Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2365

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-08-2016
Datum publicatie
31-08-2016
Zaaknummer
201601235/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 december 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1]" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/885
Milieurecht Totaal 2016/6428

Uitspraak

201601235/1/R1.

Datum uitspraak: 31 augustus 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Schoorl, gemeente Bergen NH,

en

de raad van de gemeente Bergen NH,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 december 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1]" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juli 2016, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door drs. S. Plezier, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Het bestemmingsplan

1. Het bestemmingsplan voorziet in de oprichting van een nieuw bedrijfsgebouw op het perceel [locatie 1] ten behoeve van de verplaatsing van een doe-het-zelf-zaak, waarbij onder meer wordt voorzien in de opslag, verkoop en distributie van consumentenvuurwerk tot een maximum van 10.000 kg. Het beroep van [appellant] is gericht tegen de voorziene opslag van consumentenvuurwerk op het perceel [locatie 1] te Schoorl.

Toetsingskader

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep

Formele aspecten

3. [appellant] stelt dat hij vanwege gezondheidsklachten verhinderd was om op de raadsvergadering zijn zienswijze nader toe te lichten. Voor zover [appellant] in dit verband betoogt dat hij derhalve in strijd met de wet niet is gehoord op de raadsvergadering, overweegt de Afdeling dat geen wettelijke verplichting bestaat de indieners van zienswijzen in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Gelet hierop faalt het betoog van [appellant].

4. [appellant] betoogt dat zijn aanvullende zienswijze van 7 december 2015 ten onrechte niet door de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan is betrokken.

4.1. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad. De termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is geëindigd op 5 augustus 2015. [appellant] heeft zijn zienswijze binnen deze termijn naar voren gebracht. Niet in geschil is dat zijn aanvullende zienswijze buiten de daarvoor geldende termijn van artikel 3:16, eerste lid, van de Awb is ingediend. De aanvullende zienswijze heeft betrekking op hetzelfde plandeel dat [appellant] in zijn tijdig naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden en kan derhalve als een nadere motivering worden aangemerkt. Er is geen rechtsregel die zich ertegen verzet dat een zienswijze na afloop van de termijn nader wordt gemotiveerd. Een uitzondering hierop kan worden gemaakt voor de situatie dat het bestuursorgaan de nadere motivering, gelet op de datum van de indiening, in redelijkheid niet meer behoeft te betrekken bij de besluitvorming.

4.2. De raad stelt zich op het standpunt dat [appellant] de aanvullende zienswijze dusdanig laat heeft ingediend, dat deze redelijkerwijs niet meer in de besluitvorming tot vaststelling van het bestemmingsplan kon worden betrokken. De Afdeling acht dit standpunt van de raad in het onderhavige geval niet onredelijk. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat niet in geschil is dat [appellant] de aanvullende zienswijze pas op 8 december 2015 bij de raad heeft ingediend, terwijl de besluitvorming op 10 december 2015 plaatsvond. Gelet hierop faalt het betoog van [appellant].

Inhoudelijke aspecten

5. [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte heeft voorzien in de opslag van consumentenvuurwerk op het perceel [locatie 1]. Hiertoe voert [appellant] aan dat de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt in hoeverre hij de belangen van omwonenden bij een veilig woon- en leefklimaat bij zijn besluitvorming heeft betrokken.

Zo heeft de raad in dat verband geen alternatieve locaties voor de opslag van consumentenvuurwerk onderzocht.

Voorts is onduidelijk waarom in de planregels geen veiligheidsmaatregelen zijn opgenomen ter voorkoming van ontbranding of ontploffing. Evenmin is inzichtelijk gemaakt waarom geen regels zijn opgenomen ter beperking van de schade voor omwonenden, bijvoorbeeld door in de planregels de opslag en verkoop van consumentenvuurwerk te beperken tot de maand december, aldus [appellant].

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat - ondanks de voorziene opslag van consumentenvuurwerk op het perceel [locatie 1] - een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het perceel van [appellant] aan de [locatie 2] gewaarborgd is. Hiertoe voert de raad aan dat wordt voldaan aan de richtafstanden die worden aanbevolen in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" (hierna: de VNG-brochure) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Daarnaast wijst de raad op het advies van de Regionale Uitvoeringsdienst waaruit volgt dat - gelet op het woon- en leefklimaat van omwonenden - geen belemmeringen bestaan om in het plangebied consumentenvuurwerk op te slaan en te distribueren.

