Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:24

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-01-2016
Datum publicatie
13-01-2016
Zaaknummer
201506063/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juni 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Ammerzoden Noord 2014" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Besluit ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2016/7179
JOM 2016/90
OGR-Updates.nl 2016-0015 met annotatie van Tycho Lam
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201506063/1/R6.

Datum uitspraak: 13 januari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1] en anderen, gevestigd of wonend te Ammerzoden, gemeente Maasdriel,

2. [appellant sub 2A] en [appellante sub 2 B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend te Ammerzoden, gemeente Maasdriel,

en

de raad van de gemeente Maasdriel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2015 heeft de raad het bestemmingsplan

"Ammerzoden Noord 2014" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Inveniam B.V. heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De raad, [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 november 2015, waar [appellante sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. J.H. Hartman, [appellant sub 2], eveneens bijgestaan door mr. J.H. Hartman, en de raad, vertegenwoordigd door onder meer J.G.M. Snoeijs en bijgestaan door mr. B. de Haan, advocaat te Den Bosch, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord Inveniam B.V., vertegenwoordigd door B.B.M. Ophoff en R.W.G. van Es.

Overwegingen

Intrekkingen

1. Ter zitting hebben [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hun beroepsgronden over de strijdigheid met artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998, de aanwezigheid van een beschermde steenuil en vleermuizen, de voor de "Structuurvisie en plan-MER Maasdriel" (hierna: structuurvisie) uitgevoerde milieueffectrapportage en de in de structuurvisie opgenomen voorwaarde over woningdichtheid, de aanduiding "milieuzone spuitzone uitgesloten", de archeologische waarden, de digitale beschikbaarstelling van de planregels, het ontbreken van een parkeerbalans, de verdeling van de verschillende typen woningen over het plangebied, de daarbij behorende parkeervoorzieningen op eigen terrein en de zichtlijnen op het kasteel Ammersoyen ingetrokken.

Toetsingskader

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

3. Het bestemmingsplan voorziet in een woonwijk van maximaal 58 woningen in de kern Ammerzoden ten noorden van de Uilecotenweg. Naast de gronden in het plangebied staat aan de [locatie 1] een loods van het bedrijf van [appellante sub 1] en anderen. [appellant sub 2] woont aan de [locatie 2] op een afstand van ongeveer 50 m van de voorziene woningen.

Ontwikkeling woonwijk in twee fasen

4. [appellante sub 1] en anderen betogen dat, nu de woonwijk in twee fasen zal worden ontwikkeld, het totale aantal woningen niet vaststaat.

De ontwikkeling van de twee fasen is volgens [appellante sub 1] en anderen onlosmakelijk met elkaar verbonden, omdat voor de mogelijk gemaakte ontsluitingen in dit plan rekening is gehouden met de woningen van de tweede fase. In de aan het plan ten grondslag liggende onderzoeken had daarom ook rekening moeten worden gehouden met de tweede fase.

4.1. Aan de gronden waar de woningen zijn voorzien is de bestemming "Woongebied" toegekend.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Woongebied" aangewezen gronden bestemd voor wonen in maximaal 58 woningen.

Aan de gronden waarvoor het voornemen bestaat de tweede fase te realiseren is de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschaps- en cultuurhistorische waarden" toegekend.

4.2. In de plantoelichting staat dat de ontwikkeling van de woonwijk over twee fasen wordt verdeeld en dit plan in de eerste fase voorziet. De Afdeling stelt vast dat in het plan is vastgelegd dat maximaal 58 woningen in de eerste fase van de woonwijk mogen worden gebouwd. Volgens de plantoelichting maken de gronden waarop de tweede fase is voorzien vanwege de situering van de nieuwe infrastructuur ook deel uit van het plangebied. Het voornemen bestaat om hier 27 woningen te bouwen.

Nu dit plan niet in de woningen van de tweede fase voorziet, hoeft, anders dan [appellante sub 1] en anderen menen, niet vast te staan hoeveel woningen in deze fase zullen worden gebouwd en hoeft in de onderzoeken geen rekening te worden gehouden met die woningen. Daarbij is van belang dat de plantoelichting juridisch niet bindend is. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat de eerste fase van de woonwijk niet kan worden uitgevoerd zonder dat de tweede fase hiervan ook zal worden uitgevoerd, zodat hiertussen geen onlosmakelijke samenhang bestaat. Dat de gronden waarop de tweede fase is voorzien wel deel uitmaken van het plangebied, maakt dit niet anders. De voorziene infrastructuur kan ook ten behoeve van de woningen van de eerste fase worden aangelegd.

Het betoog faalt.

Karakter van het dorp

5. [appellante sub 1] en anderen betogen dat het plan in strijd is met provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid omdat het dorpse karakter van Ammerzoden wordt aangetast door de uitbreiding van deze kern.

5.1. [appellante sub 1] en anderen hebben niet aangegeven met welk beleid het plan in strijd is. Zij hebben voorts niet onderbouwd waarom moet worden gevreesd voor een aantasting van het dorpse karakter van Ammerzoden vanwege een uitbreiding van deze kern met maximaal 58 woningen. Gelet hierop en nu in de plantoelichting is ingegaan op het op het plangebied van toepassing zijnde beleid, ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 1] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit. Het betoog faalt.

Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening

6. [appellante sub 1] en anderen betogen dat het plan in strijd is met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro).

