Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2183

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-08-2016
Datum publicatie
10-08-2016
Zaaknummer
201508080/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 22 april 2014, 30 april 2014 en 30 september 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de voorschotten kinderopvangtoeslag over 2014, 2013 en 2012 gewijzigd vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201508080/1/A2.

Datum uitspraak: 10 augustus 201

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 22 oktober 2015 in zaken nrs. 15/2110, 15/2111, 15/2112 in de gedingen tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluiten van 22 april 2014, 30 april 2014 en 30 september 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de voorschotten kinderopvangtoeslag over 2014, 2013 en 2012 gewijzigd vastgesteld op nihil.

Bij besluiten van 22 april 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de door [appellante] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 oktober 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 27 mei 2016 heeft de Afdeling schriftelijke vragen aan de Belastingdienst/Toeslagen gesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft deze vragen bij brief van 1 juni 2016 beantwoord.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juli 2016, waar [appellante], bijgestaan door mr. drs. T. Bissessur, advocaat te Zoetermeer, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, werkzaam bij de dienst, zijn verschenen.

Overwegingen

Aanleiding

1. [appellante] heeft in de periode van 2012 tot en met 2014 voor haar twee kinderen gebruik gemaakt van dagopvang bij [kinderdagverblijf] in Haarlem (hierna: het KDV), waarvoor zij voorschotten kinderopvangtoeslag heeft ontvangen. Aan de besluiten van 22 april 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij alle kosten van kinderopvang in de berekeningsjaren 2012 tot en met 2014 heeft betaald.

De rechtbank heeft het hiertegen gerichte beroep van [appellante] ongegrond verklaard.

Hogerberoepsgronden

2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet heeft aangetoond dat zij alle aan het KDV verschuldigde kosten heeft betaald. Volgens [appellante] heeft zij met de door haar overgelegde facturen en kwitanties van het KDV, haar bankafschriften, de schriftelijke verklaringen van het KDV en de mondelinge verklaring ter zitting bij de rechtbank van de eigenaresse van het KDV aannemelijk gemaakt dat zij die kosten heeft voldaan. Door te overwegen dat iedere samenhang ontbreekt tussen de geldopnames van [appellante] en de kwitanties van het KDV, is de rechtbank volgens [appellante] ten onrechte voorbij gegaan aan haar betoog dat de kosten van kinderopvang deels contant zijn betaald met spaargeld.

[appellante] voert verder aan dat het op nihil stellen van kinderopvangtoeslag zal leiden tot terugvordering bij haar van een hoog bedrag en dat deze terugvordering disproportioneel is, aangezien zij de betaling van de kosten aannemelijk heeft gemaakt en niet valt in te zien waarom zij het volledige bedrag aan kinderopvangtoeslag moet terugbetalen.

Regelgeving

2.1. Ingevolge artikel 1.7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: de Wkkp), is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1˚. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar, 2˚. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en 3˚. de soort kinderopvang.

Ingevolge artikel 1.52, eerste lid, geschiedt kinderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

Ingevolge artikel 26 is, indien een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag, de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd.

Beoordeling van de hogerberoepsgronden

2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 22 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2312), volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in samenhang met artikel 1.7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wkkp, dat degene die kinderopvangtoeslag ontvangt, moet kunnen aantonen dat hij kosten voor kinderopvang heeft gemaakt en wat de hoogte is van deze kosten.

Voorts heeft de Afdeling eerder overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 16 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2635), dat contante betalingen gestaafd dienen te worden met kwitanties en daarmee corresponderende bewijzen van geldopnames.

Berekeningsjaar 2012

2.3. Volgens de jaaropgave over 2012 van het KDV bedroegen de kosten van kinderopvang over dat jaar in totaal € 27.631,00. De Belastingdienst/Toeslagen heeft in totaal een bedrag van € 21.339,00 aan voorschotten kinderopvangtoeslag over 2012 overgemaakt aan het KDV. [appellante] moest dus aantonen dat zij het verschil, een bedrag van € 6.292,00, heeft betaald aan het KDV.