5.2. Aan het perceel [locatie 1] zijn de bestemming "Detailhandel" en de aanduiding "specifieke vorm van detailhandel - doe-het-zelfzaak" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, zijn de voor "Detailhandel" aangewezen gronden bestemd voor:

a. een doe-het-zelfzaak ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - doe-het-zelfzaak' met daaraan ondergeschikt: servicedienst voor onder andere slijpwerk, reparaties en onderhoud van producten die in een doe-het-zelfzaak gekocht kunnen worden;

b. opslag, verkoop en distributie van consumentenvuurwerk tot een maximum van 10.000 kg.

5.3. Ter zitting heeft [appellant] desgevraagd toegelicht dat hij ter behartiging van zijn eigen woon- en leefklimaat beroep heeft ingesteld. [appellant] woont aan de [locatie 2] op ongeveer 70 m afstand van het plangebied. De aanbevolen richtafstand uit de VNG-brochure voor een groothandel voor minder dan 10.000 kg consumentenvuurwerk (SBI-2008 code 46499.1) bedraagt minimaal 30 m. De richtafstand voor een groothandel in 10.000 tot 50.000 kg consumentenvuurwerk (SBI-2008 code 46499.2) bedraagt minimaal 50 m. Gelet hierop wordt ten aanzien van de woning van [appellant] ruimschoots voldaan aan de minimaal aanbevolen richtafstand van 50 m in de VNG-brochure voor de opslag van maximaal 10.000 kg consumentenvuurwerk.

5.3.1. Voor zover [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte geen veiligheidsvoorschriften omtrent de opslag van consumentenvuurwerk in de planregels heeft opgenomen, overweegt de Afdeling dat in het Vuurwerkbesluit veiligheidsvoorschriften zijn opgenomen omtrent de opslag van consumentenvuurwerk. De raad heeft ter zitting toegelicht dat daarmee de veiligheid van omwonenden is gewaarborgd en dat hij derhalve de opname van extra veiligheidsvoorschriften in de planregels niet noodzakelijk acht. De Afdeling acht dit standpunt van de raad niet onredelijk. [appellant] heeft niet bestreden dat op het perceel [locatie 1] kan worden voldaan aan de wettelijke veiligheidseisen die in het Vuurwerkbesluit worden gesteld aan de opslag van consumentenvuurwerk. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van de opname van nadere regels die zien op de veiligheid van de opslag van consumentenvuurwerk in de planregels. Het betoog faalt.

5.3.2. Naar aanleiding van het betoog van [appellant] dat de opslag en verkoop van consumentenvuurwerk in de planregels had moeten worden beperkt tot de maand december, heeft de raad ter zitting toegelicht dat hij een dergelijke maatregel, mede gelet op de eisen die in het Vuurwerkbesluit aan de opslag en de verkoop van consumentenvuurwerk worden gesteld, niet noodzakelijk acht. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Het betoog faalt.

5.3.3. Wat betreft het betoog van [appellant] dat de raad heeft nagelaten te bezien of de opslag van consumentenvuurwerk op een alternatieve locatie kan plaatsvinden, overweegt de Afdeling dat de raad bij de keuze van een bestemming een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de betrokken doe-het-zelf zaak thans in het centrum van Schoorl gevestigd is, doch dat vanwege het ontbreken van uitbreidingsmogelijkheden gezocht werd naar een andere locatie binnen de gemeente.

Het plangebied - een inmiddels braakliggend terrein aan de rand van het centrum waar voorheen een wijkcentrum gevestigd was - acht de raad daarvoor het meest aangewezen, onder meer vanwege de bestaande omliggende bedrijfsfuncties. De Afdeling acht dit niet onredelijk.

Voor zover [appellant] nog heeft gewezen op een alternatieve locatie voor de opslag van vuurwerk nabij het tuincentrum voorbij de brug over het Noordhollandsch Kanaal, is ter zitting vast komen te staan dat deze locatie buiten de gemeente Bergen ligt. Nu het gaat om de verplaatsing van een bestaand bedrijf dat reeds sinds lange tijd in de gemeente gevestigd is waarvoor volgens de raad en de betrokken doe-het-zelf zaak een geschikte uitbreidingslocatie binnen de gemeente aanwezig is, heeft de raad de door [appellant] aangehaalde locatie buiten de gemeente niet als alternatief aangemerkt. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

Voor zover [appellant] verder heeft aangevoerd dat de opslag van vuurwerk kan plaatsvinden in het weiland ver verwijderd van het woongebied van Schoorl, overweegt de Afdeling dat [appellant] met dit betoog geen concreet alternatief heeft aangedragen, zodat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de besluitvorming in zoverre onzorgvuldig is verlopen.

Het betoog faalt.

5.3.4. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen voorzien in de opslag van maximaal 10.000 kg consumentenvuurwerk op het perceel [locatie 1]. Het betoog faalt.

Conclusie

6. Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Stoof, griffier.

w.g. Uylenburg w.g. Stoof

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2016

749.