Zij voeren aan dat onvoldoende is onderbouwd dat een actuele regionale behoefte bestaat aan de voorziene woningen. Er is niet uitgegaan van de meest actuele woningbehoefte- en woningmarktgegevens. Het meest actuele onderzoek voor de kwantitatieve en kwalitatieve woningbouwbehoefte betreft het woningmarktonderzoek van Companen. Uit dit onderzoek volgt dat slechts behoefte bestaat aan 52 woningen in de periode 2014-2024. Gelet hierop worden teveel woningen mogelijk gemaakt. Daarnaast wordt volgens [appellante sub 1] en anderen niet aan de eisen van de provincie, zoals in het vooroverleg naar voren is gekomen, voldaan. Niet is onderzocht hoe de woningbouw zich verhoudt tot andere plannen in de gemeente. Wat betreft de kwalitatieve woningbouwbehoefte is onduidelijk of behoefte bestaat aan dure en middeldure woningen. Niet is gemotiveerd waarom is afgeweken van het onderzoek van Companen en voorts is het onderzoek in opdracht van de ontwikkelaar geen deskundig woningbehoefteonderzoek.

[appellante sub 1] en anderen betogen voorts dat het plangebied ligt buiten bestaand stedelijk gebied en dat ten onrechte niet is onderzocht of door herstructurering, transformatie of anderszins kan worden voorzien in 58 woningen. Wat betreft de alternatieve locatie Onderwaard, achten zij de reden dat een onderzoek naar de aanwezigheid van explosieven moet worden uitgevoerd of dat hinder kan worden ondervonden door het nabij Onderwaard gelegen bedrijf hiervoor onvoldoende.

6.1. Ingevolge artikel 1.1.1, onder h, van het Bro wordt onder bestaand stedelijk gebied verstaan: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociale culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

Ingevolge het bepaalde onder i wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

6.2. In de plantoelichting staat dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland op 12 januari 2010 het Kwalitatief Woonprogramma 2010-2019 (hierna: KWP) heeft vastgesteld waarin afspraken tussen de provincie, de gemeenten en de regio’s in Gelderland over de woningbouw en de bestaande woningvoorraad voor tien jaar zijn vastgelegd. In de regio Rivierenland - waartoe Maasdriel behoort - mogen in de periode tot 2020 9.800 woningen worden gebouwd. Voorts heeft de raad gesteld dat op basis van in 2012 tussen provincie, regio en gemeenten aanvullend gemaakte afspraken de gemeente Maasdriel voor de periode tot 2020 een planvoorraad van 1.100 woningen mag hebben vanwege de behoefte.

Dit sluit aan bij de conclusie in de "Actualisering woningmarktonderzoek 2014" van Companen van 10 juni 2014, waaruit een behoefte aan ongeveer 1.075 woningen in de periode 2014-2025 volgt.

Op 30 januari 2014 is een actualisatie van het gemeentelijke woningbouwprogramma uit 2012 vastgesteld, genaamd "Actualisatie herijking woningbouwprogramma tot 2020". Hierin is een tabel opgenomen met de in Ammerzoden voorgenomen woningbouwprojecten tot 2020, waarbij het project Onderwaard is opgenomen met 80 woningen en bij het project Ammerzoden Noord nihil woningen worden genoemd. In totaal zijn voor de kern Ammerzoden 157 woningen opgenomen.

De raad heeft besloten dat de bouw van 80 woningen in Onderwaard wordt omgewisseld met de bouw van 63 (later gewijzigd in 58) woningen in Ammerzoden Noord. Hiermee is het totaal in de "Actualisatie herijking woningbouwprogramma tot 2020" opgenomen woningen van 157 naar 135 verlaagd. Het totale woningbouwprogramma voor alle kernen in Maasdriel bestaat uit 902 woningen voor de periode tot 2020. Geconcludeerd is dat de woningbouw past binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma tot 2020 en de behoefte die is berekend in het onderzoek van Companen.

6.3. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op het in 2014 geactualiseerde woningbouwprogramma heeft mogen baseren. Het rapport "Actualisering woningmarktonderzoek 2014" van Companen betreft een onderzoek dat aan de jaarlijkse herijking van het woningbouwprogramma ten grondslag wordt gelegd. Dat hieruit volgt dat in de periode 2014-2024 behoefte bestaat aan 52 woningen in Ammerzoden, maakt dat niet anders, nu de planperiode verder strekt dan 2024 en uit het onderzoek volgt dat sprake zal zijn van een toename van het aantal huishoudens in Maasdriel met 65 per jaar. Voorts heeft de raad erop gewezen dat Ammerzoden in de "Actualisatie herijking woningbouwprogramma tot 2020" is aangemerkt als groeikern waarbij een toename van het aantal woningen boven de lokale behoefte aanvaardbaar is als het aantal woningen passend is binnen het totale gemeentelijke woningbouwprogramma voor Maasdriel. Verder heeft de raad toegelicht dat in het Regionaal woningbehoefteonderzoek regio Rivierenland van 28 april 2015, dat een vooronderzoek tot het opstellen van het regionale woningbouwprogramma betreft, voor Maasdriel een behoefte van 70 tot 100 woningen per jaar is berekend. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat 58 woningen in beginsel binnen de berekende regionale woningbehoefte zullen passen.

De Afdeling overweegt evenwel, onder verwijzing naar haar uitspraak van 4 juli 2014 in zaak nr. 201310957/1/R6, dat in de plantoelichting niet inzichtelijk is gemaakt dat door de 58 woningen het aantal woningen waaraan behoefte bestaat niet zal worden overschreden, omdat uit de plantoelichting niet valt af te leiden uit hoeveel woningen de zogenoemde harde plancapaciteit in de gemeente Maasdriel bestaat. In de plantoelichting is derhalve niet inzichtelijk gemaakt dat met de voorziene woningbouw wordt voorzien in een actuele regionale behoefte. In hetgeen [appellante sub 1] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt is genomen in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, onder a, van het Bro. Het betoog slaagt.

