Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2269

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-08-2016
Datum publicatie
17-08-2016
Zaaknummer
201600917/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 december 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Zuidoost - Fietspad Zuid Esmarkerrondweg" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201600917/1/R1.

Datum uitspraak: 17 augustus 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellante B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Enschede,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Enschede,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Zuidoost - Fietspad Zuid Esmarkerrondweg" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juli 2016, waar [appellant A], bijgestaan door K. van der Leij, en de raad, vertegenwoordigd door L.M. Kelly-van Oort en P.J. te Velde, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het plan voorziet in de aanleg van twee delen van het tracé van een fietspad. Dit tracé voert grotendeels direct langs de Zuid Esmarkerrondweg die ten zuidoosten van Enschede ligt. Volgens de plantoelichting is het de bedoeling het fietstracé vrij van de Zuid Esmarkerrondweg aan te leggen waardoor de verkeersveiligheid kan worden vergroot. Een van de twee delen van het tracé waarin het plan voorziet, doorsnijdt het perceel Wilminkweg 60, dat in eigendom is van [appellant]. Het fietspad zal op ongeveer 80 m ten zuidoosten vanaf de woning op dat perceel worden aangelegd.

2. Teneinde het fietspad te realiseren is de bestemming "Agrarisch met waarden - Agrarische functie met landschapswaarde" en de aanduiding "pad" toegekend aan een strook grond op het perceel van [appellant] van ongeveer 4 m breed en 175 m lang.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1.2, van de planregels is ter plaatse van de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Agrarische functie met landschapswaarde" en de aanduiding "pad" een fietspad met bijbehorende voorzieningen, zoals groenvoorzieningen, straatmeubilair en openbare nutsvoorzieningen, toegestaan.

Alternatieven

3. [ appellant] betoogt dat de raad had moeten kiezen voor een alternatieve route van dit deel van het tracé. Zo had het fietspad aan de zuidkant van zijn perceel de Zuid Esmarkerrondweg kunnen blijven volgen of aan de noordkant de Wilminkweg en daarna de Brinkstraat. In die gevallen doorsnijdt het fietspad het perceel van [appellant] niet en worden bestaande wegen gevolgd. De route via de Wilminkweg en Brinkstraat is slechts 235 m langer ten opzichte van de optie waarin het plan voorziet en daarmee verwaarloosbaar langer in verhouding tot de gehele fietsverbinding die langs de Zuid Esmarkerrondweg loopt. Er is volgens hem dus geen noodzaak om het fietspad over zijn gronden te laten lopen. Ook de bestaande infrastructuur in de omgeving kan worden aangepast waardoor zijn perceel niet hoeft te worden doorkruist.

3.1. De raad heeft ten behoeve van het plan het rapport "Fietspad Zuid Esmarkerrondweg voorlopig ontwerp voor een vrijliggend fietspad langs de Zuid Esmarkerrondweg tussen de Holzikerbrink en de Stenversweg", gedateerd maart 2013, opgesteld. Hierin zijn diverse varianten besproken van de fietsroute, waarbij de totale fietsroute is opgedeeld in verschillende trajecten. Over het trajectdeel waarbinnen het perceel van [appellant] ligt, trajectdeel E, is vermeld dat hiervoor twee varianten zijn. Variant 1, langs de Zuid Esmarkerrondweg, is volgens het rapport niet gewenst. Hoewel de inrichting van het perceel met maïs weinig obstakels geeft bij het aanleggen van een fietspad, moet rekening worden gehouden met obstakels op de naastgelegen percelen (woningen en monumentale eiken) die een slingerend fietspad opleveren. Het doorsnijden van de kavel, waarbij de precieze locatie van de doorsnijding nog niet was gegeven, geniet daarom de voorkeur, aldus het rapport. Over de aangedragen variant om de fietsroute via de Wilminkweg te laten lopen, is in het rapport gesteld dat dit niet wenselijk is omdat de route te ver van de Zuid Esmarkerrondweg af ligt en teveel omrijvertraging met zich brengt.

