Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2145

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-08-2016
Datum publicatie
03-08-2016
Zaaknummer
201500163/3/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 oktober 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Lith Centrum - 2014" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201500163/3/R2.

Datum uitspraak: 3 augustus 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], wonend te Lith, gemeente Oss,

2. [appellante sub 2A] en [appellante sub 2B] en [appellant sub 2C], gevestigd onderscheidenlijk wonend te Lith, gemeente Oss (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 2]),

en

de raad van de gemeente Oss,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Lith Centrum - 2014" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellante sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellante sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 oktober 2015, waar [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], bijgestaan door S. Rambags, [appellante sub 2], vertegenwoordigd door [appellant sub 2C] en [gemachtigde], bijgestaan door mr. A.L. van Korlaar van Blijenburgh en de raad, vertegenwoordigd door mr. M.E.W.J. Quax-Kuster en ir. A.G. Kepers-Koornberg, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Buiten bezwaar van partijen heeft de raad ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

Bij uitspraak, onderscheidenlijk tussenuitspraak, van 9 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3778, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 20 weken na verzending van die uitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 30 oktober 2014 te herstellen. De uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 17 maart 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Lith Centrum - 2014" gewijzigd vastgesteld.

[appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellante sub 2] zijn in de gelegenheid gesteld zienswijzen naar voren te brengen over de wijze waarop de gebreken zijn hersteld. Zij hebben van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Het besluit van 30 oktober 2014

1. De Afdeling heeft onder 8.1 van de tussenuitspraak overwogen dat het besluit van 30 oktober 2014, voor zover dit ziet op het plandeel met de bestemming "Verkeer - Verblijf" voor de strook grond van gemiddeld 2 m breed voor het bouwvlak van de percelen [locatie 1], niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Hiertoe heeft de Afdeling van belang geacht dat de raad zich wat dit onderdeel van het plan betreft in het verweerschrift op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan, terwijl niet is gebleken van gewijzigde omstandigheden die hiertoe aanleiding hebben gegeven. Voorts heeft de Afdeling in onder 15.2 van de tussenuitspraak overwogen dat de raad in het besluit van 30 oktober 2014 onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij ervoor heeft gekozen aan een gedeelte van het perceel [locatie 2] te Lith de bestemming "Tuin" toe te kennen, waardoor uitbreiding van de woning op dit gedeelte van het perceel niet langer mogelijk is. De Afdeling heeft geoordeeld dat het besluit van 30 oktober 2014 wat betreft dit onderdeel eveneens niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

2. Gelet op hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 30 oktober 2014, voor zover dit ziet op het plandeel met de bestemming "Verkeer - Verblijf" voor de strook grond van gemiddeld 2 m breed voor het bouwvlak van de percelen [locatie 1], is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voorts bestaat aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 30 oktober 2014, voor zover dit ziet op het plandeel met de bestemming "Tuin" voor het perceel [locatie 2], is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De beroepen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellante sub 2] zijn gegrond en het besluit dient voor zover dit ziet op de hiervoor genoemde planonderdelen te worden vernietigd.

Het besluit van 17 maart 2016

3. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om voor de hiervoor onder 2. genoemde planonderdelen alsnog een passende planregeling vast te stellen. De raad heeft om aan deze opdracht te voldoen op 17 maart 2016 een nieuw besluit genomen. Hierin heeft de raad een aanvullende motivering bij het besluit van 30 oktober 2014 vastgesteld voor zover dit ziet op het plandeel met de bestemming "Tuin" voor het perceel [locatie 2], en het besluit van 30 oktober 2014, voor zover dit ziet op het plandeel met de bestemming "Verkeer - Verblijf’ voor de strook grond van gemiddeld 2 m breed voor het bouwvlak van de percelen [locatie 1], herzien.

[locatie 2]

4. De raad heeft in het besluit van 17 maart 2016 de bestemming "Tuin" voor het perceel [locatie 2] gehandhaafd en een nadere motivering bij het besluit van 30 oktober 2014 vastgesteld. In de nadere motivering staat dat de voorgevel van de woning op het perceel [locatie 2] niet, zoals gebruikelijk, naar de straatzijde is gekeerd, maar naar het Marktplein. De voorgevel van de woning ligt aan de zijkant. Het gedeelte van het perceel waaraan de bestemming "Tuin" is toegekend is feitelijk de voortuin van de woning. Verder is volgens de raad van belang dat de woning een beschermd gemeentelijk monument is. Uit de waardering van de woning in de Monumentenbeschrijving blijkt dat de woning wordt beschouwd als karakteristiek onderdeel van de bebouwing aan het begin van de Pastoriestraat waar het met de voorgevel en het tweeledige bouwvolume in de zichtas van het Marktplein ligt. Om deze zichtas vanaf het Marktplein te behouden is het volgens de raad niet wenselijk dat aan de noordzijde van de woning, in de voortuin, kan worden gebouwd. Daarom is aan dit gedeelte van het perceel de bestemming "Tuin" toegekend.

4.1. [appellante sub 2] heeft naar aanleiding van de gegeven nadere motivering geen zienswijze ingediend. De Afdeling ziet, in aanmerking genomen dat geen zienswijze naar voren is gebracht, geen aanleiding voor het oordeel dat de door de raad gegeven nadere motivering bij het besluit van 30 oktober 2014 niet toereikend is. De Afdeling zal daarom bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, voor zover dit ziet op het plandeel met de bestemming "Tuin" voor het perceel [locatie 2], in stand blijven.

[locatie 1]

5. De raad heeft bij besluit van 17 maart 2016 de bestemming voor de strook grond van gemiddeld 2 m breed voor het bouwvlak van de percelen [locatie 1], gewijzigd. Aan de strook grond is de bestemming "Detailhandel-2" toegekend. Het herstelbesluit van 17 maart 2016 wordt op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb geacht mede onderwerp te zijn van het geding.

5.1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellante sub 2] hebben naar aanleiding van het herstelbesluit van 17 maart 2016 geen zienswijzen ingediend. De Afdeling leidt hieruit af dat zij geen bezwaren hebben tegen het herstelbesluit. Het van rechtswege ontstane beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Nu de beroepen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellante sub 2] tegen het besluit van 30 oktober 2014 gegrond zijn dient de raad op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellante sub 2A] en [appellante sub 2B] en [appellant sub 2C] tegen het besluit van de raad van de gemeente Oss van 30 oktober 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Lith Centrum 2014" gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Oss van 30 oktober 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Lith Centrum 2014", voor zover dit ziet op het plandeel met de bestemming "Verkeer - Verblijf’ voor de strook grond van gemiddeld 2 m breed voor het bouwvlak van de percelen [locatie 1], en het plandeel met de bestemming "Tuin" voor het perceel [locatie 2];

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit, voor zover dit ziet op het plandeel met de bestemming "Tuin" voor het perceel [locatie 2] geheel in stand blijven;

IV. verklaart de beroepen tegen het besluit van 17 maart 2016 ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Oss tot vergoeding van:

a. bij [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

b. bij [appellante sub 2A] en [appellante sub 2B] en [appellant sub 2C] in verband met het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Oss aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt, ten bedrage van:

a. € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

b. € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor [appellante sub 2A] en [appellante sub 2B] en [appellant sub 2C], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. J.W. van de Gronden, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.J.R.R. Brock, griffier.

w.g. Kranenburg w.g. Brock

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2016

603.