Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2368

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-08-2016
Datum publicatie
31-08-2016
Zaaknummer
201504458/4/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 april 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Bestemmingsplan gebiedsontwikkeling Deinum-Oost fase 1" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201504458/4/R4.

Datum uitspraak: 31 augustus 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Deinum, gemeente Menameradiel,

2. [appellant sub 2], wonend te Deinum, gemeente Menameradiel,

3. [appellant sub 3], wonend te Deinum, gemeente Menameradiel,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Menameradiel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 april 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Bestemmingsplan gebiedsontwikkeling Deinum-Oost fase 1" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 november 2015, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en de raad, vertegenwoordigd door mr. I van der Meer, advocaat te Leeuwarden, en S.M. Vrieswijk, werkzaam bij de provincie Fryslân, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 30 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:4050 heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 32 weken na verzending van deze tussenuitspraak het daarin geconstateerde gebrek in het besluit van 23 april 2015 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij brief van 28 april 2016 heeft de raad medegedeeld dat hij het gebrek heeft hersteld door de motivering van het bestreden besluit aan te vullen.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] zienswijzen naar voren gebracht over de wijze waarop het gebrek is hersteld.

De Afdeling heeft bepaald dat een verdere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de raad aanvankelijk voornemens was de bestaande verbinding voor voetgangers en fietsers van de Trekwei naar het centrum van het dorp Deinum te handhaven. De Afdeling overwoog dat de raad op dat voornemen terug mag komen, maar dat dat, gelet op de voorgeschiedenis en de gevolgen voor de bewoners van de Trekwei, wel een deugdelijke motivering behoeft, waarmee duidelijk wordt gemaakt hoe de betrokken belangen zijn gewogen, en dat de raad deze afweging van belangen niet inzichtelijk heeft gemaakt.

2. Ten aanzien van de stelling van de raad dat de realisatie van een fietsbrug aan een aantrekkelijk plan voor de ontwikkeling van het vrijgekomen gebied in de weg staat, heeft de Afdeling overwogen dat de raad niet duidelijk heeft gemaakt waarom de brug aan een aantrekkelijk plan in de weg staat.

2.1. De raad heeft ter nadere onderbouwing van zijn standpunt de impact op het landschap van enkele mogelijke varianten voor een fietsbrug laten testen door H+N+S landschapsarchitecten. Blijkens de rapportage van deze test, de "Studie fietsbrug Deinum" van 11 februari 2016, is gekeken naar een variant met een compacte helling in de oostelijke punt van het voorgenomen woonveld, en een variant met een langgerekte helling aan de kanaalzijde. Gelet op de vereiste hoogte van de brug zou volgens deze studie een helling van 300 meter lengte nodig zijn. Voor de compacte variant zouden zes voorgenomen bouwkavels moeten wijken. Voor de langgerekte helling langs de kanaalzijde zou één kavel moeten wijken. In beide gevallen zou de helling tot een grote beperking van het uitzicht vanaf de nieuw te ontwikkelen gronden leiden. Voorts heeft de raad gesteld dat de vaarwegbeheerder een minder ruimte kostende brug zoals een draaibrug door alleen accepteert als er binnen redelijke afstand geen andere oplossing is, dit vanwege de belemmeringen voor de scheepvaart die van een lage (draai)brug het gevolg zijn.

2.2. De Afdeling overwoog voorts dat de raad niet heeft toegelicht waarom het gestelde belang van een toeristische fietsroute via de brug bij Ritsumasyl zwaarder weegt dan het belang van de bewoners van de Trekwei bij het behoud van een korte route naar het dorp.

2.3. De raad heeft toegelicht dat deze keuze samenhangt met de aanleg van twee fietstunnels in dezelfde route, waardoor een doorgaande fietsroute ontstaat van Boksum via Ritsumasyl naar Marsum. Hiervoor zijn reeds forse investeringen gedaan. De route voert over een hooggelegen, slingerend traject over de Middelseedijk en is daarom aantrekkelijk voor fietsers. Met het oog op het stimuleren van recreatief fietsverkeer in de omgeving geniet de keuze van een fietsbrug bij Ritsumasyl volgens de raad dan ook sterke voorkeur. Aan deze omstandigheden heeft de raad meer gewicht toegekend dan aan de volgens de raad beperkte nadelen voor een vrij kleine groep bewoners.

2.4. De Afdeling overwoog voorts dat de raad zijn stelling dat een fietsbrug bij Ritsumasyl financieel gezien gunstiger is niet heeft onderbouwd.

2.5. De raad heeft de kosten van beide opties ten tijde van het bestreden besluit nader toegelicht. De raad verwijst ook naar de toelichting bij het besluit van 28 augustus 2014 om de brug niet bij Deinum maar bij Ritsumasyl te situeren. Daarin zijn deze kosten voor de raad uiteen gezet. Ten tijde van dit besluit werd door het laten vervallen van de fietsbrug bij Deinum en de keuze voor het herstellen van de bestaande brug bij Ritsumasyl 1.200.000 euro vrijgemaakt, die zijn ingezet voor een extra kwaliteitsimpuls voor het dorp Deinum.

