Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2257

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-08-2016
Datum publicatie
17-08-2016
Zaaknummer
201505364/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2015:4391, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 februari 2014 heeft de minister [appellante] een boete van € 18.000,00 opgelegd.

Wetsverwijzingen
Arbeidsomstandighedenbesluit
Arbeidsomstandighedenbesluit 4.48
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2016/232 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden

Uitspraak

201505364/1/A3.

Datum uitspraak: 17 augustus 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 3 juni 2015 in zaak nr. 14/3213 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2014 heeft de minister [appellante] een boete van € 18.000,00 opgelegd.

Bij besluit van 11 juli 2014 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 juni 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juni 2016, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. L.E. Jansen, advocaat te Amstelveen, vergezeld door [directeur] van [appellante] en G. Lensink, deskundige, werkzaam bij RIR, en de minister, vertegenwoordigd door mr. R.W.J. Crommelin, T.A.G. Apswoude en M. Schwank, allen werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Ter zitting is met wederzijdse instemming van [appellante] en de minister afgesproken dat [appellante] en de minister de gelegenheid krijgen te reageren op het verweerschrift respectievelijk de reactie van [appellante] daarop en dat daarna het onderzoek zal worden gesloten.

[appellante] en de minister hebben een reactie ingediend.

Op 8 juli 2016 is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Op 13 augustus 2013 voerden werknemers die [appellante] had ingeleend werkzaamheden uit waarbij zij asbest of asbesthoudende producten verwijderden, die onder meer meer dan 60% amosiet bevatten. De werkzaamheden werden uitgevoerd in een kruipruimte onder een monumentaal pand. Bij die werkzaamheden werd ervan uitgegaan dat de concentratie van asbeststof in de lucht de grenswaarde van één vezel per cm3 zou overschrijden. De werkzaamheden vielen daarmee in risicoklasse 3.

De werknemers werkten in een containment. Dat is een constructie waarmee een werkgebied waar asbesthoudende materialen worden verwijderd, wordt afgeschermd van de omgeving. De containment heeft als doel het voorkomen van de verspreiding van asbestvezels naar mens en milieu.

2. De minister heeft [appellante] een boete van € 18.000,00 opgelegd wegens overtreding van artikel 16, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, gelezen in verbinding met artikel 4.48a, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. In het bestreden besluit staat hierover dat het bepaalde in laatstgenoemd artikel is overtreden omdat blootstelling aan een concentratie asbeststof boven de wettelijke grenswaarde kon worden verwacht, maar geen doeltreffende maatregelen ter bescherming van de betrokken werknemers zijn genomen.

De minister heeft aan deze constatering ten grondslag gelegd dat een inspecteur van de arbeidsinspectie tijdens een inspectie op 13 augustus 2013 heeft vastgesteld dat de registratiemeter van de onderdruk in de containment tijdens de werkzaamheden een waarde aangaf die schommelde rond de 11 pascal onderdruk. Volgens de minister dient de onderdruk in de containment minimaal 20 pascal te bedragen om verspreiding van asbestvezels buiten de containment te voorkomen. Dit is overeenkomstig de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening hetgeen op 22 april 2014 is bevestigd in een rapport van TNO en neergelegd in het certificatieschema SC-530, aldus de minister.

3. [appellante] stelt dat zij heeft voldaan aan alle eisen voor de bescherming van de werknemers en dat de rechtbank daarom heeft miskend dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij een overtreding heeft begaan. Volgens [appellante] is, nadat een containment rond het kruipluik is gerealiseerd waarin een onderdruk van 26 pascal aanwezig was, deze onderdruk plotseling gedaald bij het openen van het kruipluik. Hierop zijn maatregelen genomen door de ventilatie in de containment met meer dan 50% te verhogen naar 6500 m3. Voorts is getracht de oorzaak van het wegvallen van de onderdruk te achterhalen. Hierbij is een tweede kruipluik ontdekt dat niet in het inventarisatierapport was opgenomen maar, naar achteraf is gebleken, de oorzaak was van het wegvallen van de onderdruk bij openen van het eerste kruipluik, aldus [appellante]. De werknemers hadden voorts beschermende kleding aan, zodat zij op geen enkel moment in gevaar zijn geweest en de genomen maatregelen zijn door een medewerker in het logboek vermeld, aldus [appellante].

