Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2348

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-08-2016
Datum publicatie
31-08-2016
Zaaknummer
201506454/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 februari 2014 heeft het college de kosten van op 18 november 2013 toegepaste spoedeisende bestuursdwang ten bedrage van € 1.144,39 op [appellant sub 2] verhaald.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Huisvestingswet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/881
BA 2016/226

Uitspraak

201506454/1/A3.

Datum uitspraak: 31 augustus 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 juli 2015 in zaak nr. 14/6414 in het geding tussen:

[appellant sub 2]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2014 heeft het college de kosten van op 18 november 2013 toegepaste spoedeisende bestuursdwang ten bedrage van € 1.144,39 op [appellant sub 2] verhaald.

Bij besluit van 4 maart 2014 heeft het college [appellant sub 2] een boete van € 4.000,00 opgelegd wegens overtreding van de artikelen 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet (hierna: de Hw) en 3.1.2 van de Huisvestingsverordening aangewezen gebieden Rotterdam (hierna: de Bij besluit van 6 augustus 2014 heeft het college het door [appellant sub 2] tegen deze besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 juli 2015 heeft de rechtbank het tegen het besluit van 6 augustus 2014 door [appellant sub 2] ingestelde beroep ongegrond verklaard voor zover dat besluit betrekking heeft op het besluit van 13 februari 2014. Voorts heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard voor zover het besluit van 6 augustus 2014 betrekking heeft op het besluit van 4 maart 2014, het besluit van 6 augustus 2014 in zoverre vernietigd, het besluit van 4 maart 2014 herroepen wat de hoogte van de boete betreft, de hoogte van de boete op € 2.000,00 vastgesteld en bepaald dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juni 2016, waar het college, vertegenwoordigd door mr. C.W. de Jong, werkzaam bij de gemeente Rotterdam, en [appellant sub 2], bijgestaan door mr. M.G.P. Glas, advocaat te Gouda, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op 18 november 2013 heeft het college spoedeisende bestuursdwang toegepast in de vorm van ontmanteling van een hennepkwekerij in de woning aan de [locatie] te Rotterdam. Volgens het college was [appellant sub 2] op dat moment de huurder van de woning. Daarom heeft het bij het besluit van 13 februari 2014 de kosten van de toegepaste bestuursdwang op haar verhaald en haar bij het besluit van 4 maart 2014 een boete opgelegd wegens het in strijd met de artikelen 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Hw en 3.1.2 van de Verordening zonder vergunning onttrekken van de woning aan de bestemming tot woonruimte. Bij het bepalen van de hoogte van de boete is uitgegaan van bedrijfsmatige exploitatie en is een boete van € 4.000,00 vastgesteld.

De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant sub 2] terecht is aangemerkt als overtreder maar dat ten onrechte voor het bepalen van de hoogte van de boete is uitgegaan van bedrijfsmatige exploitatie. De rechtbank heeft de boete vastgesteld op € 2.000,00.

2. Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Hw, zoals dat luidde ten tijde van belang, is het verboden een woonruimte die behoort tot een door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening daartoe met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad aangewezen categorie, zonder vergunning van burgemeester en wethouders aan de bestemming tot bewoning te onttrekken, of voor een zodanig gedeelte aan die bestemming te onttrekken, dat die woonruimte daardoor niet langer geschikt is voor bewoning door een huishouden van dezelfde omvang als waarvoor deze zonder zodanige onttrekking geschikt is.

3. [appellant sub 2] stelt in hoger beroep dat zij ten onrechte is aangemerkt als overtreder omdat zij vanaf mei 2013 in Gouda woont en ten tijde van de overtreding geen huurder meer van de woning was. Verder stelt [appellant sub 2] in hoger beroep dat het oordeel van de rechtbank er op neer komt dat voor de huurder van een pand een soort risico-aansprakelijkheid ontstaat als deze als overtreder wordt aangemerkt in het geval hij niet weet dat het gehuurde pand wordt gebruikt als hennepkwekerij. Volgens [appellant sub 2] is dit oordeel daarom onjuist.

3.1. [appellant sub 2] is terecht aangemerkt als overtreder in de zin van artikel 5:25 van de Awb van het verbod op het onvergund onttrekken van woonruimte. De omstandigheid dat zowel het huurcontract als het energiecontract ten tijde van de overtreding op naam van [appellant sub 2] stonden, rechtvaardigt in dit geval het door [appellant sub 2] te ontzenuwen vermoeden dat zij destijds huurder was. Zij is daarin niet geslaagd. De door haar gestelde omstandigheid dat zij haar administratie niet op orde had, moet voor haar rekening blijven.

De rechtbank heeft verder terecht verwezen naar de vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer ECLI:NL:RVS:2015:288) waaruit volgt dat ook degene die de overtreding niet feitelijk heeft begaan maar aan wie de handeling is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk kan worden gehouden. In de genoemde uitspraak is geoordeeld dat daarbij van belang is dat van een eigenaar die een pand verhuurt mag worden gevergd dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik dat van het door hem verhuurde pand wordt gemaakt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om hier anders over te denken in het geval het gaat om een huurder van een pand die stelt dat de overtreding is veroorzaakt door handelingen van derden, omdat ook van een huurder gevergd mag worden dat hij zicht heeft op de wijze van gebruik van de door hem gehuurde woning.

De betogen van [appellant sub 2] falen.

3.2. Het hoger beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

4. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte de boete heeft vastgesteld op de hoogte die geldt voor een niet-bedrijfsmatige overtreding van € 2.000,00. Volgens het college is de exploitatie van een hennepkwekerij naar zijn aard bedrijfsmatig zodat de boete terecht op de hoogte die geldt voor een bedrijfsmatige overtreding van € 4.000,00 is vastgesteld.