6.4. Over de kwalitatieve behoefte is in de plantoelichting opgenomen dat in het KWP en de bijbehorende monitoringsrapportage "Wonen in Gelderland 2013, monitoring van het woonbeleid" een kwalitatieve doelstelling is opgenomen op grond waarvan de 9.800 woningen moeten worden onderverdeeld. Deze afspraken zijn verwerkt in het gemeentelijke woningbouwprogramma "Herijking Maasdriel, woningbouwprogramma 2012". De voorziene woningen zullen voor 41% tot het betaalbare tot en met het laag middeldure segment behoren, waarmee ruimschoots wordt voldaan aan de norm van 27% voor de betaalbare en sociale huurklasse die in het KWP is opgenomen. Het resterende deel van de woningen (59%) zal over de middeldure tot en met de dure klasse worden verdeeld, hetgeen in overeenstemming is met het kwalitatieve projectprogramma waarin een norm van 64% is opgenomen voor het duurdere segment. Hiermee wordt een gevarieerd woningbouwproject gerealiseerd voor zowel bijzondere doelgroepen als starters met betaalbare woningen en levensloopbestendige seniorenwoningen. Op basis hiervan wordt in de plantoelichting geconstateerd dat voldaan wordt aan het kwalitatief programma van het gemeentelijke woningbouwprogramma, zoals ook is afgestemd met de regio Rivierenland.

6.5. [appellante sub 1] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat het plan niet aan de kwalitatieve doelstellingen uit het KWP en de monitoringsrapportage "Wonen in Gelderland 2013, monitoring van het woonbeleid" voldoet en de vertaling daarvan in het gemeentelijke woningbouwprogramma "Herijking Maasdriel, woningbouwprogramma 2012". De raad heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het feit dat in het onderzoek van Companen is geconcludeerd dat twee-onder-één-kapwoningen en vrijstaande woningen een kwetsbaar segment betreffen, niet betekent dat in dit segment geen woningen mogen worden gebouwd. Daarbij wijst de Afdeling erop dat de gronden met de bestemming "Woongebied" slechts gedeeltelijk zijn voorzien van de aanduidingen "vrijstaand" en "twee-aaneen" en het plan voor het resterende deel flexibel is wat betreft het mogelijke woningtype. Het betoog faalt.

6.6. Wat betreft artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder b, van het Bro overweegt de Afdeling als volgt. Niet in geschil is dat het plangebied buiten bestaand stedelijk gebied ligt.

In de plantoelichting staat dat in het kader van het woningbouwprogramma alle locaties in beeld zijn gebracht die geschikt en beschikbaar zijn voor woningbouw, waarbij ook het bestaand stedelijk gebied van Ammerzoden is bekeken. In de toelichting is een kaart van de inbreidingslocaties opgenomen. Gebleken is dat het merendeel van deze locaties niet geschikt is om voor 2020 woningbouw te realiseren. De locaties die wel geschikt zijn, zijn reeds ontwikkeld. Alternatieve locaties en mogelijkheden in de vorm van transformatie, herontwikkeling en inbreiding om het planvoornemen te realiseren zijn niet beschikbaar.

In hetgeen [appellante sub 1] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat in de plantoelichting onvoldoende is beschreven dat binnen bestaand stedelijk gebied niet in de behoefte kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins. De locatie Onderwaard is, evenals het plangebied, geen onderdeel van het bestaand stedelijk gebied, zodat in dit kader niet behoeft te worden bezien of in die behoefte op die gronden kan worden voorzien door herstructurering, transformatie of anderszins.

Het betoog faalt.

Omgevingsverordening Gelderland

7. [appellante sub 1] en anderen voeren aan dat het plan in strijd is met artikel 2.2.1.1 van de Omgevingsverordening, omdat niet wordt voldaan aan het KWP. Het woningbouwproject Ammerzoden Noord is niet in het gemeentelijke woningbouwprogramma opgenomen. Bepaalde projecten die hierin wel zijn opgenomen, moeten nu worden doorgeschoven tot na 2020. Dit geldt onder meer voor het project Onderwaard.

7.1. Ingevolge artikel 2.2.1.1 van de Omgevingsverordening worden in een bestemmingsplan nieuwe woonlocaties en de daar te bouwen woningen slechts toegestaan wanneer dit past in het vigerende door het college van gedeputeerde staten vastgestelde KWP.

7.2. Gelet op hetgeen onder 6.2 is overwogen, past het plan binnen het KWP, nu in de regio Rivierenland in de periode tot 2020 volgens het KWP 9.800 woningen mogen worden gebouwd en het plan in 58 woningen voorziet. In het KWP is geen nadere verdeling gemaakt per gemeente binnen de regio Rivierenland. Het betoog faalt.

Structuurvisie

8. [appellante sub 1] en anderen betogen dat niet duidelijk is of het plan voldoet aan de gemeentelijke structuurvisie, omdat daarin staat dat dorpsuitbreiding met name bedoeld is voor starters en jonge ondernemers en de voorziene woningen deels tot een hoger segment behoren. Voorts betogen zij dat het project Ammerzoden Noord in de structuurvisie is genoemd als project dat pas na 2020 zal worden ontwikkeld.

8.1. Het plangebied ligt in de structuurvisie binnen de rode contouren van de kern Ammerzoden en is aangewezen als "afweegbaar gebied voor dorpsuitbreiding". De gebieden die zijn aangeduid als "afweegbaar gebied voor dorpsuitbreiding" kunnen worden getransformeerd van onbebouwd gebied naar bebouwd gebied, in de vorm van wonen en daarbij horende voorzieningen. De focus wat betreft uitbreiding ligt met name op de kernen Velddriel, Kerkdriel, Hedel en Ammerzoden.

