.3. Ten behoeve van het plan is door Econsultancy door middel van bureauonderzoek en een veldbezoek onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van beschermde soorten, de verwachte negatieve effecten op deze soorten en de gevolgen daarvan in het kader van de Ffw. De resultaten van deze onderzoeken zijn neergelegd in het rapport "Quickscan Flora- en faunawet Anemoonstraat (ong.) te Sittard, gemeente Sittard-Geleen" van 20 maart 2014 (hierna: de quickscan).

6.4. Met betrekking tot de steenmarter staat in de quickscan dat de bestaande bebouwing op de onderzoekslocatie geen geschikte verblijfplaats betreft voor de steenmarter, omdat het schoolgebouw - dat inmiddels is gesloopt - een overwegend plat dak heeft en de zolderruimtes niet vrij zijn van menselijke verstoring. In het tegenonderzoek van [appellant sub 1] staat daarentegen dat in het plangebied potentieel geschikte vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen in bomen en op de grond zijn aangetroffen. Verder staat in het tegenonderzoek van [appellant sub 1] dat nabij het plangebied een steenmarter is waargenomen en dat mogelijk op de zolder van de buiten het plangebied gelegen kerk een vaste rust- en verblijfplaats en voortplantingsplaats aanwezig is.

6.4.1. Een enkele waarneming van een steenmarter nabij het plangebied betekent echter nog niet dat in het plangebied ook daadwerkelijk nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van de steenmarter aanwezig zijn. Dat het plangebied volgens het tegenonderzoek wel die potentie zou hebben, is naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende om af te doen aan de conclusies van de Quickscan. De Afdeling ziet hiervan een bevestiging in de aanvullende nota "Aanvullend onderzoek steenmarter en eekhoorn, locatie Sanderbout, Sittard" van september 2015 (hierna: de aanvullende nota) die in opdracht van de raad is opgesteld door NatuurInclusief, Ecologisch advies- en projectbureau, en waarin de resultaten van een aanvullend veldonderzoek zijn vervat. Uit dit aanvullend onderzoek volgt dat het vanwege de algemeenheid van de steenmarter en het uiterlijk van de omgeving aannemelijk is dat de steenmarter in het plangebied voorkomt, maar dat bij het veldonderzoek wederom geen sporen (zoals ontlasting, haar en prooiresten) van de steenmarter zijn aangetroffen. [appellant sub 1] heeft de conclusies van de aanvullende nota ten aanzien van de steenmarter niet bestreden.

6.5. In de quickscan staat ten aanzien van de eekhoorn dat de onderzoekslocatie een geschikt habitat vormt. De hoge bomen op de onderzoekslocatie konden door het ontbreken van bladerdek goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Er zijn bij het veldonderzoek geen nesten van eekhoorns aangetroffen, zodat de aanwezigheid van een vaste- rust of verblijfplaats van eekhoorn volgens de quickscan kan worden uitgesloten. In het tegenonderzoek van [appellant sub 1] staat daarentegen dat door omwonenden foto's zijn overgelegd die volgens het tegenonderzoek aantonen dat de eekhoorn in en grenzend aan het plangebied voortkomt. De afwezigheid van nesten van de eekhoorn in het plangebied is volgens het tegenonderzoek onvoldoende aangetoond in de quickscan, omdat de meeste naaldbomen in het plangebied dik in naald staan, waardoor het lastig is om nesten te vinden.

