Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:219

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-02-2016
Datum publicatie
03-02-2016
Zaaknummer
201504721/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:2551, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 mei 2014 heeft de raad de aanvraag van [appellante] om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504721/1/A2.

Datum uitspraak: 3 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 30 april 2015 in zaak nr. 14/3970 in het geding tussen:

[appellante]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand.

Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2014 heeft de raad de aanvraag van [appellante] om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 29 september 2014 heeft de raad het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 april 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Met toestemming van partijen is afgezien van behandeling van de zaak ter zitting.

Overwegingen

Aanleiding

1. Bij besluit van 23 april 2014 heeft het college van burgemeester en wethouders van Steenbergen (hierna: het college) een aanvraag van [appellante] om een bijstandsuitkering niet in behandeling genomen omdat zij niet tijdig heeft gereageerd op een verzoek om benodigde gegevens.

[appellante] heeft een toevoeging aangevraagd om hiertegen op te komen. De raad heeft deze aanvraag afgewezen, omdat het om een probleem gaat waar zij geen advocaat bij nodig heeft. De raad stelt zich in het besluit op bezwaar van 29 september 2014, onder verwijzing naar het advies van de Commissie voor bezwaar, op het standpunt dat een derde, anders dan een advocaat, [appellante] kon bijstaan in de procedure, aangezien het om het aanleveren van volgens de sociale dienst voor de beoordeling van de bijstandsaanvraag noodzakelijke stukken ging. Volgens de raad is onvoldoende gebleken dat sprake is van een inhoudelijk juridisch verweer waarvoor een toevoeging verstrekt dient te worden.

[appellante] is het hier niet mee eens en stelt zich op het standpunt dat wel degelijk sprake is geweest van een juridisch verweer. De rechtbank heeft het beroep van [appellante] ongegrond verklaard.

Hoger beroepsgronden

2. [appellante] klaagt er in hoger beroep over dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet alleen een feitelijk maar ook een juridisch verweer diende te voeren. Zij betoogt daartoe dat uit de inhoud van haar bezwaarschrift kan worden opgemaakt dat hierin ook het juridische standpunt is ingenomen dat de beslissing van het college voorbarig genomen is. Verder is die beslissing gebaseerd op de onjuiste aanname dat de gevraagde en ontbrekende gegevens nodig waren voor een correcte beoordeling van de bijstandsaanvraag. Zij wijst erop dat het juridisch gehalte van een bezwaarprocedure voor een leek hoog is en dat het achterwege laten van een juridisch argument in de bezwaarfase kan doorwerken in een eventuele latere beroepsfase. Rechtsbijstand van een advocaat was daarom in de bezwaarfase noodzakelijk en is haar ten onrechte onthouden, aldus [appellante].

Regelgeving

2.1. Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) wordt rechtsbijstand niet verleend, indien het een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie onderscheidenlijk waarvan de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van deze wet.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder c, kan de raad de toevoeging weigeren, indien de aanvraag een rechtsprobleem betreft dat naar zijn oordeel eenvoudig afgehandeld kan worden.

De raad voert ten aanzien van de toepassing van de Wrb beleid dat onder meer is neergelegd in de Werkinstructie C010 Wet werk en bijstand (hierna: de Werkinstructie).

Volgens de Werkinstructie wordt de aanvraag om toevoeging, als daaruit blijkt dat de uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: de WWB) is afgewezen, buiten behandeling is gesteld of geschorst, omdat de rechtzoekende bijvoorbeeld niet de gevraagde stukken of informatie heeft verstrekt, afgewezen met tekstcode 130 (zelfredzaamheid). Als de advocaat bij de aanvraag gemotiveerd aangeeft dat sprake is van een inhoudelijk juridisch verweer kan een toevoeging worden verstrekt.

Beoordeling

2.2. Bij de beoordeling of de aanvraag een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, komt de raad beoordelingsvrijheid toe. Voor de aanwending daarvan heeft de raad criteria ontwikkeld die zijn neergelegd in de Werkinstructie. Volgens die criteria wordt het aan de aanvrager zelf overgelaten bezwaar te maken tegen het buiten behandeling stellen van de aanvraag om een WWB-uitkering, indien hieraan ten grondslag ligt dat niet alle gevraagde gegevens aan het college zijn overgelegd. Slechts indien juridisch verweer wordt gevoerd, kan in een dergelijke situatie voor de bezwaarprocedure een toevoeging worden verleend.

2.3. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het aan [appellante] als aanvrager van de toevoeging was aannemelijk te maken dat in de procedure waarvoor de toevoeging is aangevraagd niet slechts feitelijke gronden moesten worden aangevoerd, maar ook juridisch verweer moest worden gevoerd en dat zij daarin niet is geslaagd. Hetgeen [appellante] naar voren heeft gebracht over de juridische merites van het geschil doet niet af aan de juistheid van het oordeel van de rechtbank over de feitelijke aard van het geschil. Dat, zoals [appellante] betoogt, tevens de vragen voorlagen of [appellante] al dan niet bekend was met het verzoek van het college om aanvullende gegevens, of de haar geboden termijn voor het overleggen van de gegevens reƫel was en of de gevraagde gegevens van belang waren voor de beoordeling van haar recht op bijstand, betekent niet dat de behartiging van haar belangen redelijkerwijze niet aan [appellante] zelf kon worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie onderscheidenlijk waarvan de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van de Wrb. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de raad de aanvraag om een toevoeging voor rechtsbijstand mocht afwijzen.

2.4. Het betoog faalt.

Conclusie

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, griffier.

w.g. Van Ettekoven w.g. Van Dokkum

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2016

480.