Volgens [appellante] is geen overtreding begaan omdat zij nog niet was begonnen met het saneren van asbest. Zij wijst er verder op dat het voorkomen van verspreiding van asbestvezels, zoals in dit geval noodzakelijk door het dalen van de onderdruk, ook kan worden bewerkstelligd door het nemen van andere maatregelen. Het aanhouden van 20 pascal onderdruk was ten tijde van de vermeende overtreding niet als norm voorgeschreven. Zij wijst hierbij op document SC-101, dat door Stichting certificatie asbest (hierna: Ascert) is gepubliceerd. Ascert is een door de minister aangewezen beheerstichting die een convenant met de minister heeft afgesloten op basis waarvan zij certificatieschema's voor het werkveld asbest opstelt en beheert. In document SC-101, dat op de website van Ascert was gepubliceerd, is vermeld dat het streefcijfer van 20 pascal onderdruk niet altijd een harde eis is en dat, als een onderdruk van 20 pascal niet haalbaar is of blijkt, dit in het logboek wordt geregistreerd onder vermelding van de aanvullende maatregelen. Voorts worden in het document SC-101 aanvullende maatregelen omschreven. Voor de situatie met een onderdruk van 10-20 pascal staat daarin als maatregel omschreven: het verhogen van de zogenoemde ventilatievoud met 50% en het dichten van de bereikbare lekken. [appellante] betoogt dat zij hieraan heeft voldaan. Zij wijst verder op een rapport van TNO van 22 april 2014 dat de minister in beroep heeft overgelegd en waaruit volgt dat TNO weliswaar aanbeveelt een onderdruk van 20 pascal te handhaven, maar waaruit ook volgt dat daarvan mag worden afgeweken als dat is gemotiveerd en vastgelegd in het werkplan nadat bepaalde handelingen zijn verricht. Daarnaast wijst zij op een brief van het Instituut voor Beroepsexamens (hierna: IBEX) van 30 oktober 2013 dat naar aanleiding van een melding van de inspecteur die betrokken was bij de overtreding heeft onderzocht of de werkwijze zoals gevolgd op 13 augustus 2013 gevolgen zou moeten hebben voor de geldigheid van het certificaat van de betrokken deskundige toezichthouder asbestsloop. De conclusie van IBEX is dat de reden voor de verlaging van de onderdruk valide is, er overcapaciteit was en allerlei aanvullende maatregelen waren genomen en daarom met de registraties voldoende is vastgelegd en aangetoond dat voldaan is aan een goede motivering.

3.1. De relevante regelgeving is vervat in een bijlage bij deze uitspraak.

3.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de minister zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat werknemers van [appellante] ten tijde van de inspectie reeds waren begonnen met saneren. Zoals [appellante] ook zelf erkent, hebben werknemers losse fracties asbest ingepakt en resten gestofzuigd, met een vochtige doek gereinigd en hebben zij veiligheidslinten aangebracht. Daarmee voerden die werknemers werkzaamheden uit als bedoeld in artikel 4.54a, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

3.3. Ingevolge artikel 4.48a, eerste lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit neemt, indien overschrijding van de grenswaarde kan worden verwacht van de concentratie van asbestvezels van 10.000 vezels per kubieke meter, berekend over een referentieperiode van 8 uur per dag, de werkgever doeltreffende maatregelen ter bescherming van de betrokken werknemers. Tot die maatregelen behoren in ieder geval het voorkomen van de verspreiding van stof afkomstig van asbest of asbesthoudende materialen buiten de ruimten waar de werkzaamheden plaatsvinden.

Ingevolge artikel 4.27, aanhef en onder b, van de Arbeidsomstandighedenregeling kan een certificaat worden afgegeven indien in geval van het certificaat, bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, de aanvrager voldoet aan de eisen, vastgelegd in het Werkveldspecifiek certificatieschema voor het Procescertificaat Asbestverwijdering, zoals opgenomen in bijlage XIIIb bij deze regeling.

Gelet op deze bepaling diende het werkplan zoals bedoeld in artikel 4.50, vijfde lid, te voldoen aan hetgeen is vermeld in bijlage XIIIb bij de Arbeidsomstandighedenregeling. In punt 13 van artikel 7.14.4 van bijlage XIIIb bij de Arbeidsomstandighedenregeling is vermeld dat de containment zodanig moet worden ingericht dat er geen vezelverspreiding buiten de containment kan plaatsvinden gedurende het asbestverwijderingswerk. In de tot dit punt 13 behorende uitwerking staat dat dit kan worden gerealiseerd door een reeks maatregelen waartoe behoort het in stand houden van een onderdruk van 20 pascal tijdens de verwijdering.

