Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2355

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-08-2016
Datum publicatie
31-08-2016
Zaaknummer
201409143/2/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:8006, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 augustus 2012 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een schotelantenne op het perceel [locatie] te Oudenhoorn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201409143/2/A1.

Datum uitspraak: 31 augustus 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Oudenhoorn, gemeente Nissewaard,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 oktober 2014 in zaak nr. 13/5577 in het geding tussen:

[appellant],

en

het college van burgemeester en wethouders van Bernisse, thans gemeente Nissewaard.

Procesverloop

Bij besluit van 23 augustus 2012 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een schotelantenne op het perceel [locatie] te Oudenhoorn.

Bij besluit van 16 juli 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 oktober 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 16 juli 2013 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 17 november 2014 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 23 augustus 2012 gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 23 augustus 2012 ingetrokken en aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een schotelantenne op voornoemd perceel.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Icees Sevices Center B.V. een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college en [appellant] hebben nog nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting, samen met zaak nr. 201409142/1/A1, behandeld op 21 augustus 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. A.P. Cornelissen en mr. R.M. Königel, beiden advocaat te Middelharnis, en ir. G.W. Lassche, werkzaam bij Peutz B.V, en het college, vertegenwoordigd door R.J. de Boer, L. van Houwelingen en A. Voogt-Surstedt, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Icees, vertegenwoordigd door [vergunninghouder], bijgestaan door mr. S.D. van Reenen, gehoord.

Bij tussenuitspraak van 16 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3865, heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het gebrek in het besluit van 17 november 2014 te herstellen. De tussenuitspraak is aangehecht.

Bij beschikking van 19 februari 2016 heeft de Afdeling de bij de tussenuitspraak bepaalde termijn verlengd tot en met 9 maart 2016.

Bij besluit van 9 maart 2016 heeft het college het besluit van 17 november 2014 gewijzigd in die zin dat de motivering ervan is aangevuld.

[appellant] heeft een zienswijze ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft het college een schriftelijke reactie gegeven.

De Afdeling heeft bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Het bouwplan voorziet in de plaatsing van een schotelantenne op het achterterrein van het perceel. De schotelantenne staat ten dienste van de bedrijfsvoering van het ter plaatse gevestigde bedrijf van Icees, dat satellietsystemen vervaardigt voor de offshore-industrie.

2. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak van 16 december 2015 met verwijzing naar haar uitspraak van dezelfde datum, ECLI:NL:RVS:2015:3866, overwogen dat in het besluit van 17 november 2014 niet toereikend is gemotiveerd dat de invloed van het bedrijf Icees op de omgeving vergelijkbaar is met een bedrijf in categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.

De Afdeling heeft het college in de tussenuitspraak opgedragen om het besluit van 17 november 2014 te herstellen door met inachtneming van rechtsoverweging 6.2 van de tussenuitspraak het besluit alsnog toereikend te motiveren.

3. Het college heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak bij besluit van 9 maart 2016 het besluit van 17 november 2014 gewijzigd in die zin dat de motivering ervan is aangevuld. Het college heeft zich op basis van een door DCMR ter plaatse van het bedrijf verricht akoestisch onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in de notitie "Icees-Tweede aanvulling akoestisch onderzoek" van 8 maart 2016, op het standpunt gesteld dat uit het nader onderzoek is gebleken dat de geluidproductie van het bedrijf zodanig is dat Icees wat betreft de invloed op de omgeving kan worden aangemerkt als een bedrijf behorende tot milieucategorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.

4. Dit besluit wordt gelet op artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in verbinding met artikel 6:24 van die wet, geacht onderwerp te zijn van dit geding.

5. De door [appellant] tegen dit besluit ingebrachte zienswijze is gelijkluidend aan de door [partij] ingebrachte zienswijze in zaak nr. 201409142/2/A1. Bij uitspraak van heden, ECLI:NL:RVS:2016:2341, heeft de Afdeling overwogen dat het in die zaak in de zienswijze aangevoerde betoog van [partij] faalt. Nu de zienswijzen gelijkluidend zijn, wordt volstaan met verwijzing naar hetgeen de Afdeling in voormelde uitspraak van heden heeft overwogen. De overwegingen in die uitspraak worden geacht deel uit te maken van de onderhavige uitspraak.

6. Gelet op vorenstaande heeft het college in het besluit van 9 maart 2016 voldoende gemotiveerd dat de invloed van het bedrijf van Icees op de omgeving vergelijkbaar is met een bedrijf in categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Het college was derhalve bevoegd gebruik te maken van de in artikel 4, zesde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan opgenomen mogelijkheid om in afwijking van het bestemmingsplan omgevingsvergunning voor de schotelantenne te verlenen.

7. Gelet op hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, is het hoger beroep gegrond en is tevens het beroep van rechtswege van [appellant] tegen het besluit van 17 november 2014 gegrond. Dit besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het beroep van rechtswege van [appellant] tegen het besluit van 9 maart 2016 is ongegrond.

8. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. De kosten in verband met het opstellen van een deskundigenrapport zijn betrokken in de proceskostenveroordeling in voormelde uitspraak van heden, ECLI:NL:RVS:2016:2341.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bernisse, thans Nissewaard van 17 november 2014 gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bernisse, thans Nissewaard van 17 november 2014, kenmerk 14.0014160;

IV. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nissewaard van 9 maart 2016 ongegrond;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Nissewaard tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1240,00 (zegge: twaalfhonderdveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Nissewaard aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 246,00 (zegge: tweehonderdzesenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Deen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2016

604.