Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2347

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-08-2016
Datum publicatie
31-08-2016
Zaaknummer
201601308/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:1330, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juli 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) ten behoeve van de functie van steigeroperator bij SGS Nederland B.V. afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201601308/1/A3.

Datum uitspraak: 31 augustus 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 februari 2016 in zaak nr. 15/7421 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 30 juli 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) ten behoeve van de functie van steigeroperator bij SGS Nederland B.V. afgewezen.

Bij besluit van 9 oktober 2015 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 februari 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 augustus 2016, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. N. Roos, advocaat te Rotterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. D.D. van Milt, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant] heeft een aanvraag om afgifte van een VOG ingediend omdat hij de functie van steigeroperator in de Rotterdamse haven wil uitoefenen. Uit de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: de Wjsg) volgt dat een VOG een verklaring is dat uit een onderzoek naar het gedrag van de aanvrager, waarbij op hem betrekking hebbende justitiële gegevens worden betrokken, niet is gebleken van bezwaren tegen hem. Daarbij wordt het risico voor de samenleving in verband met de functie waarvoor de VOG is aangevraagd en het belang van de aanvrager in aanmerking genomen. De minister van Veiligheid van Justitie heeft voor het beoordelen van aanvragen om afgifte van een VOG beleidsregels opgesteld.

Volgens paragraaf 3 van de Beleidsregels 2013 voor het beoordelen van aanvragen ter verkrijging van een VOG van natuurlijke personen en rechtspersonen (Stcrt. 2013, 5409; hierna: de Beleidsregels) wordt, wanneer een aanvrager in het Justitieel Documentatiesysteem (hierna: het JDS) voorkomt, de beoordeling of een VOG kan worden afgegeven verricht aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die over de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd. Het subjectieve criterium ziet op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving bij deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een weigering van de afgifte van de VOG. Omstandigheden van het geval die altijd bij de beoordeling van het subjectieve criterium worden betrokken zijn de afdoening van de strafzaak, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten.

2. Aan het besluit van 9 oktober 2015 heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat op naam van [appellant] in het JDS zijn geregistreerd:

I. Een veroordeling van 23 april 2014 wegens poging tot afpersing tot een werkstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarde zich te gedragen naar de aanwijzingen van de hulpverlenende instantie;

II. Een onherroepelijke veroordeling van 21 maart 2014 tot een werkstraf van 50 uren, subsidiair 25 dagen voorwaardelijke hechtenis met een proeftijd van twee jaren, wegens drie gevallen van bemoeilijken herkenning kenteken en drie gevallen van diefstal;

III. Een veroordeling van 14 juni 2012 tot een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, subsidiair 50 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarde zich te gedragen naar de aanwijzingen van de hulpverlenende instantie, wegens meermalen gepleegd diefstal, diefstal in vereniging en diefstal in vereniging met braak. Daarnaast zijn maatregelen van schadevergoeding opgelegd van € 75,00 subsidiair één dag hechtenis, € 100,00 subsidiair twee dagen hechtenis en € 1.072,52 subsidiair 20 dagen hechtenis.

Volgens de staatssecretaris vormen deze feiten, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering voor een behoorlijke uitoefening van de functie van steigeroperator, zodat aan het objectieve criterium is voldaan. Voorts heeft de staatssecretaris zich in het kader van het subjectieve criterium op het standpunt gesteld dat het belang van beperking van de risico’s voor de samenleving zwaarder weegt dan het belang bij toewijzing van een VOG.

Het objectieve criterium

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat aan het objectieve criterium is voldaan. De staatssecretaris heeft volgens hem miskend dat de feiten die op zijn naam in het JDS zijn geregistreerd geen aanleiding bieden om te oordelen dat deze, indien herhaald, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie. Hij voert aan dat de feiten die buiten de terugkijktermijn hebben plaatsgevonden niet mogen worden meegewogen. Verder zijn de veroordelingen van 14 juni 2012 en 23 april 2014 nog niet onherroepelijk. Voor de onherroepelijke veroordeling van 21 maart 2014 geldt dat slechts een voorwaardelijke werkstraf is opgelegd, hetgeen volgens hem duidt op een licht vergrijp en, in combinatie met enkele feiten buiten de terugkijkperiode, onmogelijk tot de conclusie kan leiden dat de kans op herhaling hoog moet worden ingeschat.

3.1. Volgens paragraaf 3.1.2 van de Beleidsregels geldt bij het bepalen of een relevant justitieel gegeven binnen de terugkijktermijn valt als uitgangspunt de datum van de rechterlijke uitspraak in eerste aanleg. In het geval tussen de pleegdatum en de datum van de rechterlijke uitspraak in eerste aanleg een langere periode is verstreken dan twee jaren, geldt de pleegdatum als uitgangspunt. Niet in geschil is dat in dit geval een terugkijktermijn van vier jaren geldt.

De Afdeling stelt vast dat ten tijde van het besluit van 9 oktober 2015 niet meer dan vier jaren zijn verstreken sinds de hiervoor vermelde uitspraken in eerste aanleg en de pleegdata van de strafbare feiten. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de staatssecretaris bij de toetsing aan het objectieve criterium derhalve geen feiten in aanmerking genomen die buiten de terugkijktermijn van vier jaren hebben plaatsgevonden.

