Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2324

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-08-2016
Datum publicatie
24-08-2016
Zaaknummer
201505192/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:4189, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 mei 2013 heeft de minister het verzoek van [appellant] om schadevergoeding uit het Waarborgfonds mijnbouwschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2016/82
M en R 2017/7

Uitspraak

201505192/1/A2.

Datum uitspraak: 24 augustus 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 21 mei 2015 in

zaak nr. 13/3857 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Economische Zaken.

Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2013 heeft de minister het verzoek van [appellant] om schadevergoeding uit het Waarborgfonds mijnbouwschade afgewezen.

Bij besluit van 14 november 2013 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 mei 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 14 november 2013 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak gevoegd met zaak nr. 201505089/1 /A2 ter zitting behandeld op 13 april 2016, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. W.S. Geelhoed en mr. J.H. Keinemans, beiden werkzaam voor de minister, zijn verschenen. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

Aanleiding voor het geschil

1. appellant] heeft schade aan zijn woning aan de [locatie] te Kerkrade. Volgens de minister komt deze schade niet voor vergoeding uit het Waarborgfonds mijnbouwschade (hierna: waarborgfonds) in aanmerking omdat de vordering van [appellant] is verjaard. [appellant] is het hier niet mee eens en betoogt dat zijn schade wel uit het waarborgfonds dient te worden vergoed.

2. Het perceel van [appellant] ligt in het gebied van de voormalige concessie van de Domaniale Mijnmaatschappij. Deze mijnbouwmaatschappij heeft de winning van steenkolen ter plaatse in 1969 beëindigd en is in 1998 geliquideerd. [appellant] is in 1970 met de schade aan zijn woning bekend geworden en heeft in 1971 en 1983 na verzakkingen schadevergoedingen ontvangen van de mijnbouwmaatschappij.

Voor de geliquideerde vennootschap is geen rechtsopvolger aan te wijzen. Ingevolge artikel 137 van de Mijnbouwwet kent de minister in situaties als deze een natuurlijk persoon bij wie zaakschade is opgetreden als gevolg van mijnbouwactiviteiten op diens verzoek een schadevergoeding toe ten laste van het waarborgfonds. Dit fonds wordt gevuld door jaarlijks verschuldigde bijdragen van mijnbouwondernemingen. Alvorens een verzoek om schadevergoeding bij de minister in te dienen, heeft [appellant] overeenkomstig de desbetreffende procedure van de Mijnbouwwet, de Technische commissie bodembeweging (hierna: Tcbb) in maart 2011 om advies gevraagd over het oorzakelijk verband tussen de schade aan zijn woning en de mijnbouwactiviteiten in de voormalige mijn onder de woning en over de hoogte van het schadebedrag. De Tcbb heeft op 23 januari 2013 een definitief advies uitgebracht. Volgens dit advies hebben onder de woning mijnbouwactiviteiten plaatsgevonden en is de ernstige schade aan de woning redelijkerwijs het gevolg van deze vroegere mijnbouwactiviteiten. In het advies is verder vermeld dat de woning niet onveilig en onbewoonbaar is, maar wel volstrekt onverkoopbaar. De kosten voor een tegemoetkoming in herstelkosten over de afgelopen tien jaar, het kopen van een vergelijkbare woning in dezelfde omgeving van Kerkrade en de sloop van het bestaande pand zijn in het advies geraamd op € 359.100,00. Vervolgens heeft [appellant] op 5 februari 2013 een verzoek bij de minister ingediend voor schadevergoeding ten laste van het waarborgfonds als bedoeld in artikel 137 van de Mijnbouwwet.

3. Volgens de minister komt de schade niet voor vergoeding uit het waarborgfonds in aanmerking omdat de rechtsvordering van [appellant] tot vergoeding van de schade ingevolge artikel 3:310, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is verjaard. De minister heeft aan zijn afwijzingsbesluit van 28 mei 2013 dan ook ten grondslag gelegd dat de rechtsvordering van [appellant] in ieder geval in 1999, dertig jaar na stopzetting van de mijnbouwactiviteiten in 1969, is verjaard. In het besluit van 14 november 2013 heeft de minister deze afwijzing gehandhaafd.

