Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2273

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-08-2016
Datum publicatie
17-08-2016
Zaaknummer
201506025/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 augustus 2014 heeft het college een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten buiten behandeling gesteld.

Wetsverwijzingen
Wet openbaarheid van bestuur
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/819
JB 2016/183
JG 2016/53 met annotatie van mw. mr. dr. C. Raat
JOM 2017/178
Gst. 2016/142
AB 2016/369

Uitspraak

201506025/1/A3.

Datum uitspraak: 17 augustus 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Zevenaar,

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 juni 2015 in zaak nr. 14/8966 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar.

Procesverloop

Bij besluit van 6 augustus 2014 heeft het college een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 18 november 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 15 juni 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 mei 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. P.H.M. Kemperman, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.J.S. van Helden, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Wettelijke bepalingen

1. Ingevolge artikel 4:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen, voor het indienen van aanvragen en het verstrekken van gegevens een formulier vaststellen, voor zover daarin niet is voorzien bij wettelijk voorschrift.

Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, onder a, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.

De besluitvorming van het college

2. [appellant] heeft het college op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) verzocht om verstrekking van een digitaal afschrift van "alle externe adviezen (incl. second opinions, etc.) rond de 1ste aanbesteding van het nieuwe gemeentehuis".

In reactie op het verzoek heeft het college [appellant] te kennen gegeven dat verzoeken op grond van de Wob slechts in behandeling worden genomen indien deze via het formulier 'Verzoek Wet openbaarheid van bestuur' zijn ingediend. Het college heeft [appellant] in de gelegenheid gesteld het verzoek alsnog door middel van dat formulier in te dienen.

[appellant] heeft hierop als volgt geantwoord: "Volgens de rijksoverheid is een Wob-verzoek vormvrij. Daarom handhaaf ik mijn Wob-verzoek van 1 juli jl. en verzoek ik u op dat verzoek alsnog tijdig een beslissing te nemen."

Bij het besluit van 6 augustus 2014 heeft het college het verzoek van [appellant] met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb buiten behandeling gesteld omdat voor de indiening van het verzoek geen gebruik is gemaakt van het vastgestelde formulier.

De aangevallen uitspraak

3. De rechtbank heeft vooropgesteld dat de Wob geen eisen stelt aan de vorm van een Wob-verzoek en dat zo'n verzoek in beginsel dus vormvrij is. Dat laat volgens de rechtbank onverlet dat artikel 4:4 van de Awb aan een bestuursorgaan de bevoegdheid toekent om het gebruik van een aanvraagformulier voor te schrijven. Het is aan het bestuursorgaan om te bepalen of dit wenselijk is. Onder verwijzing naar de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 4:4 van de Awb (Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 90-91) heeft de rechtbank voorts overwogen dat een aanvraag die op andere wijze dan door middel van het voorgeschreven formulier is ingediend, onder omstandigheden op grond van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling kan worden gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voldoende gemotiveerd dat het formulier in het algemeen het ordelijk verloop van de behandeling van aanvragen dient. Nu [appellant] geen gebruik heeft gemaakt van het door het college voorgeschreven formulier en geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om dat alsnog te doen, mocht het college zijn verzoek buiten behandeling stellen, aldus de rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college zijn verzoek niet buiten behandeling mocht stellen. Hij voert aan dat voor het indienen van een Wob-verzoek geen formulier verplicht kan worden gesteld, omdat een dergelijk verzoek vormvrij is. Hij wijst erop dat op grond van de Wob ook op een mondeling verzoek een besluit dient te worden genomen.

4.1. Uitgangspunt van de Wob is dat een verzoek om informatie vormvrij is, in die zin dat de Wob geen formele eisen stelt aan de wijze waarop een verzoek wordt ingediend. Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wob wilde de wetgever geen drempels opwerpen voor het indienen van Wob-verzoeken, omdat dit afbreuk zou doen aan de doelstelling van de Wob. Om die reden heeft de wetgever niet voorgeschreven dat een verzoek schriftelijk moet worden ingediend (Kamerstukken II 1987/88, 19 859, nr. 6, blz. 24).

Dat dit uitgangspunt nog steeds geldt, volgt onder meer uit de geschiedenis van de totstandkoming van de op 12 juli 2016 aangenomen Wijziging van de Wet openbaarheid van bestuur in verband met aanvullingen ter voorkoming van misbruik. Daarin is meermalen vermeld dat het uitgangspunt is dat een Wob-verzoek vormvrij is en dat een voorgeschreven wijze van indienen - zoals een verplicht voorgeschreven formulier - afbreuk zou doen aan de doelstelling van de Wob. In dat verband is verwezen naar de vermelde passage uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wob: "Zoals reeds in de memorie van antwoord bij de Wob is opgemerkt schept een formeel vereiste van een schriftelijk verzoek immers een drempel." (Kamerstukken II 2014/15, 34 106, nr. 6, blz. 4 en 8).

4.2. Het uitgangspunt dat een Wob-verzoek vormvrij is, verdraagt zich niet met de verplichting om een door het bestuursorgaan vastgesteld formulier te gebruiken voor de indiening van zo'n verzoek. Daarom is artikel 4:4 van de Awb niet van toepassing op Wob-verzoeken, ook al is dit niet uitdrukkelijk in de Wob bepaald. Een bestuursorgaan mag vanzelfsprekend een formulier vaststellen waarmee Wob-verzoeken kunnen worden ingediend, maar het gebruik daarvan mag niet verplicht worden gesteld. Een Wob-verzoek kan daarom ook niet wegens het niet gebruiken van het voorgeschreven formulier buiten behandeling worden gesteld. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, mocht het college het verzoek van [appellant] daarom niet wegens het niet gebruiken van het door het college voorgeschreven formulier buiten behandeling stellen.

Het betoog slaagt.

Slotoverwegingen

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van het college van 18 november 2014 gegrond verklaren, omdat het buiten behandeling laten van het Wob-verzoek zich niet verdraagt met de Wob. Dat besluit zal daarom worden vernietigd.

6. Het college dient opnieuw een besluit te nemen op het door [appellant] tegen het besluit van 6 augustus 2014 gemaakte bezwaar. Daarbij dient het college het verzoek van [appellant] alsnog inhoudelijk te behandelen. Voor zover, zoals het college in het verweerschrift in hoger beroep stelt, niet duidelijk is op welke periode het verzoek van [appellant] ziet, dient hij met toepassing van artikel 3, vierde lid, van de Wob in de gelegenheid te worden gesteld om het verzoek te preciseren.

7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 juni 2015 in zaak nr. 14/8966;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar van 18 november 2014, verzonden bij brief met kenmerk U14.006566;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.042,04 (zegge: tweeduizend tweeënveertig euro en vier cent), waarvan € 1.984,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 413,00 (zegge: vierhonderddertien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Herweijer, griffier.

w.g. Slump w.g. Herweijer

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2016

640.