Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2201

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-08-2016
Datum publicatie
10-08-2016
Zaaknummer
201600407/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:15106, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 augustus 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2010 definitief vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201600407/1/A2.

Datum uitspraak: 10 augustus 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 december 2015 in zaak nr. 15/5019 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 26 augustus 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2010 definitief vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 2 juni 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar, voor zover thans van belang, ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 10 december 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 augustus 2016, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. L.E.I.K. Jaminon, advocaat te Heerlen, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. E.J.E. Groothuis, werkzaam voor de dienst, zijn verschenen.

Overwegingen

Aanleiding voor het geschil

1. [appellante] heeft de Belastingdienst/Toeslagen bij formulier van 31 oktober 2005 verzocht haar tegemoet te komen in haar kosten van kinderopvang voor het jaar 2006. De Belastingdienst/Toeslagen heeft [appellante] voor het jaar 2006 en, met toepassing van artikel 15, vierde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regeling (hierna: Awir), zoals die bepaling ten tijde van belang luidde, ook voor de daaropvolgende jaren voorschotten kinderopvangtoeslag verleend. Het hoger beroep dat nu bij de Afdeling voorligt betreft de aanspraak van [appellante] op kinderopvangtoeslag over 2010, voor zover de opvang dat jaar heeft plaatsgevonden via [gastouderbureau A] en diens opvolger [gastouderbureau B]. [appellante] heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat de kinderopvang het gehele jaar 2010 via verschillende gastouderbureaus heeft plaatsgevonden.

Besluitvorming

2. De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd dat [appellante] geen aanspraak op toeslag heeft, omdat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij alle in de jaaropgave van de gastouderbureaus vermelde kosten heeft voldaan. Volgens de jaaropgave van [gastouderbureau A]/[gastouderbureau B] heeft [appellante] in 2010 totaal € 4.800,00 aan kosten gemaakt. Door de Belastingdienst/Toeslagen is dat jaar € 3.646,00 aan kinderopvangtoeslag aan deze gastouderbureaus betaald. Dit betekent dat [appellante] moet aantonen dat zij in zoverre over 2010 een bedrag van € 1.154,00 aan kosten van kinderopvang heeft gehad. Uit de door [appellante] overgelegde kwitanties blijkt dat [appellante] dertien bedragen contant heeft betaald, maar het is niet duidelijk voor wie de kwitanties bedoeld zijn, omdat dit niet vermeld staat op de kwitanties. Uit de kwitanties kan verder niet worden afgeleid op welke periode de betalingen betrekking hebben, aldus de dienst.

Aangevallen uitspraak

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag over 2010 voor zover die betrekking heeft op de opvang die via de [gastouderbureau A]/[gastouderbureau B] heeft plaatsgevonden terecht op nihil heeft gesteld, omdat uit de door [appellante] overgelegde kwitanties, voor zover die leesbaar zijn, niet blijkt voor wie zij zijn bedoeld en op welke periode van kinderopvang zij betrekking hebben. Verder is de door [appellante] overgelegde verklaring van het gastouderbureau van 23 maart 2015 onleesbaar.