3.2. De raad heeft zich bij de bevindingen van het rapport aangesloten en verder toegelicht dat op de hoek van de Zuid Esmarkerrondweg en de Brinkstraat een woning zodanig dicht op de weg dat een apart fietspad naast de weg niet mogelijk is. Verder staan een elektriciteitshuisje en enkele bomen zeer dicht op de kruising van de Zuid Esmarkerrondweg met de Brinkstraat. Ter zitting heeft de raad nog over de door [appellant] voorgestelde route toegelicht dat, behalve een langere omrijtijd, ook het oversteken van de Brinkstraat ter hoogte van de Wilminkweg voor fietsers gevaarlijker is omdat het autoverkeer daar harder rijdt. Bij de uiteindelijke keuze van de route van het fietspad over het perceel van [appellant] heeft de raad voorts het tracé 15 m verder van de woning gelegd. De raad heeft over het gebruik van de gronden nog gesteld dat het afgesneden perceelsdeel nog wel kan worden gebruikt voor agrarische activiteiten, bijvoorbeeld het weiden van dieren.

Hoewel het aannemelijk is dat het voor [appellant] lastiger is om zijn gronden te bereiken of te gebruiken, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid na afweging van de betrokken belangen voor de eigen variant en niet voor een van de door [appellant] aangedragen alternatieven gekozen, gelet op de moeilijkere inpasbaarheid van die alternatieven in de omgeving dan wel de extra omrijtijd als de route via de Wilminkweg en de Brinkstraat zou lopen. De raad heeft daarom in redelijkheid de bestemming "Agrarisch met waarden - Agrarische functie met landschapswaarde" en de aanduiding "pad" toegekend aan het betrokken perceelsgedeelte. Het betoog faalt.

Verkeersveiligheid

4. [ appellant] stelt dat onderzoek had moeten worden gedaan naar de verkeersveiligheid ter plaatse van de kruising van het aan te leggen fietspad en de Brinkstraat ten westen van zijn perceel. Volgens hem heeft de raad de risico’s voor de verkeersveiligheid onderschat.

4.1. De raad stelt dat de inrichting van de oversteek bij de Brinkstraat een aspect van uitvoering van het plan is. Het plan en het plan waarbinnen de Brinkstraat valt laten het toe dat een overzichtelijke en duidelijke voorrangssituatie kan worden gecreëerd. [appellant] heeft dit niet betwist. Voorts heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat de nieuwe kruising niet veilig kan worden uitgevoerd. De raad heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de verkeersveiligheid niet aan de vaststelling van het plan in de weg behoefde te staan. Het betoog faalt.

Onteigeningskosten en planschade

5. [ appellant] betoogt dat uit de plantoelichting niet blijkt op welke wijze de verwerving van de benodigde gronden is meegewogen in het totaalbedrag van de begrote kosten voor de uitvoering van het plan. [appellant] wijst er op dat de raad een bedrag van bijna twee miljoen euro beschikbaar heeft gesteld voor de uitvoering van het plan, maar dat niet duidelijk is of in dat bedrag de kosten voor onteigening zijn betrokken. Nu geen rekening is gehouden met de waardevermindering van zijn resterende gronden kan niet gesteld worden dat het plan financieel uitvoerbaar is. Verder stelt hij dat geen rekening is gehouden met de waardevermindering van zijn woning.

5.1. In een voorstel ten behoeve van een raadsvergadering op 15 april 2013 is toegelicht dat de kosten van het fietspad als volgt worden geraamd:

Blijkens de besluitenlijst van de raadsvergadering van 27 mei 2013 is overeenkomstig dit voorstel besloten. De Afdeling ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat de kosten voor de verwerving, in het uiterste geval door middel van onteigening, niet inzichtelijk zijn.

Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de agrarische gronden betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Het betoog faalt.

6. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Kramer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, griffier.

w.g. Kramer w.g. Van Helvoort

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2016

361.