8.2. De Afdeling overweegt dat, nu het plangebied is aangewezen als "afweegbaar gebied voor dorpsuitbreiding", woningbouw ter plaatse in overeenstemming is met de structuurvisie. Anders dan [appellante sub 1] en anderen stellen, is in de structuurvisie opgenomen dat het vertrek van jongeren en starters uit de gemeente naar omliggende steden kan worden afgeremd met woningbouw, maar dat er ook aandacht dient te zijn voor senioren. Hieruit volgt niet dat de bouw van woningen in onder meer een hoger segment in strijd is met de structuurvisie. Het betoog faalt.

8.3. In de structuurvisie is een overzicht opgenomen van de voorgenomen woningbouwprojecten in de periode 2011-2019. Daarbij is het project Ammerzoden Noord niet genoemd. Vermeld is dat ná 2020 vijf projecten zullen worden uitgevoerd, waaronder het project Ammerzoden Noord waarbij ongeveer 80 woningen zullen worden gerealiseerd. De Afdeling stelt vast dat in de structuurvisie de stand van zaken in 2011 omtrent de geplande woningbouw is weergegeven. Zoals onder 6.2 overwogen, heeft de raad een besluit genomen waarbij is bepaald dat de woningbouw in het gebied Onderwaard, die in de structuurvisie voor de periode 2013-2019 was opgenomen, zal worden omgewisseld met de woningbouw in Ammerzoden Noord. De Afdeling is van oordeel dat de structuurvisie hieraan niet in de weg staat. Dat in dat besluit ook is opgenomen dat met de woningbouw in het gebied Onderwaard kan worden gestart indien 80% van de met dit plan mogelijk gemaakte woningen vóór 2020 is verkocht, maakt dit niet anders. In het voorliggende plan worden die woningen niet mogelijk gemaakt en in deze procedure ligt niet de vraag voor of woningbouw in Onderwaard in strijd is met de structuurvisie. Het betoog faalt.

Milieucategorie en aan te houden afstand

9. [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 2] voeren aan dat de raad ten onrechte is uitgegaan van een bedrijf in milieucategorie 2 in plaats van milieucategorieën 3.1 en 3.2 en daarbij niet is uitgegaan van de maximale mogelijkheden die het bestemmingsplan "Ammerzoden" op grond van de bestemming "Bedrijf" ter plaatse biedt. Het bedrijf aan de [locatie 3] en [locatie 1] slaat niet alleen champignons, groente en fruit op voor transport, maar verwerkt deze producten ook, hetgeen op grond van dat plan en de milieuvergunning ook is toegestaan. Het bedrijf dient derhalve te worden beschouwd als een bedrijf in milieucategorie 3.2 omdat hierin champignons worden geconserveerd. De raad is ten onrechte van een aan te houden afstand van 30 m uitgegaan door het bedrijf aan te merken als een bedrijf waar alleen opslag plaatsvindt.

9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat sprake is van een bedrijf in milieucategorie 2. Daarbij wijst de raad er op dat alleen de locatie [locatie 1] is bestemd als "Bedrijf" en er geen koppeling bestaat met het bedrijf aan de [locatie 3]. Uit een milieucontrole is gebleken dat aan de [locatie 1] alleen opslag en geen verwerking van champignons plaatsvindt. Bedrijven in categorie 3 zijn op grond van het vigerende bestemmingsplan alleen toegestaan indien deze op het moment van het van kracht worden van dat plan aanwezig zijn. Dat doet zich hier niet voor, nu op dat moment alleen sprake was van opslag van champignons en groente aan de [locatie 1]. Dit is conform de milieuvergunning van 12 december 2000 en nadien is niet geconstateerd dat er op deze locatie andere activiteiten, zoals de verwerking van champignons, hebben plaatsgevonden.

9.2. Het bedrijf van [appellante sub 1] en anderen is gevestigd aan de [locatie 3] en [locatie 1]. Het bedrijfspand aan de [locatie 1] staat op een afstand van ongeveer 30 meter van de voorziene woningen en heeft ingevolge het bestemmingsplan "Ammerzoden" de bestemming "Bedrijf".

Ingevolge artikel 1, onder 50, van de regels van dat plan wordt onder risicovolle inrichting verstaan: een inrichting die valt onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), met een plaatsgebonden risico dat reikt tot buiten het tot de betreffende inrichting behorende bouwperceel.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven in categorie 1 of 2 als genoemd in de Staat van Inrichtingen, met uitzondering van risicovolle inrichtingen en op het betreffende bouwperceel bestaande bedrijven in categorie 3 als genoemd in de Staat van Inrichtingen of daarmee vergelijkbaar, dat wil zeggen welke aanwezig zijn op het moment van het van kracht worden van dit plan.

Ingevolge lid 6.5, aanhef en onder c, wordt onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan in ieder geval verstaan het gebruik van gronden voor bedrijven die krachtens bijlage 1, onderdeel D, van het Besluit omgevingsrecht zijn aangewezen als inrichtingen die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken alsmede voor risicovolle bedrijven.

In de Staat van Inrichtingen worden groente-en conservenfabrieken, in de categorie groente algemeen, ingedeeld in categorie 3.2 met als grootste aan te houden afstand 100 m.

