Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2311

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-08-2016
Datum publicatie
24-08-2016
Zaaknummer
201504601/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2015:3590, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 december 2013 heeft het college aan [appellante] omgevingsvergunning verleend voor het gebruiken van 14 m2 aan winkeloppervlak van het broodhuis op het perceel Plein 75 te Bergen ten behoeve van de verkoop en het ter plaatse nuttigen van broodjes en niet-alcoholische dranken.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Besluit omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/862

Uitspraak

201504601/1/A1.

Datum uitspraak: 24 augustus 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Bergen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 1 mei 2015 in zaak nr. 14/4220 in het geding tussen:

[partij A] en [partij B], beiden wonend te Bergen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergen.

Procesverloop

Bij besluit van 5 december 2013 heeft het college aan [appellante] omgevingsvergunning verleend voor het gebruiken van 14 m2 aan winkeloppervlak van het broodhuis op het perceel Plein 75 te Bergen (hierna: het perceel) ten behoeve van de verkoop en het ter plaatse nuttigen van broodjes en niet-alcoholische dranken.

Bij besluit van 23 december 2013 heeft het college naar aanleiding van het verzoek daartoe van [partijen] geweigerd tegen het gebruik van het perceel voor horecadoeleinden op te treden.

Bij besluit van 29 augustus 2014 heeft het college de door [partijen] tegen de besluiten van 5 en 23 december 2013 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 mei 2015 heeft de rechtbank het door [partijen] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 29 augustus 2014 vernietigd voor zover daarbij het besluit van 5 december 2013 in stand is gelaten en het college opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van [partijen] te nemen. Voorts heeft de rechtbank de werking van het besluit van 5 december 2013 geschorst tot de dag na die waarop het nieuw te nemen besluit op bezwaar is bekendgemaakt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

[partijen] hebben een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 28 juli 2015 heeft het college nogmaals het bezwaar van [partijen] gericht tegen het besluit van 5 december 2013 ongegrond verklaard.

[appellante] heeft gronden ingediend tegen het besluit van 28 juli 2015.

[partijen] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juli 2016, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. O.H. Minjon, advocaat te Hoorn, en P. Bontje, en het college, vertegenwoordigd door mr. D.J. Merkx, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn [partijen], vertegenwoordigd door mr. E.J.H. van Lith, advocaat te Almere, ter zitting gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Bergen Centrum" rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden/detailhandel". De gronden met deze bestemming zijn bestemd voor wonen in meergezinshuizen en voor de uitoefening van detailhandel. Bij besluit van 24 november 2009 heeft het college een vrijstelling en bouwvergunning eerste fase als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening verleend voor de bouw van 23 appartementen en 1.500 m2 aan winkelruimte (detailhandel).

[appellante] exploiteert op het perceel het broodhuis "Broodhuys Au Pain Marie" waar brood en aanverwante artikelen worden verkocht. [partijen] waren ten tijde van het besluit van 29 augustus 2014 woonachtig in de omgeving van het perceel en hebben het college verzocht om tegen het gebruik van het pand op het perceel voor horecadoeleinden handhavend op te treden. Het college heeft bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 5 december 2013 met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2o, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) gelezen in verbinding met artikel 4, negende lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) omgevingsvergunning verleend voor het gebruiken van 14 m2 van de winkelunit met een totale oppervlakte van 60 m2 voor het nuttigen van ter plaatse gekochte broodjes en niet-alcoholische drankjes. Voorts heeft het college bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 23 december 2013 geweigerd handhavend op te treden tegen het gebruik van het perceel voor horeca-activiteiten.

Hoger beroep [appellante]

2. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college in redelijkheid omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen voor de door haar aangevraagde horeca-activiteiten. Zij voert hiertoe aan dat de aanvraag om omgevingsvergunning slechts voorziet in aan de bestemming detailhandel ondergeschikt gebruik voor horecadoeleinden, het college in het besluit van 29 augustus 2014 de belangen van de omwonenden bij de besluitvorming heeft betrokken en niet aannemelijk is dat hun woon- en leefklimaat door het besluit op onaanvaardbare wijze wordt aangetast. Bovendien is volgens [appellante] door het college het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat zij haar winkel mocht exploiteren op de door haar aangevraagde wijze en mag het college bij de beantwoording van de vraag of het door haar aangevraagde gebruik aangemerkt kan worden als ondergeschikte horeca alleen rekening houden met het aantal aangevraagde vierkante meters voor horecadoeleinden.