6.5.1. Dat omwonenden ter plaatse geregeld eekhoorns in en nabij het plangebied hebben waargenomen betekent echter nog niet dat in het plangebied ook daadwerkelijk nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van de eekhoorn aanwezig zijn. Ook bij het veldonderzoek dat ten grondslag ligt aan het tegenonderzoek van [appellant sub 1] zijn deze niet aangetroffen. Dat het plangebied volgens het tegenonderzoek wel die potentie zou hebben, is naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende om af te doen aan de conclusies van de Quickscan. De Afdeling ziet hiervan een bevestiging in de aanvullende nota. Uit de aanvullende nota volgt dat het vanwege de verspreiding van de eekhoorn en het uiterlijk van de omgeving weliswaar aannemelijk is dat de eekhoorn in het plangebied voorkomt, maar dat bij het veldonderzoek wederom geen sporen (zoals vraatsporen) van de eekhoorn zijn aangetroffen. [appellant sub 1] heeft de conclusies van de aanvullende nota ten aanzien van de eekhoorn niet bestreden.

6.6. Gelet op het voorgaande heeft [appellant sub 1] met een algemene verwijzing naar het tegenonderzoek niet aannemelijk gemaakt dat aan de quickscan met betrekking tot de steenmarter en de eekhoorn zodanige gebreken kleven of dat deze zodanige leemten in kennis vertoont dat de raad zich hier bij de vaststelling van het bestemmingsplan niet op heeft mogen baseren. Bovendien heeft de raad aangegeven dat bij uitvoering toepassing zal worden gegeven aan het "Ecologisch werkprotocol, locatie Sanderbout, Sittard" van NatuurInclusief waarin staat dat zal worden gewerkt overeenkomstig de gedragscode van de Vereniging Stadswerk Nederland die door de minister is goedgekeurd. Hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd biedt naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Flora- en faunawet niet op voorhand in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plan. Het betoog faalt.

Woon- en leefklimaat

7. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] vrezen een onevenredige aantasting van hun woon- en leefklimaat, in het bijzonder door een aantasting van hun privacy en geluid- en lichthinder als gevolg van een toename van het aantal verkeersbewegingen. Zij betogen dat de raad hun belangen bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat onvoldoende bij de besluitvorming heeft betrokken. Zo had de raad bijvoorbeeld moeten voorzien in een groene buffer tussen hun percelen en de voorziene woningen.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat van [appellant sub 2] en [appellant sub 1] op de percelen [locatie 1] en [locatie 2] voldoende is gewaarborgd. In hetgeen [appellant sub 2] en [appellant sub 1] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat geen recht bestaat op blijvend vrij uitzicht, dat de voorziene bouwvlakken met de bestemming "Wonen" op ongeveer 12 m afstand van de bouwvlakken op de percelen van [appellant sub 2] en [appellant sub 1] liggen en dat ingevolge artikel 6, lid 6.2, onder c, van de planregels de bouwhoogte van gebouwen maximaal 4,5 m mag bedragen, met dien verstande dat per woning over een oppervlak van maximaal 50% van de eerste bouwlaag in de voorgevellijn een tweede bouwlaag met een maximum bouwhoogte van 6,5 m mag worden gerealiseerd. Verder acht de Afdeling van belang dat de ontsluitingsweg naar de voorziene woningen aan de voorzijde - niet zijnde langs de percelen van [appellant sub 2] en [appellant sub 1] - is geprojecteerd. Het betoog faalt.

7.2. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 1] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Het betoog faalt.

Overig

8. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van hun inspraaknotities en hun zienswijzen. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op de bezwaren die zij daarbij naar voren hebben gebracht. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bezwaren in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

9. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk", voor zover daaraan tevens de aanduiding "bouwvlak" is toegekend, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 1] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

9.1. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Bro, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

10. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 2] ongegrond.

Proceskosten

11. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 1] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van [appellant sub 2] geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Sittard-Geleen van 11 juni 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Schoollocatie Sanderbout", wat betreft het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" voor zover daaraan tevens de aanduiding "bouwvlak" is toegekend;

III. draagt de raad van de gemeente Sittard-Geleen op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV. verklaart het beroep van [appellant sub 2] ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Sittard-Geleen tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Sittard-Geleen aan [appellant sub 1] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Stoof, griffier.

w.g. Van der Wiel

lid van de enkelvoudige kamer

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2016

749.