Groothandels in groente en fruit zijn ingedeeld in categorie 3.1 met als grootste aan te houden afstand 50 m vanwege het aspect gevaar, waarbij met de aanduiding "R (risico)" is aangegeven dat het Bevi mogelijk van toepassing is. Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte) zijn ingedeeld in categorie 2 met als grootste aan te houden afstand 30 m.

9.3. De Afdeling ziet zich geplaatst voor de vraag wat voor bedrijf op het moment van het van kracht worden van het plan "Ammerzoden", te weten 2 juli 2012, op het perceel [locatie 1] aanwezig was. Daarbij is, gelet op de planregeling, niet van belang welke bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan op het perceel [locatie 3]. Nog daargelaten dat uit een milieuvergunning geen planologische toestemming kan worden afgeleid, volgt uit de milieuvergunning van 12 december 2000 en de daarbij behorende tekeningen dat ter plaatse slechts de opslag van champignons en groente is vergund. Niet is gebleken dat destijds ter plaatse ook de verwerking van champignons was vergund. Voorts heeft er in 2004 een milieucontrole plaatsgevonden waarbij is geconstateerd dat ter plaatse opslag plaatsvond. Op 8 mei 2012 is de locatie bezocht door een medewerker van de gemeente en die heeft evenmin verwerking van champignons ter plaatse geconstateerd. Onder deze omstandigheden heeft de raad ervan uit kunnen gaan dat er ter plaatse geen verwerking van producten plaatsvond die met zich brengt dat het bedrijf als een conservenfabriek in categorie 3.2 zou moeten worden aangemerkt. Het bedrijf kan echter evenmin worden aangemerkt als een opslaggebouw in milieucategorie 2 van de Staat van Inrichtingen bij het bestemmingsplan "Ammerzoden". Onder opslaggebouw wordt blijkens deze Staat van Inrichtingen immers de verhuur van opslagruimten verstaan, hetgeen zich hier niet voordoet. In de loods werden en worden immers onder meer verse champignons en geconserveerde champignons opgeslagen voor transport. Uit het rapport "Akoestisch onderzoek RO, woningbouwplan Ammerzoden Noord ten aanzien van het bedrijf [locatie 1] Ammerzoden" van De Roever omgevingsadvies van 20 november 2014 (hierna: het akoestische rapport) volgt dat er in het kader van indirecte hinder is uitgegaan van 6 vrachtwagens in de dagperiode en 6 bestelbusjes in de dag- en avondperiode. In het onderzoek "Woningbouwplan Ammerzoden Noord ten aanzien van het bedrijf [locatie 1] Ammerzoden, illustratie theoretische rekenexercitie n.a.v. ingebrachte zienswijzen door het bedrijf [appellante sub 1] BV" van 23 maart 2015 van De Roever omgevingsadvies (hierna: het aanvullende akoestische rapport) is naar aanleiding van de zienswijze van [appellante sub 1] en anderen zelfs van 16 vrachtwagens per etmaal uitgegaan. Gelet op de aard van de producten van [appellante sub 1], de activiteiten in en bij de loods, die beschikt over voorzieningen om vrachtwagens te lossen en te laden, en bijbehorende transportbewegingen met vrachtwagens is de Afdeling van oordeel dat het bedrijf ter plaatse was en is te kwalificeren als een groothandel in groente en fruit in categorie 3.1 van de Staat van Inrichtingen, waarvoor een indicatieve aan te houden grootste afstand van 50 m wordt vermeld in deze Staat van Inrichtingen. Het betoog slaagt.

Geur

10. [appellante sub 1] en anderen betogen dat het geuronderzoek dat aan het plan ten grondslag ligt onzorgvuldig is en dat hun bedrijfsbelangen onvoldoende zijn afgewogen. Ook in dit onderzoek is van een onjuiste milieucategorie uitgegaan. Zij verwijzen naar het in hun opdracht opgestelde rapport "[appellante sub 1] BV, locatie [locatie 3] en [locatie 1] te Ammerzoden" van Physibuild van 27 juli 2015.

10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat geurhinder vanwege het bedrijf aan de [locatie 1] niet de bepalende factor is, aangezien voor dit aspect, zelfs als sprake zou zijn van een groothandel in groente en fruit de aan te houden afstand maximaal 30 m is. Daaraan wordt voldaan.

10.2. Zoals in overweging 9.3 is overwogen is het bedrijf van [appellante sub 1] en anderen aan de [locatie 1] te kwalificeren als een groothandel in groente en fruit als bedoeld in de Staat van Inrichtingen behorende bij de regels van het plan "Ammerzoden". Artikel 6 van de regels van dat plan brengt met zich dat naast bedrijven in de categorieën 1 en 2 ter plaatse uitsluitend het bestaande bedrijf in categorie 3 als genoemd in de Staat van Inrichtingen of een daarmee vergelijkbaar bedrijf in deze categorie is toegestaan op grond van de bestemming "Bedrijf". Voor het aspect geur wordt bij een groothandel in groente en fruit een afstand aanbevolen van 30 m. In het bestemmingsplan heeft de raad tussen de voorziene woningen en het bedrijf een afstand aangehouden van ongeveer 30 m en voor het aspect geur bestond er geen aanleiding om een grotere afstand aan te houden. Het betoog faalt.

Geluid en belemmering van de bedrijfsvoering

11. [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 2] vrezen dat niet aan de geluidnormen van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) kan worden voldaan bij de voorziene woningen en dat ter plaatse geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Zij wijzen er op dat het akoestische rapport onzorgvuldig is omdat er is uitgegaan van te weinig verkeersbewegingen. Er wordt ook in het akoestisch onderzoek uitgegaan van een onjuiste milieucategorie. Het in het plan voorziene geluidscherm kent verschillende hoogten en dient gesloten te zijn. [appellante sub 1] en anderen betogen dat het scherm niet juist is geregeld en wijzen in dit verband op het rapport van Physibuild van 27 juli 2015. In dit rapport wordt er op gewezen dat door de hogere positie van de ventilator in de gevel de afschermende werking van het geluidscherm minder sterk zal zijn dan waarvan de raad is uitgegaan.