4. De minister heeft aan de overtreding ten grondslag gelegd dat geen onderdruk van 20 pascal in stand is gehouden tijdens de verwijdering van asbest en heeft daaraan de conclusie verbonden dat daarmee het bepaalde in artikel 4.48a, eerste lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit is overtreden. Uit dit artikel volgt echter niet dat doeltreffende maatregelen ter bescherming van de betrokken werknemers en het voorkomen van verspreiding van stof afkomstig van asbest of asbesthoudende materialen buiten de ruimten waar de werkzaamheden plaatsvinden uitsluitend kunnen worden bewerkstelligd door het in stand houden van een onderdruk van 20 pascal. Ook uit punt 13 van artikel 7.14.4. van bijlage XIIIb bij de Arbeidsomstandighedenregeling volgt niet dat het in stand houden van een onderdruk van 20 pascal tijdens de verwijdering de enig toegestane manier is om verspreiding van asbestvezels buiten de containment te voorkomen. Ten tijde van de overtreding was de door de minister in de besluitvorming gehanteerde voorwaarde van een onderdruk van 20 pascal binnen de containment derhalve niet als harde norm voorgeschreven. De regelgeving liet door de bewoordingen daarvan ruimte voor het op andere wijze voldoen aan de wel omschreven norm, namelijk dat verspreiding buiten de containment dient te worden voorkomen. Daargelaten de vraag wat ten tijde van de overtreding de stand van de wetenschap was, blijkt voorts uit de door [appellante] overgelegde stukken zoals weergegeven in overweging 3 dat in elk geval destijds op zijn minst verschil van inzicht bestond over de verscheidene manieren waarop verspreiding van vezels buiten de containment kan worden voorkomen.

Gelet op al het voorgaande heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat uit het werken in een containment zonder dat daarin op dat moment een onderdruk van 20 pascal werd gehandhaafd zonder meer volgt dat het bepaalde in artikel 16, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, gelezen in verbinding met artikel 4.48a, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, is overtreden. Het voorgaande brengt mee dat de grondslag aan de boeteoplegging is komen te ontvallen. Dat betekent dat de minister ten onrechte een boete heeft opgelegd aan [appellante].

Het betoog van [appellante] slaagt.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 11 juli 2014 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit dient te worden vernietigd. De Afdeling zal zelf in de zaak voorzien door het besluit van 6 februari 2014, waarbij de boete is opgelegd, te herroepen. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

6. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 3 juni 2015 in zaak nr. 14/3213;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van 11 juli 2014, kenmerk 1.2014.0540.001;

V. herroept het besluit van 6 februari 2014, kenmerk 071305953/04;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII. veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1984,00 (zegge: negentienhonderdvierentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van €328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor de behandeling van het beroep en €497,00 (zegge: vierhonderdzevenennegentig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. R.J. Koopman, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, griffier.

w.g. Van Ettekoven

voorzitter De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2016

317.

BIJLAGE

Arbeidsomstandighedenwet

Artikel 3

1. De werkgever zorgt voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers inzake alle met de arbeid verbonden aspecten en voert daartoe een beleid dat is gericht op zo goed mogelijke arbeidsomstandigheden, waarbij hij, gelet op de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening, het volgende in acht neemt:

a. tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd organiseert de werkgever de arbeid zodanig dat daarvan geen nadelige invloed uitgaat op de veiligheid en de gezondheid van de werknemer;

b. tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd worden de gevaren en risico's voor de veiligheid of de gezondheid van de werknemer zoveel mogelijk in eerste aanleg bij de bron daarvan voorkomen of beperkt; naar de mate waarin dergelijke gevaren en risico's niet bij de bron kunnen worden voorkomen of beperkt, worden daartoe andere doeltreffende maatregelen getroffen waarbij maatregelen gericht op collectieve bescherming voorrang hebben boven maatregelen gericht op individuele bescherming; slechts indien redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat maatregelen worden getroffen die zijn gericht op individuele bescherming, worden doeltreffende en passende persoonlijke beschermingsmiddelen aan de werknemer ter beschikking gesteld;