2.1. De aanvraag om omgevingsvergunning voorziet in het bedrijfsmatig niet alcoholische dranken schenken en het verstrekken en bereiden van spijzen voor directe consumptie in een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte. Door [appellante] is in het hogerberoepschrift uiteengezet dat binnen deze formule een beperkte menukaart past. Zo wordt als ontbijt een belegd broodje en een croissant geserveerd en tijdens de lunch kan een sandwich met verschillende soorten beleg worden genuttigd. Gelet op het ontbreken van een keuken met fornuis zal het aanbod volgens [appellante] niet verder worden uitgebreid. Tussen partijen is niet in geschil dat dit gebruik in strijd is met het bestemmingsplan en niet past binnen de voormelde, bij besluit van 24 november 2009 verleende vrijstelling.

2.2. Het college heeft aan het besluit van 29 augustus 2014 ten grondslag gelegd dat de bij besluit van 5 december 2013 verleende omgevingsvergunning slechts voorziet in aan de bestemming "Woondoeleinden/detailhandel" ondergeschikte horeca. De mate van overlast ten gevolge van de vergunningverlening is volgens het college niet onevenredig. Volgens het besluit van 29 augustus 2014 bestaat binnen de gemeente Bergen weliswaar een ambtelijke lijn die inhoudt dat maximaal twee tafels en acht stoelen toelaatbaar zijn, maar in dit geval is een omgevingsvergunning verleend voor elf stoelen, één bank en vijf tafels, omdat [appellante], gelet op eerder gedane toezeggingen van het college erop mocht vertrouwen dat zij de omgevingsvergunning zou krijgen. Desalniettemin is na overleg met [appellante] besloten het horecagedeelte terug te brengen tot 10 m2, te weten vier tafels, één bank en zeven stoelen.

2.3. Daargelaten of het aangevraagde gebruik aangemerkt kan worden als aan de bestemming "Woondoeleinden/detailhandel" ondergeschikt gebruik, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het omgevingsvergunning heeft verleend voor het gebruik van het perceel voor de door [appellante] aangevraagde horecadoeleinden. Hierbij is van belang dat het college in het bij besluit op bezwaar gewijzigde besluit van 5 december 2013 de ruimtelijke uitstraling van het door [appellante] aangevraagde gebruik heeft beoordeeld en afgewogen, waarbij het de belangen van [appellante] bij vergunningverlening in redelijkheid zwaarder heeft kunnen laten wegen dan de daarmee gepaard gaande gevolgen voor de omgeving. Het college heeft hierbij van belang kunnen achten dat geen terras is vergund aan [appellante] en de ruimtelijke gevolgen van het aangevraagde gebruik worden beperkt door het terugbrengen van het horecagedeelte tot 10 m2, vier tafels, één bank en zeven stoelen. Daarnaast heeft het college van belang kunnen achten dat het aangevraagde gebruik slechts voorziet in de verkoop van ontbijt en lunch met niet-alcoholische dranken en dat geen andere vorm van horeca is vergund en evenmin een Drank- en Horecavergunning is afgegeven. Dat na het besluit van 29 augustus 2014 beleid is ontwikkeld waarin nader is gedefinieerd welk gebruik kan worden aangemerkt als toelaatbaar ondergeschikt gebruik aan de detailhandelsbestemming leidt er niet toe dat het college de bij besluit van 29 augustus 2014 gewijzigde omgevingsvergunning, gelet op alle betrokken belangen, niet in redelijkheid heeft kunnen verlenen.

Het betoog slaagt.

Nader besluit van 28 juli 2015

3. Bij besluit van 28 juli 2015 heeft het college, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank, het bezwaar van [partijen] gericht tegen het besluit van 5 december 2013 nogmaals ongegrond verklaard. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Nu dit besluit is genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, is door vernietiging van die uitspraak de grondslag aan dit besluit komen te ontvallen, zodat het reeds daarom dient te worden vernietigd.

Conclusie

4. Het hoger beroep van [appellante] is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [partijen] tegen het besluit van 29 augustus 2014 van het college alsnog ongegrond verklaren. Het besluit van 28 juli 2015 dient te worden vernietigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

6. Redelijke toepassing van artikel 8:114, eerste lid, van de Awb brengt met zich dat het in hoger beroep betaalde griffierecht door de griffier van de Raad van State aan [appellante] wordt terugbetaald.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van [appellante] gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 1 mei 2015 in zaak nr. 14/4220;

III. verklaart het bij de rechtbank door [partij A] en [partij B] ingestelde beroep ongegrond;

IV. vernietigt het besluit van 28 juli 2015 met kenmerk 15uit05051;

V. gelast dat de griffier van de Raad van State aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 248,00 (zegge: tweehonderdachtenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

w.g. Borman w.g. Vermeulen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2016

700.