Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2207

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-08-2016
Datum publicatie
10-08-2016
Zaaknummer
201508542/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2015:4711, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 januari 2014 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201508542/1/V6.

Datum uitspraak: 10 augustus 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 12 oktober 2015 in zaak nr. 15/1198 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (thans: de minister van Veiligheid en Justitie).

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2014 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek) afgewezen.

Bij besluit van 16 maart 2015 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 oktober 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juli 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. H.T. Gerbrandy, advocaat te Leeuwarden, en de minister, vertegenwoordigd door mr. R.A.B. van Steijn, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Onder de minister wordt tevens diens rechtsvoorganger verstaan.

2. [appellant] heeft gesteld dat hij is geboren op 24 oktober 1965 te Arbil (Irak).

3. [appellant] heeft bij het verzoek een uittreksel uit het Iraakse bevolkingsregister, afgegeven te Arbil (Irak), nummer […] (hierna: de geboorteakte), overgelegd.

Het Bureau Documenten (hierna: het BD) heeft in de verklaring van onderzoek van 19 juli 2012 het volgende geconcludeerd. Er zijn onregelmatigheden aangetroffen met betrekking tot de opmaak en afgifte van de geboorteakte. De legalisaties van het Koerdische Ministerie van Justitie en het Kurdistan Regional Government corresponderen niet met het beschikbare vergelijkingsmateriaal. Gelet op het beschikbare vergelijkingsmateriaal is de geboorteakte waarschijnlijk echt. Gelet op voormelde onregelmatigheden is de geboorteakte met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet opgemaakt en afgegeven door een daartoe bevoegde instantie en zijn voormelde legalisaties vals. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld of de geboorteakte inhoudelijk juist is.

In reactie hierop heeft [appellant] een verklaring van de Iraakse ambassade te Den Haag van 23 december 2014 overgelegd. Hierin staat dat de legalisatie op de geboorteakte van het Ministery of Foreign Affairs (hierna: het MFA), met het nummer 2269, correct is.

Het BD heeft in het weerwoord van 12 januari 2015 het volgende geconcludeerd. Ook het BD heeft geen afwijkingen geconstateerd bij de legalisatie van het MFA op de geboorteakte. De fraude met betrekking tot de geboorteakte heeft in een eerder stadium plaatsgevonden. Op de geboorteakte staan meerdere afwijkende stempels, handtekeningen en legalisaties. Dat de geboorteakte uiteindelijk wordt gelegaliseerd door het MFA en de Consul van de Iraakse ambassade te Den Haag doet niet af aan de conclusies in de verklaring van onderzoek van 19 juli 2012, aldus het BD.

4. De minister heeft het verzoek afgewezen, omdat [appellant] zijn identiteit niet heeft aangetoond. Aan dit standpunt heeft de minister de conclusies van het BD in de verklaring van onderzoek van 19 juli 2012 en het weerwoord van 12 januari 2015 ten grondslag gelegd.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij zijn identiteit niet heeft aangetoond. De minister heeft volgens hem niet van de juistheid van de conclusies van het BD over de geboorteakte mogen uitgaan. De op hem rustende bewijslast gaat niet zo ver dat van hem mocht worden verlangd tegenbewijs in de vorm van een contra-expertise te leveren. Aan hem is op basis van de geboorteakte een paspoort afgegeven. Dit paspoort heeft het BD echt bevonden. De rechtbank heeft volgens [appellant] niet onderkend dat de afgifte van het paspoort en de verklaring van de Iraakse ambassade van 23 december 2014 dat de legalisatie van het MFA op de geboorteakte correct is, voldoende aanknopingspunten bieden voor twijfel aan de conclusies van het BD over de geboorteakte. Verder is de rechtbank eraan voorbijgegaan dat de legalisatie door de MFA ook betrekking heeft op de inhoud van de geboorteakte, aldus [appellant].

5.1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 23 kunnen bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur nadere regelen worden gesteld ter uitvoering van de RWN.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, aanhef en onder a, b en e, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap verstrekt de verzoeker bij de indiening van het naturalisatieverzoek betreffende zichzelf, voor zoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot zijn geslachtsnaam en voornaam of voornamen, geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland, en nationaliteit of nationaliteiten.

Ingevolge het vijfde lid kan de autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, alsook de staatssecretaris, verlangen dat de verzoeker de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zo nodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN moet de verzoeker in beginsel een geldig buitenlands reisdocument en buitenlandse akten van de burgerlijke stand, waaronder een buitenlandse geboorteakte, overleggen.

5.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 27 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2116) is een advies van het BD een deskundigenadvies aan de minister ten behoeve van de uitvoering van zijn bevoegdheden. De minister moet zich, zo volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK8644, indien hij een deskundigenadvies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, er gelet op artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht van vergewissen dat dit naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Indien het deskundigenadvies naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is, kan de desbetreffende verzoeker de uitkomst van het advies slechts met succes bestrijden door een andersluidende contra-expertise van een deskundige in te brengen.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, wordt geen grond gezien voor het oordeel dat de conclusies van het BD inhoudelijk niet concludent zijn. Ter zitting van de Afdeling heeft de minister toegelicht dat de legalisaties op de geboorteakte hebben plaatsgevonden via een zogenoemde legalisatieketen. Dit houdt in, dat de opvolgende legalisatie ziet op de voorafgaande legalisatie. De legalisatie van het MFA ziet derhalve op de voorafgaande legalisatie van het Kurdistan Regional Government. In de verklaring van de Iraakse ambassade van 23 december 2014 is geconcludeerd dat de legalisatie van het MFA correct is. Ook het BD heeft ten aanzien van die legalisatie geen afwijkingen geconstateerd. Aan de legalisatie van het MFA kan evenwel niet de waarde worden gehecht die [appellant] daaraan gehecht wenst te zien. Het BD heeft immers in de legalisatie van het Kurdistan Regional Government onregelmatigheden aangetroffen, en eveneens in de daarvoor aangebrachte legalisatie van het Koerdische Ministerie van Justitie. [appellant] heeft deze conclusies van het BD verder niet inhoudelijk bestreden door een andersluidende contra-expertise in te brengen.

De legalisatie van het MFA biedt verder, anders dan [appellant] betoogt, geen uitsluitsel over de juistheid van de inhoud van de geboorteakte. Zoals de Afdeling eerder immers heeft overwogen (uitspraak van 30 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2883) ziet legalisatie op de bevestiging van de echtheid van de in het document voorkomende handtekening en van de bevoegdheid van de functionaris die het document heeft ondertekend. Legalisatie biedt geen uitsluitsel omtrent de inhoudelijke juistheid van het document.

Dat aan [appellant] een authentiek paspoort is afgegeven, betekent niet dat de legalisaties van het Koerdische Ministerie van Justitie en het Kurdistan Regional Government op de geboorteakte niet vals zijn. De minister stelt terecht dat [appellant] niet nader heeft gestaafd welke rol de geboorteakte bij de afgifte van het paspoort heeft gespeeld en in hoeverre de geboorteakte is onderzocht.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.S.N. Nasrullah-Oemar, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Nasrullah-Oemar

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2016

404.