c. de inrichting van de arbeidsplaatsen, de werkmethoden en de bij de arbeid gebruikte arbeidsmiddelen alsmede de arbeidsinhoud worden zoveel als redelijkerwijs kan worden gevergd aan de persoonlijke eigenschappen van werknemers aangepast;

d. monotone en tempogebonden arbeid wordt, zoveel als redelijkerwijs kan worden gevergd, vermeden dan wel, indien dat niet mogelijk is, beperkt;

e. doeltreffende maatregelen worden getroffen op het gebied van de eerste hulp bij ongevallen, de brandbestrijding en de evacuatie van werknemers en andere aanwezige personen, en doeltreffende verbindingen worden onderhouden met de desbetreffende externe hulpverleningsorganisaties;

f. elke werknemer moet bij ernstig en onmiddellijk gevaar voor zijn eigen veiligheid of die van anderen, rekening houdend met zijn technische kennis en middelen, de nodige passende maatregelen kunnen nemen om de gevolgen van een dergelijk gevaar te voorkomen, waarbij artikel 29, eerste lid, derde zin, van overeenkomstige toepassing is.

2. De werkgever voert, binnen het algemeen arbeidsomstandighedenbeleid, een beleid gericht op voorkoming en indien dat niet mogelijk is beperking van psychosociale arbeidsbelasting.

3. Ter uitvoering van het eerste lid draagt de werkgever zorg voor een goede verdeling van bevoegdheden en verantwoordelijkheden tussen de bij de werkgever werkzame personen, waarbij hij rekening houdt met de bekwaamheden van de werknemers.

4. De werkgever toetst het arbeidsomstandighedenbeleid regelmatig aan de ervaringen die daarmee zijn opgedaan en past de maatregelen aan zo dikwijls als de daarmee opgedane ervaring daartoe aanleiding geeft.

Arbeidsomstandighedenbesluit

Artikel 4.18. Voorkomen of beperken van blootstelling

1. Voor zover uit de resultaten van de beoordeling, bedoeld in het artikel 4.2, eerste lid, blijkt dat er gevaar voor de gezondheid van de werknemers bestaat en dat het op doeltreffende wijze voorkomen van blootstelling door het nemen van maatregelen als bedoeld in artikel 4.17 technisch niet uitvoerbaar is, wordt de blootstelling, voor zover dit technisch uitvoerbaar is, bij de bron voorkomen of teruggebracht tot een zo laag mogelijk niveau onder de grenswaarde, met name door de productie en het gebruik van kankerverwekkende of mutagene stoffen of kankerverwekkende processen plaats te doen vinden in een gesloten systeem.

2. Indien het voorkomen van blootstelling of het terugbrengen van blootstelling tot een zo laag mogelijk niveau onder de grenswaarde technisch niet uitvoerbaar is, worden collectieve maatregelen genomen om kankerverwekkende of mutagene stoffen of stoffen die vrijkomen bij kankerverwekkende processen op doeltreffende wijze bij de bron te verwijderen, onder meer door plaatselijke afvoer van de lucht, zo nodig aangevuld door algemene ventilatie, waarbij, met inachtneming van artikel 4.5, gelijktijdig voldoende toevoer van niet-verontreinigde lucht is gewaarborgd zonder dat hierbij gevaar ontstaat voor de volksgezondheid en het milieu.

3. Indien het technisch niet uitvoerbaar is om de blootstelling van werknemers te voorkomen of te beperken tot een zo laag mogelijk niveau onder de grenswaarde door middel van de maatregelen, bedoeld in het tweede lid, worden aan de werknemers die worden of kunnen worden blootgesteld, persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking gesteld.

4. Indien de werkzaamheden worden verricht met gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen overeenkomstig het derde lid, wordt de duur van het dragen daarvan voor ieder van deze werknemers tot het strikt noodzakelijke beperkt.

Artikel 4.48a. Aanvullende maatregelen

1. Indien, gelet op de aard van de werkzaamheden, overschrijding van een grenswaarde, bedoeld in artikel 4.46, kan worden verwacht ondanks preventieve technische maatregelen ter beperking van de asbestconcentratie in de lucht, neemt de werkgever doeltreffende maatregelen ter bescherming van de betrokken werknemers.

2. Tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, behoren in ieder geval:

a. het ter beschikking stellen en het verplichten te dragen van passende ademhalingsapparatuur en andere persoonlijke beschermingsmiddelen;

b. het aanbrengen van waarschuwingsborden die voldoen aan het bij of krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 8 bepaalde, ter aanduiding dat een overschrijding van een in artikel 4.46 genoemde grenswaarde kan worden verwacht;

c. het voorkomen van de verspreiding van stof afkomstig van asbest of asbesthoudende materialen buiten de ruimten waar de werkzaamheden plaatsvinden.

3. De ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging of, bij het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers wordt de gelegenheid gegeven een oordeel kenbaar te maken over de maatregelen, bedoeld in het eerste lid.

4. Voordat wordt aangevangen met andere werkzaamheden, wordt respectievelijk worden het aanwezige asbest dan wel de aanwezige asbesthoudende producten verwijderd, behalve wanneer dit voor de werknemers een groter gevaar voor de veiligheid en gezondheid zou inhouden.

Artikel 4.50. Werkplan

1. Voordat wordt aangevangen met de werkzaamheden wordt door de werkgever van het bedrijf, bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, een schriftelijk werkplan opgesteld dat doeltreffende, op de specifieke situatie van de betreffende arbeidsplaats toegespitste, maatregelen bevat ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de betrokken werknemers.

2. Indien een inventarisatierapport als bedoeld in artikel 4.54a, derde lid, is opgesteld, worden de resultaten van dat rapport opgenomen in het werkplan.

3. In het werkplan wordt voorgeschreven dat de werkgever van het bedrijf, bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, zich ervan vergewist dat na de eindbeoordeling, bedoeld in artikel 4.51a, er geen risico’s van bloostelling aan asbest of asbesthoudende producten meer zijn.

4. In het werkplan worden de volgende gegevens opgenomen:

a. een beschrijving van de maatregelen, bedoeld in de artikelen 4.1c, eerste lid, aanhef en onderdelen d en h, 4.7, derde lid, onderdelen b, c en e, 4.18, 4.19, aanhef en onderdelen b en c, 4.20, eerste tot en met vierde lid, 4.45, eerste en tweede lid, onderdelen a, b, en d, 4.48a, tweede en vierde lid, en 4.51.

b. een beschrijving van de aard, duur en plaats van de werkzaamheden alsmede van de werkmethode;

c. een beschrijving van de werktuigen, machines, toestellen en overige hulpmiddelen die bij de werkzaamheden worden gebruikt;

d. de namen van de werknemers en personen, bedoeld in artikel 4.54d, vijfde en zevende lid.

5. De werkzaamheden worden overeenkomstig het opgestelde werkplan uitgevoerd.

6. Het werkplan of een afschrift daarvan is op de arbeidsplaats aanwezig en wordt desgevraagd getoond aan de toezichthouder.

Artikel 4.54a. Asbestinventarisatie

1. In het kader van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, wordt de aanwezigheid van asbest of asbesthoudende producten volledig geïnventariseerd voordat wordt aangevangen met de volgende werkzaamheden:

a. het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van bouwwerken, met uitzondering van grondwerken, of objecten waarin asbest of asbesthoudende producten is respectievelijk zijn verwerkt;

b. het verwijderen van asbest of asbesthoudende producten uit de bouwwerken of objecten, bedoeld in onderdeel a;

c. het opruimen van asbest of asbesthoudende producten die ten gevolge van een incident zijn vrijgekomen.

2. Op grond van de inventarisatie, bedoeld in het eerste lid, wordt in het kader van de risicobeoordeling, bedoeld in artikel 4.2, door het bedrijf, bedoeld in het vierde lid, bepaald in welke risicoklasse als bedoeld in de artikelen 4.44, 4.48 of 4.53a de werkzaamheden vallen.

3. De resultaten van de inventarisatie, bedoeld in het eerste lid, en de indeling in een risicoklasse, bedoeld in het tweede lid, worden opgenomen in een inventarisatierapport.

4. De inventarisatie, bedoeld in het eerste lid, en het inventarisatierapport, bedoeld in het derde lid, worden uitgevoerd, onderscheidenlijk opgesteld, door een bedrijf dat in het bezit is van een certificaat asbestinventarisatie dat is afgegeven door Onze Minister of een certificerende instelling.

5. Een afschrift van het inventarisatierapport wordt verstrekt aan het bedrijf dat asbest verwijdert.

6. Het certificaat asbestinventarisatie of een afschrift daarvan is op de arbeidsplaats aanwezig en wordt desgevraagd getoond aan de toezichthouder.

