Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2237

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-08-2016
Datum publicatie
17-08-2016
Zaaknummer
201508341/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 april 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag over 2011 voor [appellante] herzien en vastgesteld op nihil.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/817

Uitspraak

201508341/1/A2.

Datum uitspraak: 17 augustus 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 25 september 2015 in zaak nr. 15/3043 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 2 april 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag over 2011 voor [appellante] herzien en vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 30 april 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 september 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juni 2016, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, werkzaam aldaar, is verschenen.

Overwegingen

Aanleiding van het hoger beroep

1. [appellante] ontving in 2011 kinderopvangtoeslag. Het voorschot was, voordat het bij besluit van 2 april 2013 werd herzien en vastgesteld op nihil, laatstelijk bepaald op € 12.852,00.

2. De Belastingdienst/Toeslagen heeft [appellante] naar aanleiding van het door haar gemaakte bezwaar tegen het besluit van 2 april 2013 bij brief van 2 april 2015 verzocht nadere stukken te overleggen. Daarbij is onder meer gevraagd om bankafschriften waarop betalingen aan de gastouder en het gastouderbureau zijn vermeld. [appellante] heeft bij retourformulier van 21 april 2015 onder meer jaaroverzichten van het gastouderbureau over 2011 en bankafschriften van het gastouderbureau overgelegd, waarop betalingen van het gastouderbureau aan de gastouder zijn vermeld. Tevens is [appellante] in de gelegenheid gesteld op dat formulier aan te geven of zij haar bezwaarschrift mondeling wil toelichten.

3. De Belastingdienst/Toeslagen heeft [appellante] niet gehoord en het bezwaar ongegrond verklaard.

4. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag over 2011 voor [appellante] terecht heeft herzien en vastgesteld op nihil. Daartoe heeft de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2811, overwogen dat [appellante] in beroep heeft gesteld de kosten gedeeltelijk contant te hebben voldaan, terwijl de betalingen in 2011, gelet op de zogenoemde kassiersfunctie van het gastouderbureau, giraal en via het gastouderbureau hadden moeten geschieden. Verder heeft [appellante] volgens de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat zij de gestelde kosten van kinderopvang heeft gehad. De rechtbank heeft tot slot geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen [appellante] terecht niet heeft gehoord, omdat zich de situatie heeft voorgedaan als bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Kassiersfunctie van het gastouderbureau

5. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij geen recht heeft op kinderopvangtoeslag omdat zij in strijd met de kassiersfunctie van het gastouderbureau contante betalingen heeft verricht. Daartoe voert [appellante] aan dat uit maandelijkse facturen/overzichten blijkt dat de betalingen hebben plaatsgevonden in bijzijn en onder toeziend oog van het gastouderbureau. Daarmee heeft het gastouderbureau de betalingen doorgeleid en heeft het voldaan aan de kassiersfunctie, aldus [appellante].

5.1. In de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2015, voormeld onder 4, waarnaar ook de rechtbank heeft verwezen, heeft de Afdeling overwogen dat gelet op artikel 1.5, eerste lid, aanhef en onder b, gelezen in samenhang met artikel 1.1, eerste lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: Wkkp) een ouder in geval van gastouderopvang aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag indien deze plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau, dat de gastouderopvang tot stand brengt en begeleidt en door tussenkomst van wie de betaling van de ouder aan de gastouder geschiedt. Ook gelet op artikel 1.49, derde lid, aanhef en onder b, van de Wkkp draagt de houder van een gastouderbureau zorg voor het doorgeleiden van de betalingen van ouders aan gastouders. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze laatste bepaling volgt dat de achtergrond ervan is gelegen in het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Wkkp (destijds de Wet kinderopvang), waarbij het onwenselijk is dat een rechtstreekse geldstroom bestaat tussen de vraagouder en de gastouder. Door de doorgeleiding van de betalingen door de houder van een gastouderbureau worden de GGD en de Belastingdienst/Toeslagen in staat gesteld te controleren of daadwerkelijk betaling heeft plaatsgevonden tussen de vraagouder en de gastouder of opvangouder op het daartoe geëigende moment en kan de Belastingdienst controleren of de aangifte inkomstenbelasting van de gastouder klopt (Kamerstukken II, 2008/09, 31 874, blz. 3, pag. 17, 44 en 48).