Aangevallen uitspraak

4. De rechtbank heeft overwogen dat ingevolge artikel 6:177 van het BW de exploitant van een mijnbouwwerk aansprakelijk is voor schade die het gevolg is van een bodembeweging veroorzaakt door de exploitatie. Als de aansprakelijke exploitant niet meer bestaat, kan ingevolge artikel 137 van de Mijnbouwwet schadevergoeding worden gevraagd aan de minister. Volgens de rechtbank is er een direct verband tussen de regeling in het BW en die in de Mijnbouwwet omdat de gedachte achter artikel 137 van de Mijnbouwwet is dat de minister in de plaats treedt van een niet meer bestaande - op basis van artikel 6:177 van het BW aansprakelijke - exploitant. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat een beroep op het waarborgfonds alleen kan worden gedaan indien sprake is van risicoaansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:177 van het BW. Gezien het overgangsrecht neergelegd in artikel 189a, tweede lid, van de Overgangswet Burgerlijk Wetboek is volgens de rechtbank geen sprake van aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:177 van het BW. [appellant] kan dus geen beroep doen op het waarborgfonds, aldus de rechtbank.

Omdat de minister op onjuiste gronden tot zijn besluit van 14 november 2013 is gekomen maar [appellant] volgens de rechtbank inderdaad geen beroep kan doen op het waarborgfonds, heeft de rechtbank het besluit op bezwaar wel vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 14 november 2013 in stand gelaten.

Hoger beroep

5. [ appellant] kan zich hierin niet vinden. In hoger beroep betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat een beroep op het waarborgfonds alleen kan worden gedaan indien sprake is van risicoaansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:177 van het BW. Volgens [appellant] kan de op artikel 137 van de Mijnbouwwet gerichte procedure ook worden gevolgd indien sprake is van aansprakelijkheid ingevolge artikel 6:162 van het BW.

Wettelijk kader

6. Ingevolge artikel 6:177, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW is de exploitant van een mijnbouwwerk aansprakelijk voor de schade die ontstaat door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van dat werk.

Ingevolge het vierde lid is voor schade door beweging van de bodem aansprakelijk degene die ten tijde van het bekend worden van deze schade exploitant is. Indien na het bekend worden een ander exploitant wordt, blijft de aansprakelijkheid rusten op degene die ten tijde van dit bekend worden exploitant was. Indien deze schade bekend wordt na sluiting van het mijnbouwwerk, rust de aansprakelijkheid op degene die de laatste exploitant was.

Ingevolge artikel 189a, tweede lid, van de Overgangswet Burgerlijk Wetboek, is artikel 6:177, vierde lid, zoals dat is komen te luiden na de inwerkingtreding van de Mijnbouwwet, niet van toepassing indien de schade bekend is geworden voor de inwerkingtreding van de Mijnbouwwet.

Ingevolge artikel 137, aanhef en onder a en b, van de Mijnbouwwet kent de minister van Economische Zaken een natuurlijk persoon bij wie zaakschade is opgetreden als gevolg van mijnbouwactiviteiten op diens verzoek een schadevergoeding toe ten laste van het waarborgfonds, indien de betrokken mijnbouwondernemer failliet is verklaard, surséance van betaling is verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard of de betrokken mijnbouwondernemer heeft opgehouden te bestaan.

Beoordeling hoger beroep

7. Met de inwerkingtreding van de Mijnbouwwet per 1 januari 2003 is de reikwijdte van artikel 6:177 van het BW uitgebreid. Sindsdien is in dit artikel ook de aansprakelijkheid voor schadelijke gevolgen van mijnbouw geregeld. Op de exploitant van een mijnbouwwerk rust een risicoaansprakelijkheid voor schade die ontstaat door beweging van de bodem als gevolg van de exploitatie van dat werk. Als de aansprakelijke exploitant niet meer bestaat, voorziet artikel 137 van de Mijnbouwwet in een regeling. Ingevolge dit artikel kent de minister dan bij zaakschade als gevolg van mijnbouwactiviteiten een schadevergoeding toe ten laste van het waarborgfonds.