Artikel 4.54d. Deskundigheid bij het werken met asbest

1. De volgende werkzaamheden, indien de concentratie van asbestvezels is ingedeeld in risicoklasse 2 of 3, worden verricht door een bedrijf dat in het bezit is van een certificaat asbestverwijdering, dat is afgegeven door Onze Minister of een certificerende instelling:

a. de werkzaamheden, bedoeld in artikel 4.54a, eerste lid;

b. het reinigen van de arbeidsplaats nadat een handeling als bedoeld in artikel 4.54a, eerste lid, onderdeel a of b, is uitgevoerd.

2. Artikel 4.54b, met uitzondering van onderdeel a, is van overeenkomstige toepassing.

3. Voordat wordt aangevangen met het verwijderen van asbest is het bedrijf, bedoeld in artikel 4.54a, vijfde lid, in het bezit van een afschrift van een inventarisatierapport als bedoeld in artikel 4.54a, derde lid, voor zover van toepassing.

4. Bij de uitvoering van de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, wordt in het kader van de risicobeoordeling, bedoeld in artikel 4.2, de indeling van de risicoklasse in het inventarisatierapport als ondergrens gehanteerd.

5. De werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, worden verricht door of onder voortdurend toezicht van een persoon die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid voor het toezicht houden op het werken met asbest, dat is afgegeven door Onze Minister of een certificerende instelling.

6. Bij een bedrijf als bedoeld in het eerste lid is ten minste één persoon als bedoeld in het vijfde lid werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst.

7. Voor zover de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, mede worden verricht door een andere persoon dan de persoon, bedoeld in het vijfde lid, is deze andere persoon in het bezit van een certificaat vakbekwaamheid voor het verwijderen van asbest, dat is afgegeven door Onze Minister of een certificerende instelling.

8. Indien de handelingen, bedoeld in artikel 5, onderdelen e en f, van het Productenbesluit asbest betrekking hebben op werkzaamheden met asbesthoudende grond, worden deze werkzaamheden begeleid door een persoon die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid arbeidhygiëne of veiligheidskunde als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid.

9. De certificaten, bedoeld in het eerste, vijfde en zevende lid, of afschriften daarvan en een afschrift van het inventarisatierapport, bedoeld in artikel 4.54a, derde lid, zijn op de arbeidsplaats aanwezig en worden desgevraagd getoond aan de toezichthouder.

Arbeidsomstandighedenregeling

Artikel 4.27. Eisen voor afgifte van certificaten in het werkveld asbest

Een certificaat kan worden afgegeven indien:

a. in geval van het certificaat, bedoeld in artikel 4.54a, vierde lid, van het besluit, de aanvrager voldoet aan de eisen, vastgelegd in het Werkveldspecifiek certificatieschema voor het Procescertificaat Asbestinventarisatie, zoals opgenomen in bijlage XIIIa bij de regeling;

b. in geval van het certificaat, bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, van het besluit, de aanvrager voldoet aan de eisen, vastgelegd in het Werkveldspecifiek certificatieschema voor het Procescertificaat Asbestverwijdering, zoals opgenomen in bijlage XIIIb bij de regeling;

c. in geval van het certificaat, bedoeld in artikel 4.54d, vijfde lid, van het besluit, de aanvrager voldoet aan de eisen, vastgelegd in het Werkveldspecifiek certificatieschema voor het Persoonscertificaat Deskundig Toezichthouder Asbestverwijdering (DTA), zoals opgenomen in bijlage XIIIc bij de regeling;

d. in geval van het certificaat, bedoeld in artikel 4.54d, zevende lid, van het besluit, de aanvrager voldoet aan de eisen, vastgelegd in het Werkveldspecifiek certificatieschema voor het Persoonscertificaat Deskundig Asbestverwijderaar (DAV), zoals opgenomen in bijlage XIIId bij de regeling.

Bijlage XIIIb. behorend bij Artikel 4.27

7.14.4. Werkplan

Het bedrijf dient een compleet werkplan op te stellen en intern te controleren met als resultaat een werkplan met de status ''geschikt voor uitvoering''. Daarbij zijn de volgende uitgangspunten van toepassing:

1e Het werkplan omvat de te treffen maatregelen om te voldoen aan de (verwijderings-)voorwaarden en beschermingsmaatregelen (o.a. protectiefactor voor het volgelaatsmasker) in relatie met de aangegeven risicoklasse vermeld in het inventarisatierapport;

2e Verwijderen volgens het inventarisatierapport, met inbegrip van eventuele aanpassingen;

3e In het werkplan zijn tevens de uitvoeringseisen uit de omgevingsvergunning voor het slopen opgenomen. Er dient gebruik te worden gemaakt van de best bestaande techniek.

