Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:238

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-02-2016
Datum publicatie
03-02-2016
Zaaknummer
201505985/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:7017, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juli 2014 heeft de commissie een uitkering van € 1.830,- aan [appellant] toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505985/1/A2.

Datum uitspraak: 3 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], [gemeente],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 juni 2015 in zaak nr. 15/343 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2014 heeft de commissie een uitkering van € 1.830,- aan [appellant] toegekend.

Bij besluit van 5 december 2014 heeft de commissie het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 juni 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De commissie heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Met toestemming van partijen is afgezien van behandeling van de zaak ter zitting.

Overwegingen

Aanleiding

1. [appellant] is door [persoon A] met een vuurwapen beschoten en heeft daardoor letsel in zijn bovenarm opgelopen. De commissie heeft aan [appellant] een uitkering van € 1.830,-, toegekend. Zij acht aannemelijk dat hij het slachtoffer is geweest van een poging tot doodslag waarbij hij ernstig letsel opliep. Bij de vaststelling van de hoogte van de uitkering heeft de commissie een aftrek van 50% gehanteerd. Dit, omdat de toegebrachte schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan [appellant] is toe te rekenen. [appellant] en [persoon B] zouden enkele dagen voorafgaand aan het incident de confrontatie hebben gezocht met [persoon A] en geweld hebben gebruikt tegen [persoon A]. [appellant] en [persoon B] veronderstelden dat [persoon A] geld van [persoon B] had ontvreemd. De commissie heeft zich voor de feiten gebaseerd op het vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Den Haag (hierna: de strafrechter) van 8 juli 2013, waarbij [persoon A] is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.

De rechtbank

2. De rechtbank heeft overwogen dat de commissie zich in redelijkheid op het vonnis van de strafrechter heeft kunnen baseren, nu het niet aan de commissie is te treden in het feitenonderzoek. Uit het vonnis blijkt dat de lezing van de dader van de gebeurtenis die enkele dagen voorafgaand aan het schietincident heeft plaatsgevonden, wordt ondersteund door een getuigenverklaring. Deze omstandigheid kon de commissie in redelijkheid betrekken bij haar beoordeling of [appellant] een eigen aandeel had in het geweldsincident. De rechtbank is van oordeel dat de commissie in redelijkheid de gebeurtenis van enkele dagen voor het schietincident in zijn beoordeling kon betrekken. Dit, omdat uit het strafvonnis genoegzaam blijkt dat er een duidelijk verband bestaat tussen beide incidenten.

Hoger beroep

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de commissie in redelijkheid de gebeurtenis van enkele dagen voor het schietincident kon betrekken in haar oordeel over de vraag of [appellant] een eigen aandeel in het incident had. De gebeurtenissen zijn te ver van elkaar verwijderd en er kan geen causaal verband worden vastgesteld. Ook rechtvaardigt het door [appellant] gepleegde geweld, als het al heeft plaatsgevonden, niet de conclusie dat hij het risico heeft aanvaard met een pistool beschoten te worden.

3.1. Ingevolge artikel 5 van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (hierna: de Wsg) kan een uitkering achterwege blijven of op een geringer bedrag worden bepaald, indien de toegebrachte schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan het slachtoffer is toe te rekenen.

Ter nadere invulling van haar in de Wsg neergelegde bevoegdheid hanteert de commissie beleid. Dat beleid is neergelegd in de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven.

In paragraaf 1.5 van de Beleidsbundel is vermeld dat als sprake is van eigen aandeel in de schade, de commissie een aanvraag volledig kan afwijzen of de uitkering op een lager bedrag vaststellen. Als de commissie de uitkering op een lager bedrag vaststelt, kan zij 25%, 50% of 75% toekennen van de uitkering die de aanvrager had gekregen als hij geen eigen aandeel zou hebben gehad. Daarbij is het voorbeeld dat als de aanvrager als eerste geweld heeft gebruikt en de dader hier een gelijkwaardige reactie op heeft gegeven (proportioneel geweld van de dader), de commissie een aanvraag volledig afwijst. Als het geweld van de dader niet in verhouding staat tot wat de aanvrager te verwijten valt en het letsel van de aanvrager zeer ernstig is (disproportioneel geweld van de dader), is het uitgangspunt dat 50% van de uitkering wordt toegekend.

3.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de commissie bij de beoordeling of sprake is van een eigen aandeel van de aanvrager zich niet hoeft te beperken tot hetgeen is voorgevallen direct voorafgaande aan het schadeveroorzakend incident.

Op grond van de in het vonnis van de strafrechter vermelde feiten mocht de commissie ervan uitgaan dat [appellant] en [persoon B] enkele dagen voor het incident [persoon A] een auto hebben ingetrokken en hem hebben geslagen. Dit, omdat [persoon A] volgens [appellant] en [persoon B] geld van [persoon B] zou hebben gestolen. In dat vonnis is tevens vermeld dat zij met [persoon A] hebben afgesproken dat hij een deel van het geld aan [persoon B] zou betalen. Voorts blijkt uit dat vonnis dat [persoon B] en [appellant] kort voor het incident met [persoon A] hebben gebeld om een afspraak te maken over de tijd en plaats waarop het geld zou worden betaald. [persoon A] heeft op de afgesproken plaats eenmaal een vuurwapen gebruikt en is daarna weggerend.

Uit deze feiten blijkt genoegzaam dat [persoon A] geweld heeft gebruikt in reactie op het door [appellant] en [persoon B] gepleegde geweld en de door de op [persoon A] uitgeoefende druk om aan [persoon B] geld te betalen. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat er een zodanig verband bestaat tussen deze incidenten, dat de commissie zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aan [appellant] toegebrachte schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan hemzelf is toe te rekenen.

3.3. Dat het door [persoon A] gepleegde geweld niet in verhouding staat tot het geweld dat [appellant] heeft gepleegd, heeft de commissie onderkend. Zij heeft met inachtneming van paragraaf 1.5 van de Beleidsbundel immers de aanvraag van [appellant] niet geheel afgewezen, maar deze voor 50% toegekend, juist omdat het geweld van de dader niet in verhouding staat tot wat de aanvrager te verwijten valt. [appellant] heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de commissie van zijn beleidsregel moest afwijken.

3.4. Het betoog faalt.

Conclusie

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Dit betekent dat het besluit van de commissie waarbij aan [appellant] een uitkering van € 1.830,- is toegekend, in stand blijft.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, griffier.

w.g. Verheij w.g. Poot

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2016

362.