Uit het samenstel van deze bepalingen volgt dat de minister in de plaats treedt van een niet meer bestaande - ingevolge artikel 6:177 van het BW aansprakelijke - exploitant van een mijnbouwwerk. Anders gezegd: een beroep op het waarborgfonds veronderstelt in beginsel een aanspraak op grond van artikel 6:177 van het BW. Dit volgt ook uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Mijnbouwwet. Zo is in verband met de verbetering van de (rechts)bescherming van derden in de memorie van toelichting verwezen naar de ook in het wetsvoorstel opgenomen uitgebreide regeling van artikel 6:177 van het BW (Kamerstukken II 1998/99, 26 219, nr. 3, blz. 24 en 102). Voorts is het waarborgfonds het sluitstuk van het stelsel genoemd, waardoor wordt gewaarborgd dat de burger niet met lege handen staat als de desbetreffende mijnbouwondernemer bijvoorbeeld failliet is (Kamerstukken I 2001/02, 26 219, nr. 313b, blz. 17).

8. Gezien dit directe verband tussen artikel 6:177 van het BW en artikel 137 van de Mijnbouwwet faalt het betoog van [appellant] dat artikel 137 van de Mijnbouwwet ook geldt voor de algemene aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad ingevolge artikel 6:162 van het BW. De rechtbank heeft in dit verband terecht verwezen naar de totstandkomingsgeschiedenis van de Mijnbouwwet, waarin de risicoaansprakelijkheid van de mijnbouwondernemer voor schade door bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten wordt benadrukt. Dit betekent dat de gelaedeerde burger niet de onrechtmatigheid van de mijnbouwactiviteiten en de schuld van de mijnbouwondernemer hoeft te bewijzen. Hij hoeft slechts aannemelijk te maken dat hij schade heeft geleden en dat die schade is veroorzaakt door de mijnbouwactiviteiten. Over laatstgenoemde aspecten kan hij advies vragen aan de Tcbb (Kamerstukken I 2001/02, 26 219, nr. 313b, blz. 16 en 17). Mede gelet hierop heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de procedure neergelegd in de Mijnbouwwet niet is ingericht voor vorderingen tot vergoeding van schade op grond van artikel 6:162 van het BW.

9. De rechtbank is dan ook terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat een beroep op het waarborgfonds alleen kan worden gedaan indien sprake is van aansprakelijkheid uit artikel 6:177 van het BW, zoals dat luidt sinds de inwerkingtreding van de Mijnbouwwet op 1 januari 2003. Dit betekent dat hieronder eerst zal worden onderzocht of dit artikel in dit geval van toepassing is. Daarvoor is het overgangsrecht van belang, zoals opgenomen in artikel 189a, tweede lid, van de Overgangswet Burgerlijk Wetboek. In deze bepaling staat dat de regeling voor risicoaansprakelijkheid voor schade ontstaan door beweging van de bodem als gevolg van de exploitatie van een mijnbouwwerk niet van toepassing is indien de schade bekend is geworden voor de inwerkingtreding van de Mijnbouwwet op 1 januari 2003. Omdat vaststaat dat [appellant] reeds omstreeks 1970 bekend is geworden met de schade, dus ruimschoots vóór de inwerkingtreding van de nieuwe regeling van artikel 6:177 van het BW, is deze bepaling in dit geval niet van toepassing. Nu geen sprake is van aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:177 van het BW, kan [appellant] daarom geen beroep doen op het waarborgfonds.

Conclusie

10. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier.

w.g. Van Buuren w.g. Bindels

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2016

85.