4e De plaatsen waar asbest wordt verwijderd zijn duidelijk afgebakend, respectievelijk afgeschermd en gemarkeerd;

5e Het in te zetten materieel en materiaal is afgestemd op de in het asbestinventarisatierapport vermelde risicoklassen en voldoet aan de eisen. Het materieel is voorzien van een geldige keuringsidentificatie;

6e Vóór aanvang van de asbestsanering is in het inventarisatierapport vermelde niet-asbestbesmette losstaande inventaris uit het werkgebied verwijderd of degelijk en luchtdicht afgeplakt;

7e Bij meerdaagse werken is er een (‘schone’) zone ingericht en wordt schoongehouden waar werknemers kunnen eten en drinken; tevens is er een toiletgelegenheid aanwezig die wordt schoongehouden;

8e Gedurende de uitvoering van de saneringswerkzaamheden en tijdens de eindcontrole is een decontaminatie-unit aanwezig;

9e Deze decontaminatie-unit is bij voorkeur aan het werkgebied gekoppeld. Indien koppeling van de decontaminatie-unit aan het werkgebied niet mogelijk is, is de reden hiervan in het werkplan vastgelegd;

10e In een containmentsituatie wordt bij verwijdering onder risicoklasse 2 de onderdruk continu gemeten en bij elke shift de geconstateerde onderdrukwaarde geregistreerd in het logboek;

11e In een containmentsituatie wordt bij verwijdering onder risicoklasse 3 ‘de onderdruk’ continu gemeten en continu geregistreerd. De registraties worden opgenomen in het logboek;

12e Een eventueel aanwezig ventilatiesysteem in een containmentsituatie wordt uitgeschakeld en afgeplakt;

13e Het containment wordt zodanig ingericht dat er geen vezelverspreiding buiten het containment kan plaatsvinden gedurende het asbestverwijderingswerk. Gedurende die periode dient de onderdruk onderhouden te worden; ook wanneer er geen activiteiten zijn zoals bijvoorbeeld in de nacht wordt zodanig ingericht dat er geen vezelverspreiding buiten het containment kan plaatsvinden tijdens de asbestwerkzaamheden;

Uitwerking:

Dit kan worden gerealiseerd door:

• het containment luchtdicht af te plakken door middel van folie en tape/spuitlijm;

• een afzuig capaciteit van 6 x de inhoud van het containment per uur te realiseren;

• een minimale onderdruk van 20 pascal instant te houden tijdens de verwijdering;

• een decontaminatie-unit aan het containment te koppelen;

• een tweetraps materiaalsluis aan het containment te koppelen.

14e De afgezogen lucht wordt gefilterd met een voorfilter om grove (asbest)vezeldeeltjes tegen te houden en met een HEPA H13 of H14-filter (volgens NEN-EN1822-1 t/m 5:2002) om fijne (asbest)vezeldeeltjes tegen te houden;

15e Het verwijderen van asbest gebeurt waar mogelijk via demontage;

16e Aan de verwijderingsbron wordt een effectieve stofafzuiging toegepast;

17e Het te verwijderen materiaal wordt vóór verwijdering geïmpregneerd of bevochtigd; indien hiermee een risico op asbestblootstelling wordt gecreëerd, wordt van deze maatregel afgezien;

18e Met asbest vervuild water wordt opgevangen en gefilterd met een voorfilter om grove (asbest)vezeldeeltjes tegen te houden en met een of meer filters met als laatste filter < 5 μm.

19e Bij het verwijderen van asbest bevattende materialen (risicoklasse 2) die zich aan de buitenzijde van een bouwwerk of object bevinden, is het niet noodzakelijk om compartimentering en in onderdruk houden van de ruimte toe te passen. De punten 9), 12) en 13) zijn dan niet verplicht. De overige genoemde punten gelden echter altijd en worden opgevolgd.

20e Voor asbest bevattende materialen (risicoklasse 3) die zich aan de buitenzijde van een bouwwerk of object bevinden geldt de wettelijke eis van compartimentering en in onderdruk houden wèl, met andere woorden: hier wordt de best bestaande techniek toegepast.