11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat aan de normen van het Activiteitenbesluit kan worden voldaan en dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal zijn bij de voorziene woningen als in een geluidscherm wordt voorzien. De raad wijst er op dat het plan is gewijzigd naar aanleiding van een indicatieve akoestische berekening waaruit bleek dat als wordt uitgegaan van 16 vrachtwagenbewegingen met koeltransport aan de [locatie 1] per etmaal niet kon worden voldaan aan de norm van 50 dB(A) uit het Activiteitenbesluit. De raad heeft er derhalve voor gekozen om vijf nabij het bedrijf voorziene woningen uit het plan te halen en het plangebied aan te passen. Als gevolg hiervan zijn de dichtstbijzijnde woningen in het vastgestelde plan voorzien op een afstand van ongeveer 30 meter van de gronden met de bestemming "Bedrijf" aan de [locatie 1].

11.2. In het akoestische rapport staat dat in het onderzoek rekening is gehouden met een scherm aan de zuidoostzijde van het plangebied. Ter plaatse van de loods bedraagt de schermhoogte 3 m, op een afstand van 1 m vanuit de loods. Het scherm dient gesloten te zijn. In het akoestische rapport is rekening gehouden met een ventilator in de noordwestgevel van de loods. Voorts staat in het akoestische rapport dat de representatieve bedrijfssituatie in de dagperiode bestaat uit de aankomst en het vertrek van 6 vrachtwagens en 3 bestelbusjes. Uit het akoestische rapport volgt dat onder deze omstandigheden de norm van 50 dB(A) in de dagperiode met 8 dB(A) wordt onderschreden en dat een volledige opvulling van deze geluidruimte door het bedrijf, dat valt onder milieucategorie 2, als niet realistisch wordt beschouwd.

Naar aanleiding van de zienswijze van [appellante sub 1] en anderen heeft de raad aanvullend akoestisch onderzoek laten verrichten. In het aanvullende akoestische rapport staat dat bij 58 van de 63 woningen wordt voldaan aan de richtwaarde van 45 dB(A) voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau uit de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" uit 2009. Bij vijf woningen op de grens met het plangebied zal de richtwaarde in de dagperiode met 1 tot 4 dB(A) worden overschreden, maar de grenswaarde van 50 dB(A) van het Activiteitenbesluit wordt niet overschreden.

11.3. Ingevolge artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit geldt voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximale geluidsniveau, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting dat de niveaus op de in tabel 2.17a genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden.

In tabel 2.17a staat voor de periode van 07.00 - 19.00 voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op de gevel van gevoelige gebouwen 50 dB(A) als grenswaarde vermeld.

11.4. Ingevolge artikel 5.2, onder 5.2.3, van de planregels dient de geluidwerende voorziening ter plaatse van de aanduiding "geluidsscherm" gerealiseerd te worden conform de situering en hoogte zoals aangegeven in de afbeelding van het geluidsonderzoek, zoals opgenomen als bijlage 2 van de regels alvorens mag worden begonnen met de bouw van de woningen. Het scherm dient een absorberend scherm te zijn.

Direct aangrenzend aan de gronden van [appellante sub 1] en anderen is voorzien in een smal plandeel met de bestemming "Woongebied" en aanduiding "geluidsscherm". Daarachter liggen gronden die niet meer tot het plangebied behoren en waar geen woningen mogen worden gebouwd. Op een afstand van ongeveer 30 m kunnen op gronden met de bestemming "Woongebied" en de aanduiding "bouwvlak" woningen worden gebouwd.

11.5. De Afdeling stelt vast dat in het aanvullende akoestische rapport op basis van de zienswijze van [appellante sub 1] en anderen en met inachtneming van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden is uitgegaan van een bedrijf waarbij 16 vrachtwagens per etmaal af- en aanrijden. Gelet op de toegekende bedrijfsbestemming en hetgeen is overwogen in 9.3 over de kwalificatie van het bedrijf als een groothandel in groente en fruit in categorie 3.1 van de Staat van Inrichtingen is dat naar het oordeel van de Afdeling niet onjuist.

Voorts stelt de Afdeling vast dat de inrichting aan de [locatie 1] valt onder de werking van het Activiteitenbesluit. Anders dan [appellante sub 1] en anderen veronderstellen, komt aan de milieuvergunning van 12 december 2000, gelet op het in artikel 6.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit vervatte overgangsrecht, in zoverre niet de betekenis toe die zij hieraan toekennen. Uit het aanvullende akoestische rapport volgt dat bij de voorziene woningen aan de normen van het Activiteitenbesluit kan worden voldaan door het bedrijf van [appellante sub 1] en anderen. Voorts heeft de raad in het kader van een goede ruimtelijke ordening bij de vaststelling van het plan aanleiding gezien om de vijf dichtst bij het bedrijf voorziene woningen te laten vervallen en het plangebied te wijzigen. Als gevolg hiervan zijn er in het plangebied geen woningen waarbij niet kan worden voldaan aan de richtwaarde van 45 dB(A) voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau uit de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" uit 2009. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat bij de voorziene woningen sprake zal zijn van een aanvaardbaar geluidsniveau en daarbij heeft de raad het geluidscherm verzekerd door dit in artikel 5.2, onder 5.2.3, van de planregels als voorwaardelijke verplichting op te nemen. Dat de geluidwerende functie van dit scherm zou zijn overschat, hebben [appellante sub 1] en anderen niet aannemelijk gemaakt. Daarbij betrekt de Afdeling dat de exacte situering van ventilatoren niet in een bestemmingsplan wordt geregeld en dat in het akoestische rapport en het aanvullende akoestische rapport wel rekening is gehouden met de aanwezigheid van ventilatoren in de gevel van de loods die het dichtst bij de woningen is gesitueerd. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat de bedrijfsvoering van [appellante sub 1] en anderen onevenredig wordt belemmerd als gevolg van het plan. Daarbij is, anders dan [appellante sub 1] en anderen betogen, mede gelet op de gewijzigde vaststelling van het plan, wel rekening gehouden met hun bedrijfsbelangen.