2.4. Naar aanleiding van het verzoek van de Belastingdienst/Toeslagen bij brief van 22 augustus 2012 om aanvullende informatie over te leggen, waaronder bankafschriften waaruit blijkt dat [appellante] de kinderopvang over 2012 heeft betaald, heeft zij een overzicht van haar girale betalingen overgelegd waarop twee overschrijvingen aan het KDV staan, te weten van 21 november 2011 en van 17 september 2012. De betaling op 21 november 2011 van € 3.719,00 ziet echter niet op 2012. Uit de specificatie van dit bedrag in het door [appellante] overgelegde bankafschrift van 14 december 2011 volgt dat die betaling ziet op de kinderopvang in de periode van oktober tot december 2011. De betaling op 17 september 2012 van € 2.324,00 ziet volgens het nadere stuk van [appellante] evenmin op 2012, maar ook op 2011. Niet is gebleken dat [appellante] aan het KDV over 2012 girale betalingen heeft gedaan.

2.5. [appellante] heeft bij nader stuk gesteld dat zij via bankopnames contant € 6.465,25 aan het KDV heeft betaald. In de door [appellante] overgelegde verklaring van het KDV van 4 juli 2014 is een overzicht gegeven van de maandelijks door [appellante] betaalde bedragen van in totaal € 6.475,25. De in deze verklaring vermelde bedragen komen overeen met de bedragen die zijn vermeld in de door [appellante] overgelegde kwitanties. De in de kwitanties vermelde data en bedragen corresponderen echter geenszins met de geldopnames van [appellante] van in totaal € 7.790,00 die uit de door haar overgelegde bankafschriften blijken. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de vereiste samenhang tussen die stukken ontbreekt en dat [appellante] de gestelde contante betalingen over 2012 niet heeft aangetoond.

De stelling van [appellante] dat zij de kosten van kinderopvang deels met spaargeld contant heeft betaald, leidt niet tot een ander oordeel, nu bewijs van die stelling ontbreekt.

Gelet op het voorgaande is [appellante] er niet in geslaagd de door haarzelf te betalen kosten van kinderopvang over 2012 van € 6.292,00 aan te tonen.

Berekeningsjaar 2013

2.6. Volgens de jaaropgave over 2013 van het KDV bedroegen de kosten van kinderopvang over dat jaar in totaal € 34.500,00. De Belastingdienst/Toeslagen heeft in totaal een bedrag van € 26.738,00 aan voorschotten kinderopvangtoeslag over dat jaar overgemaakt aan het KDV. [appellante] moest dus aantonen dat zij het verschil, een bedrag van € 7.762,00, heeft betaald aan het KDV.

2.7. [appellante] stelt dat zij over 2013 € 3.757,00 contant heeft betaald. Zij heeft kwitanties overgelegd van contante betalingen over dat jaar van in totaal € 3.757,00 en bankafschriften van haar geldopnames van in totaal € 16.900,00. Omdat de data en de bedragen van de geldopnames niet corresponderen met die, vermeld in de kwitanties van 2013, kan uit de bankafschriften niet worden afgeleid dat de geldopnames zijn gebruikt om het KDV te betalen. Voorts ontbreekt bewijs van de stelling van [appellante] dat zij de kinderopvang over 2013 deels met spaargeld contant heeft betaald. Zij heeft de gestelde contante betaling dus niet aangetoond.

2.8. Uit een betalingsoverzicht van de bankrekening van [appellante] van 7 februari 2014 kan worden afgeleid dat zij in 2013 negen maal een bedrag van € 445,00, in totaal € 4.005,00, giraal heeft overgemaakt aan het KDV. Bij nader stuk heeft haar gemachtigde de girale betaling van dit bedrag bevestigd. Ter zitting heeft [appellante] zelf evenwel gemotiveerd aangevoerd dat het betalingsoverzicht van 7 februari 2014 niet van haar afkomstig is, zij deze betalingen niet heeft verricht en van dit voorval melding heeft gemaakt bij de politie. In beroep heeft zij dit eveneens aangevoerd, waarbij zij de onderliggende bankafschriften van de betreffende bankrekening over dezelfde periode heeft overgelegd. Geen van de betalingen die in het betalingsoverzicht van 7 februari 2014 zijn vermeld, zijn in deze bankafschriften opgenomen. Nu de Belastingdienst/Toeslagen ter zitting voorts heeft bevestigd dat het betalingsoverzicht niet juist is, gaat de Afdeling ervan uit dat [appellante] de kinderopvang over 2013 niet giraal heeft betaald.