Hoger beroep

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet heeft aangetoond dat zij alle kosten van kinderopvang heeft betaald. [appellante] voert hiertoe aan dat de door haar overgelegde kwitanties en bankafschriften met elkaar corresponderen. Dat de kwitanties zijn ondertekend door [gastouder] blijkt uit het verblijfsdocument van [gastouder], waarop dezelfde handtekening staat als op de kwitanties. Uit de overgelegde verklaring omtrent gedrag, het EHBO-diploma en de bankafschriften van [gastouderbureau A] blijkt verder dat [gastouder] als gastouder werkzaam was voor [gastouderbureau A]. Het is volgens [appellante] dan ook duidelijk dat de kwitanties zijn bedoeld voor [gastouderbureau A] en zien op de door [gastouder] voor haar verrichte werkzaamheden. De kwitanties zijn verder afgegeven in 2010, zodat de betalingen waarop de kwitanties zien in elk geval in 2010 hebben plaatsgevonden. Omdat zij niet steeds in staat was maandelijks de volledige kosten van kinderopvang te voldoen, heeft [appellante] betaald wat zij kon missen en heeft zij op 9 december 2010 € 700,00 betaald om de achterstallige kosten van kinderopvang te voldoen. Dat zij, afgaande op de overgelegde kwitanties, in 2010 meer heeft betaald dan zij verschuldigd was doet er volgens [appellante] niet aan af dat zij alle kosten van kinderopvang heeft betaald. Het teveel betaalde kan door haar nog als onverschuldigd betaald worden teruggevorderd. [appellante] voert verder aan dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan haar aanbod om beter leesbare kwitanties over te leggen. Eerst in beroep heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich op het standpunt gesteld dat de door [appellante] ingebrachte kwitanties onleesbaar zijn. Volgens [appellante] kon zij daarom pas toen beter leesbare kwitanties inbrengen. Door haar niet toe te staan dit alsnog te doen moet ervan worden uitgegaan dat de rechtbank de kwitanties niet bij haar beoordeling van de aanspraak op kinderopvangtoeslag heeft betrokken. Ook om die reden moet de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd, aldus [appellante].

4.1. Ingevolge artikel 1.7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: Wkkp), is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van:

a. de draagkracht, en

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1º. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2º. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3º. de soort kinderopvang.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Awir verstrekt een belanghebbende de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

4.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld haar uitspraak van 30 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2829), volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in verbinding met artikel 1.7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wkkp, dat degene die aanspraak op kinderopvangtoeslag maakt, moet kunnen aantonen dat hij kosten voor kinderopvang heeft gehad en wat de hoogte van die kosten is. Hieruit volgt dat het aan [appellante], als degene die aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag, is om documenten over te leggen waaruit kan worden afgeleid dat zij aanspraak op kinderopvangtoeslag heeft en wat de hoogte van die aanspraak is. Voor het bewijs dat [appellante] daadwerkelijk de kosten van kinderopvang heeft voldaan, geldt dat niet van belang is op welke wijze de kosten zijn betaald, maar dat aan de hand van objectieve gegevens, zoals bankafschriften en kwitanties, aangetoond wordt dat er is betaald. Het spreekt vanzelf dat de bewijsstukken ook daadwerkelijk leesbaar moeten zijn. De door [appellante] in de bezwaarfase overgelegde stukken zijn dat niet. De kopieën van de kwitanties en de verklaring van het gastouderbureau zijn namelijk vrijwel geheel zwart. [appellante] had dit voor zij deze stukken aan de Belastingdienst/Toeslagen toezond kunnen en in elk geval moeten zien. Dat de stukken zijn verzonden door de secretaresse van haar advocaat, Jaminon, zoals zij ter zitting heeft verklaard, komt voor haar rekening. Zij kan dan ook niet worden gevolgd in haar standpunt dat de rechtbank haar in de gelegenheid had moeten stellen alsnog leesbare stukken in te brengen, omdat het aan haar was eerder al leesbare stukken in te dienen.

De in hoger beroep door [appellante] overgelegde kwitanties zijn wel goed leesbaar. Zoals de rechtbank op basis van de eerder overgelegde kopieën heeft overwogen, zijn de kwitanties niet gedateerd. Dat het merendeel van de kwitanties bedragen vermeldt die in de loop van 2010 van de bankrekening van [appellante] zijn opgenomen maakt niet dat de kwitanties ook wat betreft de datering en het doel van de geldopnamen en de betalingen corresponderen met de bankafschriften. De rechtbank is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij alle kosten van kinderopvang heeft betaald en dat de Belastingdienst/Toeslagen om die reden de kinderopvangtoeslag over het jaar 2010 voor zover het de opvang betreft die via de gastouderbureaus [gastouderbureau A]/[gastouderbureau B] heeft plaatsgevonden terecht heeft herzien naar nihil.

Het betoog faalt.

Conclusie

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.

w.g. Vlasblom w.g. Dijkshoorn

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2016

735.