Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2143

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-08-2016
Datum publicatie
03-08-2016
Zaaknummer
201500485/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 23 februari 2012 en 16 mei 2012 heeft het college de verzoeken van [appellante] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2016/81

Uitspraak

201500485/1/A2.

Datum uitspraak: 3 augustus 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Zandvoort,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 10 december 2014 in zaak nr. 12/4523 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zandvoort.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 23 februari 2012 en 16 mei 2012 heeft het college de verzoeken van [appellante] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 17 augustus 2012 heeft het college de door [appellante] daartegen gemaakte bezwaren gegrond verklaard ten aanzien van het ontbreken van een planologische vergelijking tussen de bestemmingsplannen "Boulevard-Zuid" en "Strand en Duin" en voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 december 2014 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 17 augustus 2012 vernietigd voor zover daarbij ten onrechte geen planologische verslechtering is aangenomen als gevolg van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Strand en Duin" en het college opgedragen om een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 1 december 2015 heeft het college opnieuw beslist op de bezwaren van [appellante], deze voor zover betrekking hebbend op de gevolgen van de verdere vergroting van de strandpaviljoens van 500 m² naar 775 m² gegrond verklaard en de besluiten van 23 februari 2012 en 16 mei 2012 onder aanvulling van de motivering gehandhaafd.

[appellante] heeft hierop gereageerd.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 april 2016, waar [appellante], bijgestaan door mr. C. Lubben, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door J.A. Sandbergen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

De verzoeken, de adviezen en de besluitvorming

1. [appellante] heeft op 26 mei 2004 een woning aan de [locatie] te Zandvoort (hierna: de woning) aangekocht.

Zij heeft op 30 augustus 2010 verzocht om een tegemoetkoming in planschade vanwege de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Jaarrondpaviljoens", op of omstreeks 14 januari 2007. Dit bestemmingsplan gold voor vier afzonderlijke begrensde plandelen en maakte het mogelijk om op die delen van het strand een strandpaviljoen te bouwen met een oppervlakte van 500 m². Het meest nabij gelegen bestemmingsvlak lag schuin tegenover de woning op ongeveer 50 m afstand.

Op 31 augustus 2010 heeft zij verzocht om een tegemoetkoming in planschade vanwege de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Strand en Duin" medio augustus 2009. Dit bestemmingsplan geldt voor het duin en het strand ten westen van de woning en maakt het mogelijk om 38 seizoensgebonden strandpaviljoens te realiseren met een oppervlakte van 700 m² per paviljoen. Op de gronden met de aanduiding "jaarrond" is in plaats van een seizoensgebonden strandpaviljoen een jaarrondstrandpaviljoen toegestaan met een oppervlakte van 775 m² per paviljoen, met een maximum van vijf jaarrondstrandpaviljoens. Eén van deze jaarrondstrandpaviljoens is gelegen ter hoogte van de woning van [appellante].

[appellante] stelt zich op het standpunt dat door deze planologische wijzigingen er verlies aan uitzicht en privacy optreedt, het gebruik van de gronden intensiveert en de parkeer- en verkeersoverlast toeneemt en dat daardoor de waarde van de woning is verminderd.

2. Het college heeft aan de besluiten van 23 februari 2012 en 16 mei 2012 adviezen van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ) van februari 2012 ten grondslag gelegd. Daarin heeft de SAOZ geconcludeerd dat de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Jaarrondpaviljoens" niet heeft geleid tot een nadeliger positie voor [appellante]. De inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Strand en Duin" heeft wél geleid tot een nadeliger positie. Door de (voorgenomen) partiële herziening van het bestemmingsplan "Strand en Duin" wordt de schade volledig gecompenseerd, aldus de adviezen van de SAOZ.

Bij het besluit op bezwaar heeft het college de bezwaren gegrond verklaard ten aanzien van het ontbreken van een planologische vergelijking tussen het "bestemmingsplan "Boulevard-Zuid" en het bestemmingsplan "Strand en Duin". Het bestemmingsplan "Boulevard-Zuid" is onherroepelijk geworden op of omstreeks 30 mei 2000. Dit plan had onder meer betrekking op de gronden waarop de boulevard is gelegen en op het duin (met strandopgang) dat ten westen van de woning lag. Tevens is dit bestemmingsplan van toepassing gebleven op de strook tussen het perceel en de zeereep, zijnde het gebied tussen de boulevard en het strand. Op die strook rust de bestemming "Verkeersdoeleinden tevens waterstaatsdoeleinden". Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Strand en Duin" niet heeft geleid tot een planologisch nadeliger situatie voor [appellante].