Wat de nog niet onherroepelijke veroordelingen van 21 maart 2014 en 14 juni 2012 betreft, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de staatssecretaris deze justitiële gegevens niet bij zijn beoordeling mocht betrekken. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 5 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5109, mag de staatssecretaris ingevolge de Wjsg de in het JDS voorkomende justitiële gegevens bij de beoordeling van de aanvraag om een VOG betrekken. De staatssecretaris betrekt slechts niet in zijn oordeel de justitiële gegevens met betrekking tot strafbare feiten die zijn afgedaan met een onherroepelijke vrijspraak. De staatssecretaris mocht bij de beoordeling dus ook feiten betrekken waarvoor [appellant] niet onherroepelijk is veroordeeld.

3.2. Om vast te stellen of de aangetroffen justitiële gegevens een belemmering kunnen vormen voor de afgifte van een VOG, heeft de staatssecretaris de aanvraag, overeenkomstig de door de aanvrager verstrekte gegevens, getoetst aan het algemene screeningsprofiel met de risicogebieden informatie, goederen en proces. De geregistreerde feiten hebben betrekking op afpersing en vermogensdelicten. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze feiten, indien herhaald in de functie van steigeroperator, die onder meer een zekere verantwoordelijkheid voor schepen en hun lading meebrengt, een gevaar voor mensen en goederen vormen. Dat de onherroepelijke veroordeling van 21 maart 2014 volgens [appellant] ziet op een licht vergrijp en dat de kans op herhaling volgens hem niet groot is, wat daar ook van zij, is geen onderdeel van de beoordeling of aan het objectieve criterium is voldaan, maar of aan het subjectieve criterium is voldaan. Gelet op de aard van de geregistreerde feiten en het van toepassing zijnde screeningsprofiel, heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat aan het objectieve criterium is voldaan.

Het betoog faalt.

Het subjectieve criterium

4. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris meer gewicht heeft kunnen toekennen aan het risico voor de samenleving dan aan zijn belang bij afgifte van de VOG. Hij voert aan dat de laatste veroordeling nog niet onherroepelijk is en dat ten tijde van het bestreden besluit al anderhalf jaar was verstreken sinds die veroordeling en meer dan twee jaren sinds de pleegdatum. Zijn proeftijd liep nog tot 22 april 2016, zodat hij des te meer reden had om niet opnieuw strafbare feiten te begaan. Zowel de medewerker van Reclassering Nederland als die van de Waag Rijnmond schatten het recidiverisico laag in en laten zich zeer positief over hem uit. [appellant] vindt het onbegrijpelijk dat de staatssecretaris het herhalingsgevaar anders inschat. Verder voert hij aan dat zijn contacten met justitie op jonge leeftijd hebben plaatsgevonden en dat hij thans gemotiveerd is om te werken en zich volledig inzet. In zijn vorige baan presteerde hij boven verwachting. Inmiddels woont hij samen en is hij serieus bezig met zijn toekomst, aldus [appellant].

4.1. Zoals volgt uit hetgeen onder 3.1 is overwogen, mocht de staatssecretaris bij de beoordeling van de aanvraag ook de laatste nog niet onherroepelijke veroordeling betrekken. Dit geldt ook bij de toetsing aan het subjectieve criterium.

Anders dan [appellant] betoogt, heeft de staatssecretaris zich op het standpunt mogen stellen dat de kans op recidive aanwezig is, omdat op naam van [appellant] niet alleen meer justitiële gegevens binnen de terugkijktermijn zijn aangetroffen, maar ook buiten de terugkijktermijn, en de strafrechter hem een straf met een proeftijd tot 22 april 2016 heeft opgelegd. De staatssecretaris heeft in de omstandigheid dat hulpverleners het recidiverisico laag inschatten en zich positief over [appellant] hebben uitgelaten, geen grond hoeven zien voor een ander oordeel. Daartoe heeft de staatssecretaris ten tijde van het nemen van het besluit van 9 oktober 2015 van belang mogen achten dat de rapportages van de hulpverleners dateren van 2 juni 2015 en 15 juli 2015 en het tijdsverloop sindsdien te kort is om de door hen ingeschatte recidivekans op waarde te kunnen beoordelen.

Verder heeft de staatssecretaris in de omstandigheid dat de strafrechter één vergrijp licht heeft aangerekend en dat [appellant] een jeugdige leeftijd had ten tijde van een aantal strafbare feiten, geen grond hoeven zien voor het oordeel dat het risico voor de samenleving is afgenomen. Daartoe heeft de staatssecretaris van belang mogen achten dat [appellant] in aanraking is gekomen met justitie wegens meer strafbare feiten die niet te verenigen zijn met het doel van de aanvraag en dat het tijdsverloop sinds de laatste veroordeling van 23 april 2014 beperkt is.

Voor zover [appellant] stelt dat hij inmiddels samenwoont en serieus bezig is met zijn toekomst, heeft de staatssecretaris daarin geen aanleiding hoeven zien voor het oordeel dat het belang van [appellant] bij toewijzing van een VOG zwaarder dient te wegen dan het belang van de beperking van de risico’s voor de samenleving.

Het betoog faalt.

Conclusie

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, griffier.

w.g. Verheij

lid van de enkelvoudige kamer

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2016

344.