Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2329

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-08-2016
Datum publicatie
24-08-2016
Zaaknummer
201507875/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:5380, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 maart 2015 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning eerste fase verleend voor het gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan ten behoeve van, voor zover thans van belang, de realisatie van een veldschuur op het perceel, kadastraal bekend als [locatie 1] sectie E kadastraal E57 te Helvoirt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201507875/1/A1.

Datum uitspraak: 24 augustus 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Helvoirt, gemeente Haaren,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 16 september 2015 in zaak nr. 15/1290 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Haaren.

Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2015 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning eerste fase verleend voor het gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan ten behoeve van, voor zover thans van belang, de realisatie van een veldschuur op het perceel, kadastraal bekend als [locatie 1] sectie E kadastraal E57 te Helvoirt.

Bij uitspraak van 16 september 2015 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellanten] tegen het besluit van 24 maart 2015 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [vergunninghouder] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 augustus 2016, waar [appellanten], vertegenwoordigd door mr. O.V. Wilkens, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.M.H. Martens, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Ter zitting is tevens gehoord [vergunninghouder].

Overwegingen

Inleiding

1. [vergunninghouder] is voornemens een veldschuur te realiseren. In de bij de aanvraag van de omgevingsvergunning overgelegde ruimtelijke onderbouwing '[locatie 1], Helvoirt' van 10 september 2014 is vermeld dat de veldschuur zal worden gebruikt als schuilgelegenheid voor paarden, voor de opslag van 40 balen hooi en de stalling van een tractor. De schuur heeft een oppervlakte van ongeveer 78 m². De nokhoogte van het gedeelte van de schuur dat gebruikt zal worden voor de opslag van balen hooi is 4,05 m. Dit gedeelte van de schuur heeft een oppervlakte van 51,50 m². De hoogte van de rest van de schuur is ongeveer 2,40 m. Volgens de ruimtelijke onderbouwing is [vergunninghouder] voornemens om drie van de op de percelen E57 en E58 verspreid gelegen en in slechte staat verkerende bouwwerken te clusteren tot één veldschuur. Het betreft een bouwwerk met een oppervlakte van ongeveer 16,40 m² en een direct daarnaast gelegen bouwwerk met een oppervlakte van ongeveer 33 m², beide op het perceel E57, en een bouwwerk met een oppervlakte van ongeveer 27 m² op het perceel E58. De veldschuur zal worden gerealiseerd op het perceel E57, ter plaatse waar in het bestemmingsplan "Buitengebied Haaren, herziening 2014" de aanduiding 'veldschuur' is opgenomen en waar het bouwwerk met een oppervlakte van 16,40 m² is gesitueerd. De grondoppervlakte van de nieuwe veldschuur is vergelijkbaar met de gezamenlijke oppervlakte van de drie bestaande bouwwerken, aldus de ruimtelijke onderbouwing.

[appellanten], die woonachtig zijn op het perceel [locatie 2], hebben bezwaren tegen de realisering van de veldschuur, omdat deze hun vrije uitzicht aan de voorzijde van hun perceel zal aantasten. Zij zijn daarom opgekomen tegen het besluit, dat afwijking van bestemmingsplan ten behoeve van het bouwplan mogelijk maakt.

2. Naast het beroep van [appellanten] tegen het besluit van 24 maart 2015 was bij de rechtbank tevens aan de orde het beroep van [vergunninghouder] tegen het besluit van 12 november 2014, waarbij is beslist op zijn bezwaar tegen het besluit van 27 maart 2014, waarbij aan hem een last onder dwangsom is opgelegd. In dat besluit heeft het college handhavend opgetreden tegen het in strijd met het bestemmingsplan en zonder de daartoe benodigde vergunning gebruik van de gronden voor opslag van stro op het perceel E58 en de zonder de daartoe benodigde vergunning en in strijd met het bestemmingsplan opgerichte bouwwerken op de percelen E57 en E58. Met de uitspraak van de rechtbank is, nu tegen die uitspraak geen hoger beroep is ingediend, komen vast te staan dat handhaving alleen betrekking heeft op de opslag van stro op het perceel E58 en een bouwwerk met een oppervlakte van ongeveer 16,40 m² op het perceel E57.

Toepasselijke regelgeving

3. Ingevolge artikel 2.5, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), wordt een omgevingsvergunning op verzoek van de aanvrager in twee fasen verleend. De eerste fase heeft slechts betrekking op de door de aanvrager aan te geven activiteiten.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, 3º, kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied Haaren, herziening 2014" rust op de gronden de bestemming "Agrarisch met waarden - landschapswaarden 2". Ter plaatse van de beoogde veldschuur geldt de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - veldschuur'.

Ingevolge artikel 5.1 zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor:

a grondgebonden agrarische bedrijven;

b bestaande nevenfuncties conform de lijst ‘Bestaande nevenactiviteiten’ (Bijlage 1);

c een plattelandswoning uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - plattelandswoning';

d behoud en herstel van de aangeduide cultuurhistorische waarden;

e behoud, herstel en ontwikkeling van de landschapswaarden in het algemeen en in het bijzonder voor:

1 dassenleefgebied, ter plaatse van de aanduiding ´specifieke vorm van agrarisch met waarden - dassenleefgebied´;

2 landschappelijk open gebied, ter plaatse van de aanduiding ´specifieke vorm van agrarisch met waarden - open gebied´;

3 landschapsontwikkelingsgebied, ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden - landschapsontwikkelingsgebied’;

f instandhouding als zodanig van de aldaar voorkomende zandwegen;

g watergangen en waterpartijen en waterhuishoudkundige voorzieningen;

h voorzieningen ten behoeve van extensieve openluchtrecreatie, zoals fiets- en voetpaden en picknickplaatsen;

i evenementen.

