Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2289

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-08-2016
Datum publicatie
24-08-2016
Zaaknummer
201508061/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:6363, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 december 2014 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201508061/1/A1.

Datum uitspraak: 24 augustus 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 september 2015 in zaak nr. 15/2502 in het geding tussen:

[appellant]

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2014 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard.

Bij besluit van 9 maart 2015 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de ongeldigverklaring van het rijbewijs gehandhaafd.

Bij uitspraak van 8 september 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 augustus 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. R. Haze, advocaat te Rotterdam, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. J.J. Kwant, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

Overwegingen

Het geschil

1. Het CBR heeft het rijbewijs van [appellant] vanaf 15 december 2014 ongeldig verklaard, omdat uit onderzoek zou blijken dat hij vanwege alcoholmisbruik niet geschikt is om te rijden. [appellant] bestrijdt dat sprake is van alcoholmisbruik en vindt dat zijn rijbewijs ten onrechte ongeldig is verklaard.

Wettelijk kader

2. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

Aanleiding ongeldigverklaring rijbewijs

3. [appellant] is op 2 maart 2014 aangehouden voor het rijden onder invloed, waarbij bij hem een ademalcoholgehalte is geconstateerd van 310 µg/l. Dit en de omstandigheid dat [appellant] in een periode van vijf jaar tweemaal eerder is aangehouden voor het rijden onder invloed, waarbij bij hem een ademalcoholgehalte is geconstateerd van 590 µg/l en 395 µg/l, gaf de Korpschef aanleiding om aan het CBR een mededeling te doen als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994).

Op basis van de mededeling van de Korpschef heeft het CBR [appellant] een onderzoek naar de geschiktheid als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de Wvw 1994 opgelegd. Dit onderzoek heeft plaatsgevonden op 27 september 2014 en is uitgevoerd door D. Hastan, arts, en M. van Beem, psychiater (hierna: de artsen). Het onderzoek bestond uit een anamnese, een lichamelijk en psychiatrisch onderzoek en een laboratoriumonderzoek. In het verslag van bevindingen (hierna: het verslag) concluderen de artsen dat er onvoldoende aanwijzingen zijn om te kunnen concluderen dat ten tijde van de laatste aanhouding op 2 maart 2014 sprake was van alcoholmisbruik, maar dat op basis van alle relevante gegevens de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik in ruime zin gesteld kan worden.

Het CBR heeft het rijbewijs van [appellant] op grond van artikel 134, tweede lid, van de Wvw 1994, in samenhang met artikel 27, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 en paragraaf 8.8 van de Regeling eisen geschiktheid 2000, ongeldig verklaard, omdat hij vanwege alcoholmisbruik ongeschikt is om een motorrijtuig te besturen. Daaraan heeft het CBR het verslag ten grondslag gelegd.

Hoger beroep

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het verslag onvoldoende concludent is en dat het CBR het om die reden niet aan de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs ten grondslag mocht leggen. Daartoe voert hij aan dat de artsen bij het stellen van de diagnose alcoholmisbruik onvoldoende rekening hebben gehouden met de omstandigheid dat de verhoogde waarden van ALAT en ASAT worden verklaard door het gebruik van anabolen en niet door alcoholmisbruik. [appellant] voert verder aan dat de persistentie voor en het controleverlies door alcoholmisbruik slechts aanwijzingen en geen bewijs zijn voor potentieel alcoholmisbruik en niet zonder meer leiden tot de conclusie dat sprake is van alcoholmisbruik in ruime zin.

