Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2322

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-08-2016
Datum publicatie
24-08-2016
Zaaknummer
201508788/1/V6
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 januari 2015 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201508788/1/V6.

Datum uitspraak: 24 augustus 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 oktober 2015 in zaak nr. 15/2282 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (thans: de minister van Veiligheid en Justitie).

Procesverloop

Bij besluit van 15 januari 2015 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] hem het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek) afgewezen.

Bij besluit van 18 maart 2015 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 19 oktober 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 augustus 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. G.P. Dayala, advocaat te Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. R.A.B. van Steijn, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Onder de minister wordt tevens zijn rechtsvoorganger verstaan.

2. De minister heeft het verzoek op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) afgewezen, omdat ernstige vermoedens bestaan dat [appellant] een gevaar oplevert voor de openbare orde. Hiertoe heeft de minister redengevend geacht dat het gerechtshof Amsterdam [appellant] bij arrest van 28 mei 2013 heeft veroordeeld tot een geldboete van € 1.500,00 subsidiair 25 dagen hechtenis, waarvan € 750,00 voorwaardelijk subsidiair tien dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, wegens overtreding van artikel 4, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000, zoals deze wet ten tijde van belang luidde. Deze overtreding is een misdrijf in de zin van de Wet op de economische delicten. Het arrest van 28 mei 2013 is op 12 juni 2013 onherroepelijk geworden. Ten tijde van de indiening van de aanvraag van 16 juni 2014 en de besluiten van 15 januari 2015 en 18 maart 2015 was de zogenoemde rehabilitatietermijn van vier jaar nog niet geëindigd. Tevens zijn aan [appellant] op 4 juli 2012 onderscheidenlijk 2 juli 2013 boetes opgelegd van € 1.050,00 onderscheidenlijk € 2.100,00 wegens overtredingen van artikel 10.60 van de Wet milieubeheer. Deze overtredingen zijn misdrijven in de zin van de Wet op de economische delicten. Aangezien [appellant] hiertegen rechtsmiddelen heeft aangewend waarop nog niet onherroepelijk is beslist, stonden deze strafzaken ten tijde van belang nog open.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de minister in zijn geval ten onrechte een rehabilitatietermijn hanteert die is begonnen op de dag dat het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 28 mei 2013 onherroepelijk is geworden, zodat de rehabilitatietermijn loopt tot 12 juni 2017. Aangezien hij telkens op heterdaad is betrapt, is het volgens hem redelijk deze termijn te laten beginnen op de pleegdatum.

Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld, dat hij daadwerkelijk een gevaar voor de openbare orde vormt. Volgens [appellant] heeft de minister ten onrechte geen dan wel onvoldoende rekening gehouden met zijn persoonlijke belangen en daardoor in strijd gehandeld met het arrest van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) van 11 juni 2015, ECLI:EU:C:2015:377, waarin het Hof het openbare orde-begrip heeft uitgelegd als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008 L 348).

3.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt een verzoek om naturalisatie afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding) zoals die luidde ten tijde van belang, wordt een verzoek om naturalisatie wegens gevaar voor de openbare orde onder meer afgewezen, indien in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek of de beslissing daarop (de rehabilitatietermijn) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer is gelegd en indien op het moment van indiening van het verzoek of de beslissing daarop, serieuze verdenkingen bestaan dat de verzoeker een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen. Aanleiding voor het aannemen van een serieuze verdenking kan in het tweede geval de vermelding zijn op het uittreksel van de Justitiële documentatiedienst van een openstaande strafzaak wegens een misdrijf.

Volgens de Handleiding is een stelsel dat bij het bepalen van het begin van de rehabilitatietermijn uitgaat van de datum waarop het misdrijf heeft plaatsgevonden, niet wenselijk. Voorts doet een stelsel dat uitgaat van de pleegdatum geen recht aan de gedachte dat van daadwerkelijke rehabilitatie geen sprake kan zijn, zolang de vreemdeling nog strafvervolging of de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel boven het hoofd hangt. Het huidige stelsel gaat uit van de datum waarop de sanctiebeslissing onherroepelijk is geworden en de datum waarop de sanctie ten uitvoer is gelegd. Dit stelsel blijft gehandhaafd.

Voorts is het volgens de Handleiding in zeer bijzondere gevallen mogelijk dat de minister een verzoek dat hij volgens bovenstaande regels moet afwijzen, toch inwilligt. Voor de eenduidigheid, de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid is het van het grootste belang dat de minister niet snel van het beleid afwijkt en moet hij zeer grote terughoudendheid betrachten, aldus de Handleiding. Bijzondere omstandigheden kunnen hoogstens tot de conclusie leiden dat de verzoeker geen gevaar vormt voor de openbare orde. Indien wel ernstige vermoedens bestaan dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde vormt, mag de minister hem volgens de Handleiding niet naturaliseren.

3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3117), dient het beleid neergelegd in de Handleiding als uitgangspunt bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ernstige vermoedens dat de betrokkene gevaar oplevert voor de openbare orde. Dat bij het bepalen van het begin van de rehabilitatietermijn wordt uitgegaan van de datum waarop de sanctiebeslissing onherroepelijk is geworden en de datum waarop de sanctie ten uitvoer is gelegd, is niet onredelijk.

Ervan uitgaande dat het vonnis van 28 mei 2013 op 12 juni 2013 onherroepelijk is geworden, staat vast dat ten tijde van de aanvraag en de besluiten van 15 januari 2015 en 18 maart 2015 de rehabilitatietermijn ter zake van de overtreding van de Wet personenvervoer 2000 nog niet was geëindigd. Tevens staat vast dat ter zake van de overtredingen van de Wet milieubeheer ten tijde van belang strafzaken openstonden. Derhalve leidt toepassing van het beleid tot afwijzing van het verzoek. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, zijn de door [appellant] aangevoerde omstandigheden niet zodanig, dat zij een bijzondere omstandigheid vormen die tot afwijking van dit beleid nopen; reeds omdat dit onverlet laat dat op het in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN neergelegde peilmoment ernstige vermoedens bestonden dat hij een gevaar voor de openbare orde vormde.

Uit het arrest van het Hof van 20 februari 2001, ECLI:EU:C:2001:106, volgt dat het bepalen van de voorwaarden voor de verkrijging en het verlies van de nationaliteit behoort tot de bevoegdheid van elke lidstaat van de Europese Unie afzonderlijk. Nederland heeft deze bevoegdheid neergelegd in de RWN en nader uiteengezet in de Handleiding. Volgens dit arrest valt de naturalisatie van een persoon die, zoals hier aan de orde, niet de nationaliteit van een lidstaat van de Europese Unie bezit, naar analogie van rechtsoverweging 16 van het arrest van het Hof van 14 oktober 2008, ECLI:EU:C:2008:559, niet binnen de werkingssfeer van het Unierecht. Derhalve kan [appellant] aan het door hem genoemde arrest van het Hof van 11 juni 2015 geen aanspraak op inwilliging van zijn verzoek ontlenen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1305).

De betogen falen.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Groenendijk

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2016

164.