4.1. Ingevolge artikel 85a van de Hw kan de gemeenteraad bij verordening bepalen dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd ter zake van de overtreding van artikel 30, eerste lid. Het college is bevoegd tot het opleggen van een bestuurlijke boete.

Ingevolge het tweede lid kan de bestuurlijke boete voor overtreding van artikel 30, eerste lid, niet hoger zijn dan € 18 500.

Ingevolge het derde lid stelt de gemeenteraad bij verordening het bedrag vast van de bestuurlijke boete die voor de verschillende overtredingen kan worden opgelegd.

Ingevolge tabel 2 bij de Huisvestingsverordening aangewezen gebieden Rotterdam bedraagt de hoogte van de boete voor de eerste overtreding van het verbod van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Hw: € 2.000,00. De hoogte van de boete voor deze overtreding vanuit een bedrijfsmatige exploitatie bedraagt: € 4.000,00.

Volgens het in de Beleidsnotitie bestuurlijke boete Huisvestingswet Rotterdam 2013 (hierna: de Beleidsnotitie) opgenomen beleid worden overtredingen die vanuit een bedrijfsmatige exploitatie worden begaan zwaarder beboet. Indien de overtreder vier of meer woonruimten verhuurt, wordt aangenomen dat sprake is van bedrijfsmatige exploitatie. Bij woonruimteonttrekking ten behoeve van een hennepkwekerij is altijd sprake van bedrijfsmatige exploitatie.

4.2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat ten onrechte het boetebedrag voor een overtreding vanuit bedrijfsmatige exploitatie van € 4.000,00 is opgelegd. De rechtbank heeft de boete vastgesteld op € 2.000,00 en heeft hierbij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:288). In deze uitspraak heeft de Afdeling de hoogte van een aan een woningeigenaar wegens overtreding van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Hw opgelegde boete verminderd tot het boetebedrag voor niet-bedrijfsmatige exploitatie. Hieraan heeft de Afdeling ten grondslag gelegd dat het onttrekken van woonruimte voor een hennepkwekerij weliswaar als bedrijfsmatige overtreding is aan te merken, maar dat de desbetreffende eigenaar als particuliere verhuurder niet zonder meer als bedrijfsmatige overtreder kan worden aangemerkt indien hem geen daadwerkelijke betrokkenheid bij de hennepkwekerij wordt verweten. Hierbij heeft de Afdeling van belang geacht dat de gemeentelijke wetgever onderscheid tussen particuliere en commerciële overtreders wil maken.

De rechtbank heeft, onder verwijzing naar deze uitspraak, in de omstandigheden van het geval aanleiding gezien voor het oordeel dat het college het beleid in redelijkheid niet zo heeft kunnen toepassen, dat ook de bedrijfsmatigheid van het exploiteren van een hennepkwekerij wordt toegerekend aan [appellant sub 2], nu zij in het particulier huren van de woning niet bedrijfsmatig heeft gehandeld.

4.3. Het hoger beroep van het college ziet op de toepassing van het in de Beleidsnotitie opgenomen boetebeleid waarin is bepaald dat bij woonruimteonttrekking ten behoeve van een hennepkwekerij altijd sprake is van bedrijfsmatige exploitatie. In de verordening zijn de boetebedragen vastgesteld en daarbij is onderscheid gemaakt tussen een overtreding vanuit bedrijfsmatige en een overtreding vanuit niet-bedrijfsmatige exploitatie in die zin dat deze laatste categorie lager wordt beboet. Voor zover uit het weergegeven boetebeleid volgt dat bij een hennepkwekerij in een woning in alle gevallen zonder meer ervan wordt uitgegaan dat de particulier huurder van die woning de bedrijfsmatige exploitatie van de aangetroffen hennepkwekerij kan worden toegerekend, acht de Afdeling dit beleid in zoverre niet redelijk.

4.4. Bij het bestreden besluit heeft het college dit beleidsuitgangspunt toegepast en is de overtreding aangemerkt vanuit een bedrijfsmatige exploitatie. Het college heeft [appellant sub 2] de overtreding verweten in haar hoedanigheid als particuliere huurder.

Zoals de rechtbank heeft vastgesteld wordt [appellant sub 2] in dit geval niet verweten zelf de hennepkwekerij te hebben geëxploiteerd. Zij wordt, zoals hiervoor in 3.1. al is overwogen, verantwoordelijk gehouden voor door derden in de woning verrichte bedrijfsmatige exploitatie van een hennepkwekerij.

De Afdeling stelt vast dat [appellant sub 2] de woning als particulier heeft gehuurd en die woning voorafgaand aan de periode dat zich hierin een hennepkwekerij bevond zelf heeft bewoond.

Hoewel de exploitatie van de aangetroffen hennepkwekerij in de woning een bedrijfsmatig karakter niet kan worden ontzegd en als onttrekking van woonruimte is aan te merken, kan [appellant sub 2] als particuliere huurder zonder nadere feitelijke gegevens omtrent haar betrokkenheid bij de hennepkwekerij, die ontbreken, de bedrijfsmatige exploitatie er van niet worden toegerekend. De rechtbank heeft daarom terecht het bestreden besluit vernietigd voor zover dit ziet op de boetehoogte en terecht de hoogte van de boete vastgesteld op het bij een eerste overtreding voor niet-bedrijfsmatige exploitatie geldende bedrag van € 2.000,00.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep van het college is ongegrond.

6. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. Het college moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 496,00 (zegge: vierhonderdzesennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam een griffierecht van € 497,00 (zegge: vierhonderdzevenennegentig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. R.J. Koopman, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, griffier.

w.g. Van Ettekoven w.g. Langeveld-Mak

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2016

317.