Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2220

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-08-2016
Datum publicatie
10-08-2016
Zaaknummer
201601701/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:506, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 juni 2015 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201601701/1/V2.

Datum uitspraak: 5 augustus 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 11 februari 2016 in zaak nr. 15/14023 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 23 juni 2015 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 11 februari 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.J. Koolen, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. Hetgeen in de eerste, derde en vierde grief is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

3. De vreemdeling klaagt in de tweede grief terecht dat de rechtbank zijn beroepsgrond dat in deze procedure de redelijke termijn is overschreden ten onrechte niet heeft aangemerkt als een verzoek de staatssecretaris te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding. Deze grief moet tevens worden opgevat als een klacht dat de rechtbank ten onrechte de staatssecretaris niet heeft veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb wegens deze overschrijding.

3.1. De vraag of de redelijke termijn is overschreden wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene.

Voor zaken met een beoordeling in eerste aanleg en in hoger beroep, is in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vier jaar redelijk, waarbij de behandeling van het beroep, onderscheidenlijk de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren.

3.2. Blijkens de brief van de rechtbank aan de staatssecretaris van 15 februari 2011 is op 14 februari 2011 het beroep van de vreemdeling tegen het eerste besluit op de aanvraag ingekomen. Bij uitspraak van 14 oktober 2011 heeft de rechtbank dit besluit vernietigd. Bij besluit van 22 oktober 2013 heeft de staatssecretaris opnieuw op de aanvraag beslist. Dit besluit heeft hij vervolgens hangende het daartegen ingestelde beroep weer ingetrokken. Bij besluit van 23 juni 2015 heeft de staatssecretaris wederom op de aanvraag beslist. Het tegen dit besluit op 31 juli 2015 ingediende beroep is door de rechtbank bij uitspraak van 11 februari 2016 ongegrond verklaard.

Sinds de ontvangst van het beroep op 14 februari 2011 tot de uitspraak op het beroep van de vreemdeling op 11 februari 2016 zijn vier jaar en ruim elf maanden verstreken. De termijn van twee jaar voor de behandeling van het beroep is derhalve met twee jaar en ruim elf maanden overschreden. De behandeling van de zaak bij de rechtbank heeft onderscheidenlijk acht en ruim zes maanden en dus minder dan twee jaar geduurd. Derhalve is de overschrijding volledig toe te rekenen aan de staatssecretaris.

De tweede grief slaagt.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 8:88 van de Awb, voor zover de rechtbank heeft nagelaten te beslissen op het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Voor het overige moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

5. De Afdeling zal de staatssecretaris wegens overschrijding van de redelijke termijn, met toepassing van artikel 8:88 van de Awb veroordelen tot betaling van een bedrag van € 3.000,00 aan de vreemdeling, als vergoeding voor de door hem geleden immateriële schade. Daarbij wordt uitgegaan van een tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

6. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Bij de berekening van de kosten zal wat betreft de zwaarte van de zaak de wegingsfactor licht (0,5) worden gehanteerd, omdat het hier slechts gaat om beantwoording van de vraag of de redelijke termijn is overschreden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 11 februari 2016 in zaak nr. 15/14023, voor zover de rechtbank heeft nagelaten te beslissen op het verzoek om schadevergoeding;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie om aan de vreemdeling te betalen een vergoeding van € 3.000,00 (zegge: drieduizend euro);

V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 744,00 (zegge: zevenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Graat

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2016

314.