5.2. Uit de door [appellante] gestelde gang van zaken volgt dat zij een deel van de kosten direct aan de gastouder heeft betaald. Dat deze gestelde contante betalingen in het bijzijn en onder toeziend oog van het gastouderbureau zouden hebben plaatsgevonden, laat onverlet dat zij niet aan het gastouderbureau heeft betaald en een rechtstreekse geldstroom bestond tussen [appellante] en de gastouder. Uit de tekst van de onder 5.1 vermelde bepalingen en de doelstelling van de kassiersfunctie volgt dat het gastouderbureau de betalingen van de ouder die bestemd zijn voor de gastouder op objectief vast te stellen en controleerbare wijze onder zich moet hebben gehad en vervolgens moet hebben doorgeleid naar de gastouder. In artikel 11, derde lid, aanhef en onder d en e, van de Regeling Wkkp is dit vereiste nader uitgewerkt in die zin, dat alle betalingen per bank dienen plaats te vinden. Uit de toelichting op de Regeling van 8 december 2009 waarbij dit vereiste per 1 januari 2010 is ingevoerd (Stcrt. 2009, 19522) blijkt dat contante betalingen niet meer zijn toegestaan.

5.3. Nu uit het voorgaande volgt dat niet op de voorgeschreven wijze is gehandeld maar slechts dat het gastouderbureau, naar gesteld, de financiële transacties tussen [appellante] en de gastouder heeft begeleid, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen terecht het voorschot kinderopvangtoeslag over 2011 voor [appellante] heeft herzien naar nihil.

Het betoog faalt.

Hoorplicht in bezwaar

6. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de hoorplicht in bezwaar niet is geschonden. Daartoe voert [appellante] aan dat zij op geen enkel moment heeft verklaard dat zij niet gehoord wilde worden.

6.1. Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder d, van de Awb kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien indien de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord.

6.2. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling (Kamerstukken II 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 15-16) volgt dat de wetgever met die bepaling een voorziening heeft willen treffen voor bestuursorganen - vooral grote «beschikkingenfabrieken» zoals het UWV - die de indiener van een bezwaarschrift gewoonlijk een brief sturen waarin deze wordt gewezen op zijn recht om te worden gehoord, met het verzoek door middel van het retourneren van een bijgevoegde gefrankeerde antwoordkaart of telefonisch binnen een bepaalde termijn aan te geven of hij van dit recht gebruik wenst te maken. Indien betrokkene niet binnen de gestelde termijn reageert, gaat het bestuursorgaan ervan uit dat deze geen prijs stelt op een hoorzitting. Daarmee heeft de wetgever willen voorkomen dat bestuursorganen ook voor belanghebbenden die niet op de uitnodiging reageren, een hoorzitting moeten organiseren, met het risico op onnodig tijdverlies als vervolgens geen van de belanghebbenden komt opdagen.

6.3. Het door de Belastingdienst/Toeslagen bij brief van 2 april 2015 toegezonden retourformulier is niet slechts de hiervoor bedoelde antwoordkaart om te bepalen of [appellante] gehoord wenste te worden, maar behelst tevens een verzoek om informatie. Daarbij is zij verzocht om stukken die van belang zijn voor het bepalen van haar recht op kinderopvangtoeslag met het retourformulier terug te sturen. Het retourformulier bestaat uit velden voor onder meer het geven van aanvullende informatie. Boven het veld "Aanvullende informatie" is vermeld: "Als u uw bezwaarschrift wilt toelichten kunt u dat bij aanvullende informatie vermelden. Vermeld dan ook uw telefoonnummer." [appellante] heeft het veld "Aanvullende informatie" op het door haar geretourneerde formulier opengelaten. Nu [appellante] op dit formulier niet heeft aangegeven dat zij gehoord wil worden, mocht de Belastingdienst/Toeslagen ervan afzien [appellante] te horen. Dat [appellante] niet heeft verklaard dat zij niet gehoord wilde worden, is gelet op voormelde bepaling niet relevant. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat zich de situatie heeft voorgedaan als bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder d, van de Awb.

Het betoog faalt.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Dokkum

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2016

480-799.