De stelling van [appellante] ter zitting dat zij het bedrag van € 4.005,00 contant aan het KDV heeft betaald met spaargeld baat haar niet, nu bewijs van die stelling ontbreekt.

Gelet op het voorgaande is [appellante] er niet in geslaagd de door haarzelf over 2013 te dragen kosten van in totaal € 7.762,00 aan te tonen.

Berekeningsjaar 2014

2.9. Volgens de overzichten van de facturen over 2014 van het KDV, bedroegen de kosten van kinderopvang over dat jaar in totaal € 34.500,00. De Belastingdienst/Toeslagen heeft een bedrag van in totaal € 13.472,00 aan voorschotten kinderopvangtoeslag over dat jaar aan het KDV overgemaakt. [appellante] moest dus aantonen dat zij het verschil, een bedrag van € 21.028,00, heeft betaald aan het KDV.

2.10. [appellante] heeft bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat zij giraal een bedrag van in totaal € 11.027,00 heeft overgemaakt aan het KDV. [appellante] stelt dat zij daarnaast in totaal € 7.246,00 contant heeft betaald aan het KDV. [appellante] heeft kwitanties overgelegd van contante betalingen aan het KDV over 2014 van in totaal € 5.540,00. Deze contante betalingen zijn eveneens vermeld in de facturen van het KDV over de maanden januari tot en met september van dat jaar. [appellante] heeft tevens bankafschriften overgelegd waaruit geldopnames blijken van in totaal € 19.660,00. Aangezien de data en de bedragen van de geldopnames geenszins corresponderen met die vermeld in de kwitanties, kunnen ook deze niet dienen als bewijs voor de gestelde contante betalingen.

Gelet op het voorgaande heeft [appellante] de betaling van € 10.001,00 van de door haarzelf te dragen kosten van kinderopvang over 2014 van in totaal € 21.028,00 niet aangetoond.

Conclusie over de aantoonbaar betaalde kosten

2.11. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij alle kosten van kinderopvang over de berekeningsjaren 2012 tot en met 2014 heeft betaald. Het betoog faalt.

Proportionaliteit

2.12. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in haar uitspraken van 2 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1114, en van 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1610), baseert de Belastingdienst/Toeslagen zich bij de vaststelling van de tegemoetkoming kinderopvangtoeslag op de tussen partijen gemaakte afspraken, die, gelet op artikel 1.52 van de Wkkp, vastgelegd dienen te zijn in een schriftelijke overeenkomst. Daarbij wordt ook rekening gehouden met afwijkende afspraken ten gevolge van gedurende het toeslagjaar gewijzigde omstandigheden, mits die aan hem worden doorgegeven of blijken uit de jaaropgave. Indien niet kan worden aangetoond dat het bedrag aan kosten dat blijkens de gemaakte afspraken over kinderopvang verschuldigd is, daadwerkelijk is betaald, moet worden aangenomen dat de kinderopvang niet op basis van de gemaakte afspraken heeft plaatsgevonden. In genoemde uitspraak van 2 april 2014 is geoordeeld dat het gevolg daarvan is dat geen aanspraak bestaat op kinderopvangtoeslag en dat indien een deel van de kosten aantoonbaar is voldaan, geen aanspraak kan worden gemaakt op een evenredig lager voorschot of lagere tegemoetkoming. In genoemde uitspraak van 8 juni 2016 heeft de Afdeling voorts in haar overwegingen betrokken dat de Belastingdienst/Toeslagen bij afrondingsverschillen, dat wil zeggen bij kleine verschillen tussen de totale kosten van kinderopvang en de aantoonbaar betaalde kosten, ervan uitgaat dat alle kosten van kinderopvang zijn voldaan.

Dit laatste is hier niet aan de orde. Gelet op hetgeen in r.o. 2.3 tot en met 2.11 is overwogen, staat vast dat [appellante] de gestelde betaling van een groot deel van de kosten van kinderopvang niet heeft aangetoond. Zij heeft daarom over de jaren 2012 tot en met 2014 geen recht op kinderopvangtoeslag. De Belastingdienst/Toeslagen heeft deze toeslag dan ook terecht vastgesteld op nihil.

Gelet op het voorgaande, faalt het betoog van [appellante] dat de terugvordering disproportioneel is.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. de Vlieger-Mandour, griffier.

w.g. Van Ettekoven w.g. De Vlieger-Mandour

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2016

615.