Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2170

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-07-2016
Datum publicatie
03-08-2016
Zaaknummer
201601422/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2016:1088, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 februari 2016 heeft de staatssecretaris het door de vreemdeling tegen haar voorgenomen feitelijke overdracht aan Italië gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2016/255
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201601422/1/V3

Datum uitspraak: 28 juli 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op de hoger beroepen van:

1. de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie en

2. [de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kind,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 19 februari 2016 in zaak nr. 16/2233 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2016 heeft de staatssecretaris het door de vreemdeling tegen haar voorgenomen feitelijke overdracht aan Italië gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 19 februari 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.M.M. Verstrepen, advocaat te Oosterhout, heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De staatssecretaris heeft bij besluit van 15 april 2014 een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Bij uitspraak van 13 juni 2014, nr. 201404312/2/V4, heeft de voorzitter (thans: de voorzieningenrechter) van de Afdeling bepaald dat de vreemdeling niet wordt overgedragen tot op het door haar ingestelde hoger beroep inzake deze afwijzing is beslist. Bij uitspraak van 22 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2430, heeft de Afdeling, voor zover thans van belang, het door de vreemdeling ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, het besluit van 15 april 2014 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven.

De staatssecretaris heeft vervolgens aan de vreemdeling kenbaar gemaakt dat zij op 1 december 2015 zal worden overgedragen aan Italië. Bij uitspraak van 30 november 2015, nr. 15/20901, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, bepaald dat de staatssecretaris de overdracht van de vreemdeling achterwege dient te laten tot op het door haar gemaakte bezwaar tegen de overdracht is beslist. De staatssecretaris heeft bij het besluit van 3 februari 2016 dit bezwaar ongegrond verklaard.

2. Naar aanleiding van het beroep tegen het besluit van 3 februari 2016 heeft de rechtbank overwogen dat de vreemdeling ten tijde van dit besluit niet meer mocht worden overgedragen, aangezien de overdrachtstermijn van zes maanden reeds op 23 januari 2016 was verstreken. Volgens de rechtbank is deze termijn aangevangen na de beslissing op het hoger beroep bij de uitspraak van 22 juli 2015, omdat door de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 13 juni 2014 de overdrachtstermijn was opgeschort. Ook heeft zij overwogen dat de opschorting van de overdracht bij de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank van 30 november 2015 geen effect heeft op de overdrachtstermijn, nu het niet tijdig plaatsvinden van de overdracht in de risicosfeer van de staatssecretaris ligt en niet valt in te zien waarom de staatssecretaris niet voor het einde van de overdrachtstermijn op het bezwaar heeft kunnen beslissen en de vreemdeling heeft kunnen overdragen.

3. Tegen deze overwegingen voert de vreemdeling in de derde grief aan dat de rechtbank heeft miskend dat door de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 13 juni 2014 de overdrachtstermijn niet is opgeschort, aangezien een opschorting van de overdrachtstermijn in hoger beroep niet is voorzien in artikel 27 van Verordening (EU) nr. 604/2013 (PB 2013 L 180; hierna: de Dublinverordening).

Tegen dezelfde overwegingen voert de staatssecretaris in de grieven, in onderlinge samenhang bezien, onder meer aan dat de rechtbank heeft miskend dat de overdrachtstermijn pas op 3 augustus 2016 zal eindigen, omdat door de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank van 30 november 2015 de bezwaarprocedure van de vreemdeling opschortende werking heeft gehad als bedoeld in artikel 27, derde lid, van de Dublinverordening en daarom na het besluit van 3 februari 2016 wederom een overdrachtstermijn van zes maanden is gaan lopen.

3.1. Ingevolge artikel 27, derde lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening, voor zover thans van belang, bepalen de lidstaten voor een beroep of een bezwaar tegen het overdrachtsbesluit in hun nationale recht dat de betrokkene de gelegenheid heeft om binnen een redelijke termijn een rechterlijke instantie te verzoeken de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten in afwachting van de uitkomst van het beroep of het bezwaar.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, wordt de verzoeker of andere persoon als bedoeld in artikel 18, eerste lid, onder c of d, overeenkomstig het nationale recht van de verzoekende lidstaat, na overleg tussen de betrokken lidstaten, overgedragen van de verzoekende lidstaat aan de verantwoordelijke lidstaat zodra dat praktisch mogelijk is, en uiterlijk binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het verzoek van een andere lidstaat om de betrokkene over of terug te nemen of vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar wanneer dit overeenkomstig artikel 27, derde lid, opschortende werking heeft.

3.2. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voor zover thans van belang, kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 8:83c, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voor zover thans van belang, zijn op het hoger beroep de titels 8.1 tot en met 8.3 van de Awb van overeenkomstige toepassing, voor zover in deze wet niet anders is bepaald.

3.3. Uit artikel 27, derde lid, aanhef en onder c van de Dublinverordening vloeit voort dat de termijn van zes maanden voor de overdracht aanvangt na de beslissing op het beroep of bezwaar, wanneer de ingevolge de nationale wetgeving bevoegde rechter of instantie, naar gelang van het geval, tot opschortende werking van het beroep of bezwaar heeft beslist. Een tot zodanige beslissing strekkende bevoegdheid is neergelegd in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb. Nu het artikel is opgenomen in titel 8.3 van deze wet, is de bevoegdheid ook van toepassing in het geval van instellen van hoger beroep.

Gelet op de in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb neergelegde eis dat een voorlopige voorziening slechts kan worden getroffen wanneer (hoger) beroep is ingesteld of bezwaar is gemaakt, strekken de bij de uitspraken van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 13 juni 2014 en van de voorzieningenrechter van de rechtbank van 30 november 2015 getroffen voorzieningen tot opschortende werking van onderscheidenlijk het hoger beroep inzake de afwijzing van de aanvraag en het bezwaar inzake de voorgenomen feitelijke overdracht. Derhalve is artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening, in zoverre daarin is voorzien in de aanvang van de termijn van zes maanden voor het geval het beroep opschortende werking heeft, ook van toepassing in de situatie waarin de voorzieningenrechter van de Afdeling, krachtens de hem in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb gegeven bevoegdheid daartoe, de voorziening treft dat de vreemdeling niet mag worden overgedragen tot op het voormelde hoger beroep is beslist. De omstandigheid dat de staatssecretaris het bezwaar zelf behandelt, maakt niet dat de opschortende werking van het bezwaar verkregen op verzoek van de vreemdeling voor rekening van de staatssecretaris dient te komen.

3.4. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de termijn van zes maanden waarbinnen de overdracht ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening uiterlijk dient plaats te vinden, niet reeds is aangevangen vóór de beslissing op het hoger beroep in de uitspraak van 22 juli 2015, zodat de derde grief van de vreemdeling faalt.

Anders dan de rechtbank evenwel heeft overwogen is deze termijn pas aangevangen na de beslissing op het bezwaar in het besluit van 3 februari 2016. Reeds hierom slagen de grieven van de staatssecretaris.

4. Hetgeen de vreemdeling in de eerste en tweede grief heeft aangevoerd kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond en het incidenteel hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op het vorenstaande, het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 3 februari 2016 ongegrond verklaren.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. verklaart het incidenteel hoger beroep ongegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 19 februari 2016 in zaak nr. 16/2233;

IV. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Snijders, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Snijders

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2016

279