Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:223

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-02-2016
Datum publicatie
03-02-2016
Zaaknummer
201504349/1/A4
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij ongedateerd besluit, verzonden op 22 januari 2013, heeft het college het verzoek van [appellant] om [belanghebbende] te gelasten de asbestverontreiniging op het perceel [locatie 1] te Moergestel ongedaan te maken, afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2016/7191
Milieurecht Totaal 2016/6332
JBO 2016/45 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JM 2016/32 met annotatie van Y. Flietstra
JOM 2016/128
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504349/1/A4.

Datum uitspraak: 3 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Moergestel, gemeente Oisterwijk,

en

het college van burgemeester en wethouders van Oisterwijk,

verweerder.

Procesverloop

Bij ongedateerd besluit, verzonden op 22 januari 2013, heeft het college het verzoek van [appellant] om [belanghebbende] te gelasten de asbestverontreiniging op het perceel [locatie 1] te Moergestel ongedaan te maken, afgewezen.

Bij ongedateerd besluit, verzonden op 19 december 2014, heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroepschrift op 28 mei 2015 aan de Afdeling doorgezonden.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 oktober 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. E. Beele, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. I. Boujamid en J. Geerdink, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. In de nacht van 29 op 30 oktober 2012 heeft een brand gewoed in een loods op het perceel [locatie 2] te Moergestel, dat in eigendom is van [belanghebbende]. Bij deze brand is onder meer asbest vrijgekomen op het naastgelegen perceel [locatie], dat in eigendom is van [appellant] (hierna: het perceel). Het college heeft direct na de brand op grond van overtreding van onder meer artikel 17.1 van de Wet milieubeheer jegens [belanghebbende] spoedeisende bestuursdwang toegepast om de gevolgen van de door de brand ontstane asbestverontreiniging zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Bij besluit van 5 november 2012 is de toepassing van spoedeisende bestuursdwang op schrift gesteld. [appellant] heeft het college verzocht opnieuw handhavend op te treden, omdat het perceel niet tot de nulsituatie is gesaneerd. Het college heeft dit verzoek bij het primaire besluit afgewezen. Bij het besluit op bezwaar (het bestreden besluit) is die afwijzing gehandhaafd. Daarbij heeft het college zich onder meer gebaseerd op het rapport van Search ingenieursbureau B.V. "Nader onderzoek asbest in grond conform NEN 5707" van 14 februari 2013 en de aanvulling daarop van 13 oktober 2014.

Formele beroepsgronden

2. [appellant] betoogt dat het college in het bestreden besluit niet op zijn bezwaarschrift is ingegaan.

2.1. Dit betoog mist feitelijke grondslag. Het college heeft het advies van de bezwaarschriftencommissie van de gemeente Oisterwijk, dat is opgesteld naar aanleiding van het bezwaar, aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. In dit advies wordt ingegaan op het bezwaarschrift.

2.2. [appellant] betoogt dat het college in het bestreden besluit niet is ingegaan op zijn zienswijze van 8 december 2014.

2.3. Naar aanleiding van het advies van de bezwaarschriftencommissie van 8 september 2014 heeft het college Search B.V. gevraagd om nader advies over een van de conclusies van haar rapport van 14 februari 2013. Search B.V. heeft bij memo van 13 oktober 2014 het rapport van 14 februari 2013 aangevuld. Het college heeft bij ongedateerde brief, verzonden op 26 november 2014, [appellant] in de gelegenheid gesteld binnen twee weken op deze aanvulling te reageren. Bij brief van 8 december 2014 heeft [appellant] een zienswijze over de aanvulling van het rapport bij het college ingediend. Het college is in het bestreden besluit niet op deze zienswijze ingegaan. Het besluit is op dit punt in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet deugdelijk gemotiveerd.

Het betoog slaagt.

Inhoudelijke beroepsgronden

3. Zoals [appellant] ter zitting heeft verklaard richt het beroep zich inhoudelijk uitsluitend op de weigering van het college bestuursdwang toe te passen ten aanzien van het asbest of asbesthoudend materiaal dat op de bodem (op het maaiveld) van het perceel ligt. Het beroep heeft geen betrekking op de weigering handhavend op te treden ten aanzien van de mogelijke aanwezigheid van asbest of asbestverontreiniging in de bodem.