2.6. De raad heeft voorts toegelicht dat hij bij de belangenafweging heeft betrokken dat aan de Trekwei slechts weinig huishoudens zijn gevestigd; in totaal betreft dit zo’n 25 personen. De verkeersbewegingen, zowel per fiets als met de auto, zijn vooral gericht op Leeuwarden, dat via verschillende routes te bereiken is, in alle gevallen een afstand van minder dan 10 km. Ter onderbouwing heeft de raad de verkeerskundige studie "Fietsbrug Ritsumasyl, Verkeerskundige beschouwing plan Deinum-Oost", van Buro DB, 16 februari 2016, overgelegd. Voor de route naar Leeuwarden maakt het niet uit of er een fietsbrug bij Deinum aanwezig is. Voorts heeft de raad bij de belangenafweging betrokken dat de bewoners van de Trekwei weliswaar een korte verbinding met Deinum verliezen, maar dat deze verbinding voor fietsers wel bijzonder oncomfortabel was, een pad langs de autoweg tussen twee vangrails, waar twee fietsers elkaar amper konden passeren, met een steile opgang die eigenlijk alleen voor voetgangers bedoeld was. De route via Ritsumasyl is weliswaar langer, maar op zich zowel per fiets als ook te voet (bijvoorbeeld door stagiaires van het bedrijf van [appellant sub 3]) goed en veilig te overbruggen.

2.7. Op grond van dit alles concludeert de raad dat het bestemmingsplan in stand kan blijven en niet hoeft te voorzien in (ruimte voor) een fietsbrug over het Van Harinxmakanaal.

3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad met zijn nadere toelichting en onderbouwing voldoende gemotiveerd waarom hij, gezien de landschappelijke, toeristische en financiële aspecten, heeft gekozen voor een brug bij Ritsumasyl en niet bij Deinum en hoe hij de belangen heeft gewogen. Gelet op deze motivering heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling deze keus in redelijkheid kunnen maken.

4. Hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] in hun zienswijzen naar voren hebben gebracht geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. De Afdeling overweegt daarover als volgt.

4.1. Voor zover zij stellen dat de bewoners van de Trekwei nooit bij de besluitvorming zijn betrokken en wijzen op een recente enquête waaruit volgens hen blijkt dat een meerderheid van de bewoners van Deinum een brug bij Deinum prefereert, overweegt de Afdeling dat uit de stukken blijkt dat om de verplaatsing van de brug is gevraagd door de Vereniging voor dorpsbelangen "De eendracht" Deinum en dat hierover meerdere malen in de raad en elders gesproken is. Ook kon hen uit publicaties bekend zijn dat dit onderwerp speelde. Gelet daarop konden ook de bewoners van de Trekwei op de hoogte zijn en initiatieven nemen om invloed op de besluitvorming uit te oefenen.

4.2. Voor zover zij het onterecht vinden dat geen variant voor een trap met een fietsgoot is onderzocht overweegt de Afdeling dat een dergelijke brug wellicht voor de bewoners van de Trekwei een oplossing kan zijn, maar dat een dergelijke brug als onderdeel van een comfortabele fietsroute niet voor de hand ligt. In aanmerking genomen dat het de bedoeling van onder meer de raad is een fietsroute voor recreatief fietsverkeer te realiseren behoefde een dergelijke brug dan ook niet als alternatief te worden onderzocht.

4.3. Voor zover zij stellen dat geen variant met oprit parallel aan het kanaal is onderzocht constateert de Afdeling dat H+N+S landschapsarchitecten een variant met een oprit langs het kanaal heeft bezien.

4.4. Voor zover zij stellen dat het financiële voordeel twijfelachtig is, omdat de brug bij Ritsumasyl inmiddels te slecht blijkt te zijn voor renovatie overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat deze omstandigheid bekend was toen de raad met het besluit van 4 augustus 2014 besloot de vrijgevallen middelen aan te wenden voor andere doeleinden. Provinciale staten van Fryslân hebben de middelen voor de verbouw van de brug bij Ritsumasyl toegekend bij de vaststelling van de uitvoeringsagenda in november 2015, zodat de raad deze ontwikkeling niet kon betrekken bij de voorbereiding en vaststelling van het bestreden bestemmingsplan.

4.5. Voor zover zij stellen dat ten onrechte wordt uitgegaan van een benodigde doorvaarthoogte van 7 meter en er op wijzen dat voor de brug bij Ritsumasyl een hoogte van 5,50 meter wordt aanvaard overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is dat de invloed van de brug op het landschap en de woningbouwmogelijkheden ter plekke van het nieuwe Deinum Oost heel veel anders zou zijn als met een wat lagere doorvaarthoogte rekening zou worden gehouden.

4.6. De Afdeling overweegt voorts dat [appellant sub 3] en [appellant sub 1] er terecht op hebben gewezen dat bij de weging van de belangen van de bewoners van de Trekwei niet alleen naar de huidige bevolkingssamenstelling mag worden gekeken, en dat gelet daarop de opmerking van de raad dat niet valt in te zien waarom de bereikbaarheid van de basisschool voor hen van belang is, dan ook geen gewicht in de schaal mag leggen. Evenwel ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat deze opmerking zo doorslaggevend is geweest bij de belangenafweging dat deze afweging daarom ondeugdelijk zou zijn.

5. Gelet op hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak berust het besluit van 23 april 2015 niet op een deugdelijke motivering. De beroepen zijn gegrond. Het bestreden besluit dient vernietigd te worden. Gelet op de aanvullingen van de raad is het gebrek evenwel hersteld en is het besluit alsnog voorzien van een deugdelijke motivering. De Afdeling zal daarom bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. Dat de rechtsgevolgen in stand blijven betekent dat het "Bestemmingsplan gebiedsontwikkeling Deinum-Oost fase 1" van kracht blijft en uitgevoerd kan worden.

6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van 23 april 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Bestemmingsplan gebiedsontwikkeling Deinum-Oost fase 1"

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Menameradiel aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) voor [appellant sub 1], € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) voor [appellant sub 2] en € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) voor [appellant sub 3] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Postma, griffier.

w.g. Kranenburg w.g. Postma

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2016

539.