4.1. In het verslag wordt geconcludeerd dat op basis van alle relevante gegevens de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik in ruime zin gesteld kan worden. Aan deze conclusie is ten grondslag gelegd dat sprake is van een onderrapportage van het alcoholgebruik, omdat het opgegeven gebruik ten tijde van de laatste aanhouding niet in overeenstemming is met het geconstateerde adem- en bloedalcoholgehalte. Waarschijnlijk is sprake van een forse onderrapportage, aldus het verslag. Volgens de artsen zijn de omstandigheden dat [appellant] zich goed in staat voelde te rijden met een verhoogd promillage en daarmee een flinke afstand heeft gereden (20 tot 30 km) aanwijzingen voor een verhoogde tolerantie. Het feit dat [appellant] in een periode van vijf jaar driemaal is aangehouden voor rijden onder invloed is een aanwijzing voor persistentie, controleverlies en hiermee voor alcoholmisbruik. De artsen hebben geconstateerd dat [appellant] overgewicht heeft op basis van spierhypertrofie en dat uit het laboratoriumonderzoek een verhoogde waarde van ASAT en ALAT is geconstateerd, hetgeen een hoge mate van waarschijnlijkheid impliceert dat hij recent en overmatig alcohol heeft gebruikt.

Naar aanleiding van een door [appellant] in bezwaar overgelegde verklaring van zijn huisarts dat de verhoogde waarden van ASAT en ALAT kunnen zijn veroorzaakt door het gebruik van anabolen en dat uit bloedonderzoek blijkt dat deze waarden zijn gedaald, heeft de psychiater gesteld dat indien deze informatie ten tijde van het onderzoek bekend zou zijn, de conclusie in het verslag ten aanzien van de datum waarop het alcoholmisbruik is gestopt anders was geweest, maar dat de diagnose alcoholmisbruik in ruime zin wel in stand blijft.

4.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:213) bestaat in een geval waarin de diagnose alcoholmisbruik in ruime zin is gesteld, slechts aanleiding om de ongeldigverklaring niet in stand te laten indien de psychiatrische rapportage naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, zodanig dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren.

4.3. De rechtbank heeft in de omstandigheid dat de verhoogde waarden van ALAT en ASAT zouden kunnen worden verklaard door het gebruik van anabolen terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het verslag niet concludent is, zodanig dat het CBR zich daar niet op heeft mogen baseren. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het CBR in het licht van alle relevante gegevens betekenis heeft kunnen hechten aan de conclusie van de psychiater die niet alleen is gebaseerd op de uitslag van het laboratoriumonderzoek, maar ook op het feit dat [appellant] in een tijdsbestek van vijf jaar drie keer is aanhouden voor het rijden onder invloed, dat sprake is van onderrapportage en dat sprake is van tolerantie voor alcohol. De rechtbank heeft verder terecht van belang geacht dat de psychiater heeft verklaard dat zijn conclusie dat sprake is van alcoholmisbruik, ondanks dat de verhoogde waarden van ALAT en ASAT zouden kunnen worden verklaard door het gebruik van anabolen, in stand blijft. De rechtbank heeft in dat kader terecht opgemerkt dat [appellant] geen deskundigenbericht heeft overgelegd dat de conclusie alcoholmisbruik weerlegt. Het betoog van [appellant] dat de persistentie voor en het controleverlies door alcoholmisbruik slechts aanwijzingen en geen bewijs zijn voor potentieel alcoholmisbruik, leidt evenmin tot het oordeel dat het verslag niet concludent is. Zoals hiervoor is overwogen, is de diagnose alcoholmisbruik in ruime zin ook op andere omstandigheden gebaseerd, zoals de uitslag van het laboratoriumonderzoek, het feit dat [appellant] in een tijdsbestek van vijf jaar drie keer is aanhouden voor het rijden onder invloed, dat sprake is van onderrapportage en dat sprake is van tolerantie voor alcohol.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat het CBR het verslag aan de ongeldigverklaring van het rijbewijs ten grondslag heeft mogen leggen.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2016

457-784.

BIJLAGE

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994), doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, aanhef en onder c, besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen tot een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid.

Ingevolge artikel 134, tweede lid, besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.

Ingevolge artikel 27, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs als bedoeld in artikel 134, derde (lees: tweede) lid, van de Wvw 1994, indien de uitslag van het onderzoek, respectievelijk de onderzoeken, inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen.

Ingevolge artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

In de Bijlage is in hoofdstuk 8 "Psychiatrische stoornissen" in paragraaf 8.8 "Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)" bepaald dat voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen een specialistisch rapport is vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring — op basis van een specialistisch rapport — geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.