4. [appellant] betoogt - kort samengevat - dat, ook nadat spoedeisende bestuursdwang is toegepast, artikel 17.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer niet is nageleefd, nu op het maaiveld van het perceel nog steeds brokken asbest of asbestrestanten liggen. [appellant] stelt dat al het asbest en asbesthoudend materiaal dat op het maaiveld ligt, moet worden verwijderd.

4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de op het maaiveld van het perceel aangetroffen asbest niet behoeft te worden verwijderd, omdat de interventiewaarde bodemsanering van 100 mg/kg d.s als bedoeld in de Circulaire bodemsanering niet wordt overschreden, zodat de aanwezigheid van asbest ter plaatse geen potentieel risico vormt voor het milieu.

4.2. Ingevolge artikel 17.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer treft, indien zich in een inrichting een ongewoon voorval voordoet of heeft voorgedaan, waardoor nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan, degene die de inrichting drijft, onmiddellijk de maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd, om herhaling of de gevolgen van dat voorval te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken.

4.3. De brand in de loods moet worden aangemerkt als een ongewoon voorval als bedoeld in artikel 17.1, eerste lid van de Wet milieubeheer. Niet in geschil is dat als gevolg van die brand brokken asbest, asbestrestanten en/of asbesthoudende materialen op het perceel zijn terechtgekomen. Weliswaar is direct na de brand spoedeisende bestuursdwang toegepast, doch blijkens het rapport van Search B.V. is bij een visuele inspectie op 30 januari 2013 asbestverdacht materiaal op het maaiveld van het perceel aangetroffen. Het betreft hechtgebonden plaatmateriaal dat 10-15% chrysotiel (wit)asbest bevat. Niet in geschil is dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog steeds asbest op het maaiveld van het perceel lag.

De in artikel 17.1, eerste lid, neergelegde zorgplicht brengt in een geval als dit mee dat [belanghebbende] voor een algehele sanering van het asbest dat zich op het maaiveld van het perceel bevindt, zorg moet dragen. Dit betekent dat [belanghebbende] de op het maaiveld aanwezige brokken asbest, asbestresten en het asbesthoudend materiaal had moeten (laten) verwijderen. Nu [belanghebbende] dit heeft nagelaten, heeft hij artikel 17.1, eerste lid, overtreden. Dat het asbest, zoals uit het rapport van Search B.V. van 14 februari 2013 blijkt, de interventiewaarde bodemsanering van 100 mg/kg d.s uit de Circulaire bodemsanering niet overschrijdt, leidt niet tot aan ander oordeel. Deze waarde geeft het verontreinigingsniveau aan waarboven sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, als bedoeld in artikel 37 van de Wet bodembescherming. Gelet hierop kan de interventiewaarde naar het oordeel van de Afdeling niet bepalend zijn voor de vraag of is voldaan aan de zorgplicht, als bedoeld in artikel 17.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Verder kan het laten liggen van de asbestresten nadelige gevolgen hebben voor het milieu, onder meer omdat het maaiveld wordt bewerkt en risico bestaat dat het hechtgebonden asbest gaat vervezelen. Op [belanghebbende] rustte op grond van genoemd artikel tevens de zorgplicht die gevolgen te voorkomen.

Nu het college ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van een overtreding van artikel 17.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, is het besluit in strijd met artikel 7:12 van de Awb ondeugdelijk gemotiveerd.

Het betoog slaagt.

5. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb te worden vernietigd. Het college dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarbij dient het college als uitgangspunt te nemen dat het verzoek van [appellant] om toepassing van bestuursdwang uitsluitend ziet op de verwijdering van asbest dat zich op het maaiveld van het perceel bevindt. Tevens dient het college bij het nieuw te nemen besluit te beslissen op het verzoek van [appellant] om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten, als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb.

6. De overige beroepsgronden behoeven, gelet op hetgeen tussen partijen nog in geschil is, geen bespreking.

7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Oisterwijk, verzonden op 19 december 2014, kenmerk 2012-0608;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Oisterwijk tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.028,64 (zegge: duizendachtentwintig euro en vierenzestig cent), waarvan € 992,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Oisterwijk aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Van der Maesen de Sombreff

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2016

190-811.