Het betoog faalt.

Verkeer

12. [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 2] betogen dat het plan tot onaanvaardbare verkeersproblemen op de Uilecotenweg zal leiden. Er is ten onrechte geen onafhankelijk en deskundig onderzoek verricht naar de verkeersgevolgen van het plan. De wegenstructuur is ongeschikt om het extra verkeer van de woonwijk op te kunnen vangen, te meer daar de Uilecotenweg smal is en er reeds problemen zijn met de afwikkeling van het vrachtverkeer. Zij wijzen er op dat er gevaarlijke situaties zullen ontstaan als auto’s en vrachtauto’s elkaar passeren indien daarbij ook fietsverkeer is betrokken.

12.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de verkeersgevolgen van het plan zijn onderzocht door een deskundig verkeerskundig adviesbureau en dat de Uilecotenweg voldoende capaciteit heeft om het extra verkeer van de woonwijk op een veilige manier op te vangen.

12.2. In het "Verkeersonderzoek Ammersoyen" van het adviesbureau BRO van 3 juni 2014 staat dat de woningen zorgen voor extra gemotoriseerd verkeer. De rijbaanbreedte van de Uilecotenweg bedraagt over het grootste gedeelte tussen de 5,5 m en 6 m. In 2013 is de weg tussen de huisnummers 19 en 29 ongeveer 150 m versmald naar ongeveer 4,5 m. Voor twee personenauto’s is dit voldoende om elkaar te passeren, maar indien een vrachtauto of grote bestelbus een personenauto tegenkomt is dit profiel te krap, aldus het verkeersonderzoek. Uit het onderzoek volgt dat bij het passeren van grote voertuigen fietsers naar de berm kunnen worden ‘gedrukt’. De conclusie van het verkeersonderzoek is dat de realisatie van de wijk Ammersoyen niet leidt tot verkeersproblemen omdat de Uilecotenweg voldoende capaciteit heeft. Wel wordt de aanbeveling gedaan om de rijbaan bij het smalle deel van de Uilecotenweg uit het oogpunt van verkeersveiligheid aan te passen en het fietsverkeer hier te scheiden.

12.3. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet heeft mogen baseren op het verkeersonderzoek omdat dit niet door een deskundig onderzoeksbureau zou zijn opgesteld. Dat in het verkeersonderzoek is uitgegaan van een hoger aantal woningen dan in het vastgestelde plan is een gevolg van de gewijzigde vaststelling en brengt niet met zich dat het onderzoek niet aan het vastgestelde plan ten grondslag mag worden gelegd. Daarbij merkt de Afdeling op dat het plan juist in minder woningen voorziet en hierdoor minder verkeer op de Uilecotenweg tot gevolg zal hebben. Voorts hebben [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat de conclusie in het verkeersonderzoek dat de Uilecotenweg voldoende capaciteit heeft om het extra verkeer van de woonwijk te verwerken onjuist is.

Dat de Uilecotenweg tussen de huisnummers 19 en 29 is versmald en dat dit tot verkeersonveilige situaties kan leiden als vrachtauto’s of grote bestelbussen worden gepasseerd, betekent niet dat de raad het plan in het kader van een goede ruimtelijke ordening niet heeft mogen vaststellen. Daarbij betrekt de Afdeling dat de verkeersveiligheid ter plaatse kan worden verbeterd door aanpassingen aan de weg en het treffen van verkeersmaatregelen. Deze aanpassingen en maatregelen kunnen niet in een bestemmingplan worden geregeld.

Het betoog faalt.

[locatie 2]

13. [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 2], die aan de [locatie 2] woont, betogen dat het woon- en leefklimaat ter plaatse onaanvaardbaar wordt aangetast en dat er planschade zal ontstaan. Zij wijzen er op dat hun vrije uitzicht zal verdwijnen.

13.1. De raad stelt zich op het standpunt dat van een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat geen sprake zal zijn. Verder is er een risicoanalyse verricht naar de mogelijke planschade en een planschadeovereenkomst gesloten met de projectontwikkelaar.

13.2. De Afdeling stelt vast dat de woning van [appellant sub 2] aan de [locatie 2] op een afstand van de ongeveer 50 m van de voorziene woningen staat. Over de aantasting van het huidige uitzicht heeft de raad er terecht op gewezen dat geen recht op blijvend vrij uitzicht bestaat. De enkele omstandigheid dat het voorheen geldende bestemmingsplan ter plaatse geen woningen mogelijk maakte, betekent niet dat de raad die mogelijkheid nu niet zou mogen bieden. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan immers geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. In dit verband heeft de raad bij zijn belangenafweging in redelijkheid een groter gewicht mogen toekennen aan het belang bij de voorziene woningen dan aan het belang van [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 2] bij het behoud van hun huidige uitzicht. Het betoog faalt.

