Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:236

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-02-2016
Datum publicatie
03-02-2016
Zaaknummer
201503923/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2015:1858, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 december 2013 heeft het college een aanvraag van [appellante] om haar ontheffing te verlenen voor het innemen van een ligplaats aan de [locatie] te Deventer, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JG 2016/15 met annotatie van ing. W. Vos
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503923/1/A3.

Datum uitspraak: 3 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Deventer,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 14 april 2015 in zaak nr. 14/1377 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Deventer.

Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2013 heeft het college een aanvraag van [appellante] om haar ontheffing te verlenen voor het innemen van een ligplaats aan de [locatie] te Deventer, afgewezen.

Bij besluit van 21 mei 2014 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 april 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 januari 2016, waar het college, vertegenwoordigd door A.I. Duivenvoorde, werkzaam bij de gemeente en G.S. Groenveld, havenmeester, is verschenen.

Overwegingen

1. [appellante] heeft op 31 mei 2013 een woonschip gekocht, gelegen aan de [locatie] te Deventer (hierna: de ligplaats). Bij brief van 25 september 2013 heeft zij het college verzocht om op grond van artikel 5:25 van de Algemene plaatselijke verordening Deventer (hierna: APV) aan haar ontheffing te verlenen voor het innemen van deze ligplaats.

2. Het college heeft aan zijn besluiten van 17 december 2013 en 21 mei 2014 het volgende ten grondslag gelegd. Het woonschip was voorheen in eigendom van [vorige eigenaar]. Aan hem is als eigenaar van het woonschip op 9 juni 2006 ontheffing verleend voor het innemen van de ligplaats. Voor zover [vorige eigenaar] eigenaar of huurder is van het woonschip zal aan hem geen nieuwe ontheffing worden verleend nu in het verleden hennep-gerelateerde activiteiten in het woonschip hebben plaatsgevonden. Het college was voornemens de aan [vorige eigenaar] verleende ontheffing in te trekken, maar deze procedure is stopgezet nadat [vorige eigenaar] had medegedeeld het woonschip te zullen verkopen. Uit de door [appellante] overgelegde koopovereenkomst volgt dat zij het woonschip heeft gekocht van [zoon], de zoon van [vorige eigenaar]. Hieruit volgt volgens het college dat het woonschip tussentijds van eigenaar is veranderd zonder dat [zoon] een ontheffing voor het innemen van een ligplaats heeft aangevraagd. Dit had wel gemoeten nu een ontheffing op grond van de APV een persoonsgebonden karakter heeft. Volgens het college wordt een ontheffing om ligplaats in te nemen over het algemeen verleend aan de opvolgende eigenaar van het woonschip, derhalve indien zich voortgezet gebruik voordoet. Nu deze situatie zich hier niet voordoet, daar de ontheffing aan [vorige eigenaar] en niet aan [zoon] was verleend, maakt [appellante] geen aanspraak op een ontheffing en dient haar aanvraag te worden afgewezen, aldus het college.

3. De rechtbank heeft overwogen dat het beroep van [appellante] beperkt is tot de vraag of het college terecht heeft aangenomen dat zich geen voortgezet gebruik van de ligplaats voordoet en of het college in strijd met het verbod van détournement de pouvoir heeft gehandeld. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat het college gelet op de koopovereenkomst mocht aannemen dat [appellante] het woonschip van [zoon] heeft gekocht en dat zich reeds daarom geen voortgezet gebruik voordoet. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het college niet heeft gehandeld in strijd met het verbod van détournement de pouvoir. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat de omstandigheid dat de drank- en horecavergunning en de exploitatievergunning voor een elders gevestigde horeca-inrichting van [appellante] zijn ingetrokken van betekenis is geweest voor de afwijzing van haar aanvraag.

4. [appellante] betoogt dat het niet van belang is van wie zij het woonschip heeft gekocht. Volgens haar heeft zij als rechtmatige rechtsopvolger het woonschip van een rechtmatige eigenaar gekocht. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellante] aldus dat zij betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het overnemen van een woonschip van iemand die niet over een ontheffing beschikt, geen weigeringsgrond oplevert om de ontheffing niet te verlenen.

4.1. Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de APV is het verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen. Ingevolge het tweede lid, onder a, kan het college binnen door het college aangewezen gebieden ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid tot maximaal het daarbij aangewezen aantal ligplaatsen voor woonschepen. Ingevolge het derde lid kan het college de ontheffing voor het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats weigeren dan wel aan de ontheffing en/of in het aanwijzingsbesluit als bedoeld in het tweede lid, onder a, voorschriften verbinden en aanwijzingen geven:

a. in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente;

b. ten aanzien van de exacte plaats, soort en afmetingen alsmede met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats. Ingevolge het vierde lid weigert het college de ontheffing ingeval het innemen van een ligplaats in strijd is met een geldend bestemmingsplan.

4.2. Zoals onder 3 is vermeld, heeft het college aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat [appellante] het woonschip heeft overgenomen van iemand die niet over een ontheffing beschikt. Hierdoor maakt [appellante] volgens het college geen aanspraak op een ontheffing. De Afdeling stelt vast dat deze weigeringsgrond niet in de APV is opgenomen. Voorts is niet gebleken dat het college ten aanzien van woonschepen een uitsterfbeleid voert of dat er anderszins beleid is waarin deze weigeringsgrond is opgenomen. Het college heeft ter zitting bij de Afdeling desgevraagd niet kunnen verklaren waarop deze weigeringsgrond is gebaseerd. Gelet hierop betoogt [appellante] terecht dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat het overnemen van een woonschip van iemand die niet over een ontheffing beschikt, geen grond oplevert om de aanvraag voor een ontheffing af te wijzen. Het betoog slaagt.

5. Ter zitting bij de Afdeling heeft het college nog verklaard dat een nieuwe ontheffing vermoedelijk zal worden geweigerd nu de staat van het woonschip het aanzien van de gemeente schaadt en voorts vermoedens bestaan dat [appellante] omgaat met mensen die zich bezighouden met hennep-gerelateerde activiteiten. Nu dit buiten de omvang van het geding valt, laat de Afdeling dit buiten beschouwing.

6. Het hoger beroep is gegrond. Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 21 mei 2014 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Het college dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

7. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

8. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 14 april 2015 in zaak nr. 14/1377;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Deventer van 21 mei 2014, kenmerk JZI/380077;

IV. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Deventer tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 992,00

(zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Deventer aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 413,00 (zegge: vierhonderddertien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.

w.g. Michiels w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2016

176-818.