Ingevolge artikel 5.2.2 van de planregels gelden voor het bouwen van gebouwen de volgende bepalingen:

a Gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd, met uitzondering van veldschuren die tevens toegestaan zijn ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden - veldschuur’.

b De hoogte en oppervlakte van veldschuren mag niet meer bedragen dan de bestaande hoogte en oppervlakte.

[…]

Ingevolge artikel 1 wordt onder bestaande bouwwerk, oppervlakte, goothoogte, bouwhoogte, plaats, inhoud, afstand, object verstaan: bouwwerk, oppervlakte, goothoogte, bouwhoogte, plaats, inhoud, afstand, object, zoals dat of die rechtens bestaat of mag bestaan op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan.

Gefaseerde verlening van de omgevingsvergunning

4. [vergunninghouder] heeft gekozen voor een gefaseerde verlening van de omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.5 van de Wabo. Op 11 september 2014 heeft hij een aanvraag om een beschikking met betrekking tot de eerste fase ingediend voor het afwijken van het bestemmingsplan. Bij besluit van 24 maart 2015 heeft het college op deze aanvraag beslist.

Beoordeling van het hoger beroep

5. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen voor een veldschuur met de beoogde oppervlakte en hoogte. Zij voeren daartoe aan dat de drie in de ruimtelijke onderbouwing vermelde te clusteren bouwwerken een gezamenlijke oppervlakte hebben van 76,22 m². Nu tegen het gebouw met een oppervlakte van 16,35 m² handhavend wordt opgetreden, moet de oppervlakte daarvan buiten beschouwing worden gelaten en kan slechts omgevingsvergunning worden verleend voor een veldschuur van 59,87 m². Zij voeren verder aan dat de in 1974 vergunde ponystal en de overige reeds op het perceel bestaande bebouwing een hoogte hebben van 2 m, zodat geen omgevingsvergunning kon worden verleend voor een veldschuur met een hoogte van 4,05 m. Volgens [appellanten] neemt de veldschuur hun uitzicht weg.

5.1. Het bestemmingsplan laat, gelet op de aanduiding op de verbeelding, een veldschuur toe, waarvan de hoogte en oppervlakte niet meer mogen bedragen dan de bestaande hoogte en oppervlakte. Het bouwplan heeft een oppervlakte van ongeveer 78 m² en een hoogte van maximaal 4,05 m. [appellanten] wijzen er terecht op dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Het college heeft met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wabo omgevingsvergunning verleend. De enkele omstandigheid dat, zoals [appellanten] aanvoeren, de veldschuur een groter oppervlakte heeft dan de drie bestaande gebouwen die volgens de ruimtelijke onderbouwing met de veldschuur worden geclusterd en dat het college tegen één van die gebouwen handhavend optreedt, maakt niet dat het college om die reden geen omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan mocht verlenen. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen dient een bouwplan, dat afwijkt van het bestemmingsplan, op diverse ruimtelijke aspecten te worden getoetst en de uitkomst daarvan dient te blijken uit de ruimtelijke onderbouwing die aan het project ten grondslag is gelegd. Het college dient tevens de bij het besluit betrokken belangen af te wegen, waaronder de belangen van [appellanten].

5.2. De veldschuur wordt tegenover de naar het perceel van [appellanten] gekeerde zijde van het huisperceel van [vergunninghouder] gerealiseerd op een afstand van 35 m vanaf de grens met het perceel van [appellanten], schuin tegenover hun perceel en op een afstand van 60 m vanaf de voorzijde van hun woning. Tussen de schuur en het perceel van [appellanten] ligt een weg, de Berkendreef, en staat veel groen. Gelet op de ligging van de schuur ten opzichte van de woning van [appellanten] en het daartussen gelegen groen bestaat slechts beperkt zicht op de schuur. Gelet voorts op het belang van [vergunninghouder] bij een veldschuur met voldoende hoogte voor de opslag van hooibalen afkomstig van zijn ongeveer 4,5 hectare tellende gronden en op het door het college ter zitting nader toegelichte belang bij een verbetering van de beeldkwaliteit ter plaatse die met de clustering van de bestaande bebouwing wordt bereikt, heeft het college in redelijkheid aan de belangen die met de beoogde bouw zijn gediend een zwaarder gewicht kunnen toekennen dan aan de belangen van [appellanten] bij het achterwege blijven van die bouw. Het betoog faalt.

6. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college de omgevingsvergunning had moeten weigeren, omdat de veldschuur op een andere plek op het perceel mogelijk is, namelijk tegenover de woning van [vergunninghouder] en de woning op het perceel [locatie 3] en deze alternatieve situering hun woongenot minder zal aantasten.

6.1. Indien een project op zichzelf voor het college aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat zo'n situatie zich in dit geval voordoet. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat met de voorgestelde alternatieve situering de schuur zou worden geplaatst tegenover de woning op het perceel [locatie 3] en derhalve geen sprake is van een bouwlocatie met aanmerkelijk minder bezwaren. Het betoog faalt.

7. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank in het door [appellanten] aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten omgevingsvergunning te verlenen.

Conclusie

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Pieters

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2016

473.