Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2223

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-08-2016
Datum publicatie
24-08-2016
Zaaknummer
201506517/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2015:3319, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit, verzonden op 8 augustus 2014,heeft het college de begunstigingstermijn van de bij besluit, verzonden op 4 juli 2014, opgelegde last onder dwangsom verlengd tot 11 oktober 2014.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201506517/1/A1.

Datum uitspraak: 24 augustus 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 9 juli 2015 in zaak nr. 15/135 in het geding tussen:

[appellant] en New York Pizza Delivery B.V., gevestigd te Amstelveen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Deventer.

Procesverloop

Bij besluit, verzonden op 8 augustus 2014, (hierna: het besluit van 8 augustus 2014) heeft het college de begunstigingstermijn van de bij besluit, verzonden op 4 juli 2014, (hierna: het besluit van 4 juli 2014) opgelegde last onder dwangsom verlengd tot 11 oktober 2014.

Bij besluit van 5 januari 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het door New York Pizza Delivery B.V. daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 9 juli 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] en New York Pizza Delivery B.V. daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en New York Pizza Delivery B.V. hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

[belanghebbende A] en [belanghebbende B] hebben daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak samen met de zaken met nummers ECLI:NL:RVS:2016:2222 en ECLI:NL:RVS:2016:2224 gevoegd ter zitting behandeld op 30 mei 2016, waar [appellant] en New York Pizza Delivery B.V., vertegenwoordigd door mr. G. Aarts, advocaat te Amsterdam, P. Vorst, P. Reijnders en R. Henderickx, en het college, vertegenwoordigd door ing. M.G.M. Wolbrink-Meijerink, J.A. Kroes en A. van Boheemen, zijn verschenen. Verder zijn ter zitting [belanghebbende C] en [belanghebbende D] gehoord. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

1. New York Pizza Delivery B.V. heeft ter zitting haar hoger beroep ingetrokken.

2. [appellant] exploiteert de New York Pizza Deventer aan de Houtmarkt 10 te Deventer (hierna: de inrichting) waar onder meer pizza’s worden bereid. De inrichting bevindt zich op de begane grond van een appartementencomplex. Het college heeft bij het besluit van 4 juli 2014, gehandhaafd bij besluit van 5 januari 2015, onder oplegging van een dwangsom gelast ervoor zorg te dragen dat geurhinder wordt voorkomen, dan wel beperkt tot een aanvaardbaar niveau. In het dwangsombesluit staat dat [appellant] aan deze last kan voldoen door afgezogen dampen en gassen van het bereiden van voedingsmiddelen die naar de buitenlucht worden geëmitteerd ten minste twee meter boven de hoogste daklijn van de binnen 25 meter van de uitmonding gelegen bebouwing af te voeren of door deze door een doelmatige ontgeuringsinstallatie te leiden. Bij het besluit van 8 augustus 2014 heeft het college de begunstigingstermijn van deze last verlengd tot 11 oktober 2014. Dit besluit heeft het college gehandhaafd bij het besluit van 5 januari 2015.

3. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren de begunstigingstermijn verder te verlengen, omdat de inrichting voldoende tijd gehad heeft om aan de last te voldoen. De rechtbank wijst er op dat het college verschillende keren duidelijk heeft gemaakt dat artikel 3.132 van het Activiteitenbesluit, in samenhang met artikel 3.103, eerste lid, van de Activiteitenregeling, werd overtreden. Verder heeft het college reeds eerder vanwege deze overtreding een last onder dwangsom opgelegd. De rechtbank heeft voorts geconcludeerd dat de omstandigheid dat [appellant] bereid was een ontluchtingskanaal op twee meter boven de daklijn te plaatsen, geen aanleiding was voor een ander oordeel, omdat de benodigde omgevingsvergunning pas na het besluit van 4 juli 2014 - bij welk besluit de last onder dwangsom was opgelegd - was aangevraagd en ook ten tijde van het besluit op bezwaar in onderhavige zaak van 5 januari 2015 nog niet duidelijk was wanneer het ontluchtingskanaal zou worden gerealiseerd.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college in redelijkheid de begunstigingstermijn verder had moeten verlengen. Hij voert daartoe aan dat al in het voorjaar van 2014 duidelijk werd dat alleen aan de last zou kunnen worden voldaan door plaatsing van een ontluchtingskanaal op twee meter boven de daklijn en hij door de weigerachtige houding van de vereniging van eigenaren van het gebouw waarin de inrichting is gevestigd, pas in juli 2015 dit ontluchtingskanaal kon realiseren. Volgens [appellant] had het college de begunstigingstermijn dusdanig moeten verlengen, dat er voldoende tijd was geweest om privaatrechtelijke toestemming van de vereniging van eigenaren af te dwingen, aldus [appellant].

4.1. Het college heeft ter zitting toegelicht dat het bij het vaststellen van de begunstigingstermijn heeft beoordeeld hoeveel tijd het zou kosten om, los van eventueel benodigde privaatrechtelijke toestemming, feitelijk het ontluchtingskanaal te realiseren. Dit zou volgens het college voor 11 oktober 2014 mogelijk zijn geweest. Dit wordt door [appellant] niet betwist. Het college heeft, zo heeft het ter zitting nader toegelicht, de begunstigingstermijn niet verder willen verlengen, vanwege het belang van omwonenden om binnen afzienbare tijd geen last meer te hebben van onaanvaardbare geurhinder.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college de begunstigingstermijn verder had moeten verlengen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellant] ook aan de last kon voldoen door de ontgeuringsinstallatie aan te passen of de geurveroorzakende activiteiten in de inrichting te staken. Hiervoor was geen medewerking van de vereniging van eigenaren nodig.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. N.S.J. Koeman en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Wortmann w.g. Van Roessel

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2016

457-811.