Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2301

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-08-2016
Datum publicatie
24-08-2016
Zaaknummer
201508387/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:11366, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juli 2014 heeft het CBR aan [appellant] een verklaring van geschiktheid verstrekt voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie B voor een termijn van een jaar tot en met 31 juli 2015.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201508387/1/A1.

Datum uitspraak: 24 augustus 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 oktober 2015 in zaak nr. 15/2946 in het geding tussen:

[appellant]

en

de algemeen directeur (lees: de directie) van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 10 juli 2014 heeft het CBR aan [appellant] een verklaring van geschiktheid verstrekt voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie B voor een termijn van een jaar tot en met 31 juli 2015.

Bij besluit van 9 maart 2015 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 oktober 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 maart 2015 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 augustus 2016, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J. Biemond, advocaat te Den Haag, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. Y.M. Wolvekamp, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Aan de bij het besluit van 9 maart 2015 gehandhaafde beperkte geldigheidstermijn van de verklaring van geschiktheid heeft het CBR het rapport van psychiater N. van Loenen van 31 mei 2014 (hierna: het rapport) ten grondslag gelegd. De psychiater concludeert in dit rapport, dat is opgesteld naar aanleiding van een op 21 mei 2014 bij [appellant] uitgevoerd onderzoek, dat [appellant] een jaar recidiefvrij is. Hij adviseert het CBR een termijnbeperking van een jaar op te leggen in het kader van de verkeersveiligheid, gezien het feit dat alcoholproblematiek neigt tot recidiveren.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door de rechtsgevolgen van het besluit van 9 maart 2015 in stand te laten, niet heeft onderkend dat het CBR ten onrechte een verklaring van geschiktheid voor de termijn van een jaar heeft geregistreerd. Volgens hem had het CBR een uitzondering op de door haar gehanteerde vuistregel moeten maken. Daartoe voert hij aan dat hij wordt afgerekend op een enkele misstap en hij bij onderzoeken op 20 november 2013 en 21 mei 2014 niet als fysiek of psychisch risicogeval naar voren is gekomen. In zoverre heeft het CBR het besluit van 9 maart 2015 onvoldoende gemotiveerd, aldus [appellant].

2.1. Ingevolge artikel 97, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen worden verklaringen van geschiktheid op aanvraag, alsmede op in dit hoofdstuk vastgestelde wijze, en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief door het CBR in het rijbewijzenregister geregistreerd ten behoeve van een ieder die voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen. Het CBR doet van deze registratie mededeling aan de aanvrager.

Ingevolge artikel 103, eerste lid, registreert het CBR, indien de aanvrager naar het oordeel van het CBR voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, in het rijbewijzenregister ten behoeve van de aanvrager voor die categorie of categorieën een verklaring van geschiktheid.

Ingevolge artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: de Regeling) worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

Volgens paragraaf 8 "Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)" van hoofdstuk 8 "Psychiatrische stoornissen" van de bijlage bij de Regeling is voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen een specialistisch rapport vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport - geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.

2.2. In navolging van de keuringsartsen hanteert het CBR een vuistregel als uitgangspunt bij de beoordeling of redelijke grond bestaat voor de verwachting dat de aanvrager slechts aan de bij ministeriele regeling vastgestelde eisen met betrekking tot lichamelijke en geestelijke geschiktheid voldoet voor een daarbij te bepalen termijn. Deze vuistregel houdt in dat personen na een recidiefvrije periode van een jaar geschikt worden geacht voor een termijn van een jaar. Daarna zullen deze personen bij het voortdurend uitblijven van (het vermoeden van) alcoholmisbruik voor een termijn van drie jaar geschikt worden geacht, vervolgens voor vijf jaar en uiteindelijk voor onbepaalde tijd. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 3 december 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG5901) dat die vuistregel in het algemeen niet onredelijk is.

2.3. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen behoefde het CBR in het door [appellant] aangevoerde geen aanleiding te zien om een uitzondering op de door haar gehanteerde vuistregel te maken, gelet op het feit dat het rapport van 31 mei 2014 daarvoor geen aanleiding geeft. Daarbij komt dat het CBR ter zitting heeft toegelicht dat afwijking van de vuistregel wel eens voorkomt, maar dan in negatieve zin, dat na een recidiefvrije periode van een jaar toch geen verklaring van geschiktheid wordt verstrekt. Het CBR heeft ter zitting verder toegelicht dat slechts eenmaal in positieve zin een uitzondering op de vuistregel is gemaakt, namelijk dat direct een verklaring van geschiktheid voor drie jaar is afgegeven. Dat geval is echter niet vergelijkbaar met het nu voorliggende, omdat in die zaak door de betrokkene een aantal jaren was gewacht met het vragen van een eigen verklaring en aan de hand van overgelegde psychiatrische rapporten was aangetoond dat de betrokkene al langer dan een jaar recidiefvrij was. Anders dan [appellant] betoogt, is het hanteren van de vuistregel door het CBR bij incidentele overtredingen niet onredelijk, omdat ook in een dergelijk geval de diagnose alcoholmisbruik is gesteld. Daarbij komt dat, zoals ter zitting door het CBR is toegelicht, uit de praktijk blijkt dat recidive regelmatig plaatsvindt, wat de reden is voor het in de vuistregel gehanteerde getrapte systeem.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat het CBR zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het algemeen belang van de verkeersveiligheid dat wordt gediend met een nieuwe medische keuring over een jaar, zwaarder weegt dan het belang van [appellant] bij registratie van een verklaring van geschiktheid voor een langere termijn. Dat betekent dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat het CBR, gelet op de door haar gehanteerde vuistregel, in redelijkheid tot het registreren van een verklaring van geschiktheid met een termijnbeperking van een jaar heeft kunnen besluiten en de rechtbank om die reden terecht de rechtsgevolgen van het besluit van 9 maart 2015 in stand heeft gelaten.

Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.

w.g. Slump w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2016

374-776.