13.3. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 2] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Het betoog faalt.

Conclusie

14. In hetgeen [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb en artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. De beroepen zijn gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

Instandlaten van de rechtsgevolgen

15. Ingevolge artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb kan de bestuursrechter bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit of een gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk in stand blijven.

16. De raad heeft in zijn nadere memorie van 27 oktober 2015 toegelicht dat voor de in de "Actualisatie herijking woningbouwprogramma tot 2020" opgenomen woningen zogenoemde harde en zachte plannen bestaan. Onder harde plannen verstaat de raad woningbouw die bij recht mogelijk is gemaakt en onder zachte plannen worden woningbouwplannen verstaan waarover de gemeente weliswaar in gesprek is, maar waarvoor nog geen ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd. Onder verwijzing naar een overzicht van harde en zachte plannen in de gemeente in 2015 stelt de raad dat de totale harde plancapaciteit van de in de "Actualisatie herijking woningbouwprogramma tot 2020" opgenomen woningen in Ammerzoden 96 woningen bedraagt, waaronder de voorziene woningen, en in de gehele gemeente Maasdriel 649 woningen. De raad heeft aannemelijk gemaakt dat de voorziene 58 woningen binnen de berekende behoefte van 1.100 woningen van de gemeente Maasdriel tot 2020 en de berekende behoefte van de kern Ammerzoden passen. [appellante sub 1] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat het overzicht van harde en zachte plannen zodanige onjuistheden bevat, dat de raad zich daarop niet in redelijkheid heeft kunnen baseren. Voor zover [appellante sub 1] en anderen zich beroepen op de omstandigheid dat een bestemmingsplan in voorbereiding is voor 9 woningen in Ammerzoden en daar ten onrechte geen rekening mee is gehouden, overweegt de Afdeling dat, daargelaten dat dit ten tijde van de vaststelling van het plan zachte plancapaciteit was, hiermee de maximale harde plancapaciteit niet wordt overschreden.

16.1. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad met hetgeen in de plantoelichting is opgenomen, de nadere memorie van 27 oktober 2015, de daarbij behorende bijlagen en de toelichting daarop ter zitting inzichtelijk heeft gemaakt dat met de binnen het plangebied voorziene woningbouw wordt voorzien in een actuele regionale behoefte. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan voorziet in een actuele regionale behoefte als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro.

17. Uit overweging 9.3 volgt dat de raad het bedrijf van [appellante sub 1] en anderen aan de [locatie 1] ten onrechte heeft aangemerkt als een opslaggebouw in milieucategorie 2 van de Staat van Inrichtingen. Als gevolg hiervan is de raad uitgegaan van een indicatieve aan te houden afstand van 30 m tot gevoelige functies, zoals woningen. Vast is komen te staan dat het bedrijf van [appellante sub 1] en anderen is aan te merken als een groothandel in groente en fruit in categorie 3.1 van de Staat van Inrichtingen, waarvoor een grootste aan te houden afstand van 50 m wordt vermeld in deze Staat van Inrichtingen in verband met het aspect gevaar en voor het aspect geluid een afstand van 30 m wordt aanbevolen. Deze afstanden zijn echter indicatief en de raad kan kortere afstanden aanhouden indien dat in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Naar onder meer de akoestische situatie is onderzoek gedaan en uit deze onderzoeken is gebleken dat bij de voorziene woningen op een afstand van ongeveer 30 m een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd en dat het bedrijf van [appellante sub 1] en anderen niet onevenredig wordt belemmerd. Voor zover [appellante sub 1] en anderen er op hebben gewezen dat de grootste aan te houden afstand van 50 m betrekking heeft op het aspect gevaar en het bedrijf beschikt over een tank voor de opslag van diesel, overweegt de Afdeling dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de inrichting niet onder het toepassingsbereik van het Bevi en de Regeling externe veiligheid inrichtingen valt en dat het bestemmingsplan "Ammerzoden", gelet op artikel 6, eerste lid, onder a, en lid 6.5, aanhef en onder c, van de regels op gronden met de bestemming "Bedrijf" risicovolle inrichtingen ter plaatse niet toestaat. Bij de indicatieve aan te houden afstand van 50 m bij de groothandel in groente en fruit is met de aanduiding "R" in de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" aangegeven dat in het kader van mogelijke risico’s bezien moet worden of op het bedrijf het Bevi van toepassing is. Dat doet zich hier niet voor en de aanwezigheid van een tank voor de opslag van diesel brengt niet met zich dat de raad in dit geval in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afstand van 50 m tot de voorziene woningen had moeten aanhouden.

17.1. De Afdeling ziet, gelet op het voorgaande, aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb geheel in stand te laten.

Proceskosten

18. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. De beroepschriften van [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 2] bevatten nagenoeg dezelfde beroepsgronden tegen het bestreden besluit. Voorts zijn deze appellanten op de zitting van 16 november 2015 door dezelfde rechtsbijstandsverlener vertegenwoordigd. Derhalve worden de beroepen ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van dat besluit beschouwd als één zaak.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Maasdriel van 4 juni 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Ammerzoden Noord 2014";

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Maasdriel tot vergoeding van bij [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] in verband met de behandeling van hun beroepen opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 496,- (zegge: vierhonderdzesennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

V. gelast dat de raad van de gemeente Maasdriel aan appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

a. € 331,00 (zegge: driehonderdeenendertig euro) voor [appellante sub 1] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

b. € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) voor [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, voorzitter, en mr. R.J.J.M. Pans en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, griffier.

w.g. Michiels w.g. Kegge

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2016

459-758.