De uitspraak van de rechtbank

3. De rechtbank heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) gevraagd aan haar advies uit te brengen. In een advies van 3 april 2014 heeft de StAB een planologische vergelijking gemaakt tussen de mogelijkheden van het bestemmingsplan "Jaarrondpaviljoens" en de mogelijkheden van de bestemmingsplannen "Natuur- en Recreatiegebieden" en "Boulevard-Zuid". Daarnaast heeft de StAB een vergelijking gemaakt tussen de mogelijkheden van de bestemmingsplannen "Natuur- en Recreatiegebieden", "Boulevard-Zuid", "Jaarrondpaviljoens" en de mogelijkheden van het bestemmingsplan "Strand en Duin". De StAB heeft geconcludeerd dat de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Jaarrondpaviljoens" een beperkte planologische verslechtering betekent voor [appellante], maar dat deze verslechtering voorzienbaar was. De StAB heeft verder geconcludeerd dat de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Strand en Duin" heeft geleid tot een beperkte planologische verslechtering. Deze verslechtering was deels voorzienbaar, maar de toename van de maximale toegestane oppervlakte van de strandpaviljoens met 275 m² was niet voorzienbaar. Daarnaast heeft de StAB geconcludeerd dat het bestemmingsplan "Strand en Duin" bouwwerken op de nabijgelegen duinstrook toelaat met een hoogte van 8 m, hetgeen tot gevolg heeft dat het uitzicht vanuit de woning op zee, het strand en de bebouwing ten behoeve van strandpaviljoens geheel dan wel grotendeels wordt ontnomen.

De rechtbank heeft de conclusies van de StAB gevolgd, met uitzondering van de conclusie dat bouwwerken ten behoeve van zeewering kunnen worden opgericht, met een dusdanige hoogte dat het uitzicht vanuit de woning van [appellante] kan worden aangetast. De rechtbank heeft het besluit op bezwaar vernietigd, omdat het college ten onrechte geen planologische verslechtering heeft aangenomen ten gevolge van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Strand en Duin" en het college opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak.

Hoger beroep

4. [appellante] betoogt, mede onder verwijzing naar een door haar overgelegd rapport van Kenniscentrum voor Overheid en Bestuur van 18 oktober 2013, dat de rechtbank niet mocht afgaan op het advies van de StAB.

Zij voert daartoe allereerst aan dat in dat advies niet is onderkend dat op het moment van het tekenen van de koopovereenkomst van de woning op 26 mei 2004 het niet volledig voor haar voorzienbaar was dat de oppervlakte van de jaarrondpaviljoens onder de werking van het bestemmingsplan "Jaarrondpaviljoens" zou worden vergroot van 350 m² naar 500 m² voor seizoensgebonden paviljoens en tot 575 m² voor jaarrondpaviljoens. Terrassen zijn niet meegerekend in de maximale te bebouwen oppervlakte, waardoor een veel grotere bebouwde oppervlakte is toegestaan dan door de StAB in aanmerking is genomen. De maximale toegestane oppervlakte is vervolgens door de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Strand en Duin" verder vergroot naar 700 m² voor de seizoensgebonden paviljoens en naar 775 m² voor de jaarrondpaviljoens.

Daarnaast voert [appellante] aan, dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de StAB in haar advies bij de planvergelijking onvoldoende rekening heeft gehouden met de toename van hinder ten gevolge van de bestemming "Natuur", met de nadere aanduiding "reclame-uiting", die ingevolge het bestemmingsplan "Strand en Duin" aan de gronden ter hoogte van het duin (met strandopgang) ten westen van de woning is toegekend. Bovendien is op de plankaart op de gronden ter hoogte van het strand een doorlopend bouwvlak ingetekend waardoor meerdere paviljoens naast elkaar kunnen worden gerealiseerd. Niet alle paviljoens staan aangeduid op de plankaart, aldus [appellante].

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 30 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2825), mag een rechter in beginsel afgaan op de inhoud van het verslag van een deskundige, als bedoeld in artikel 8:47 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Dat is slechts anders, indien dat verslag onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat, dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd.

bestemmingsplan "Jaarrondpaviljoens"

4.2. Indien ten tijde van de aankoop van een onroerende zaak voor een redelijk denkend en handelend koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in ongunstige zin zou veranderen, is de schade voorzienbaar en dient deze voor rekening van de koper te worden gelaten. In dat geval wordt de koper geacht de mogelijkheid van verwezenlijking van de negatieve planologische ontwikkeling te hebben betrokken bij het overeenkomen van de koopprijs. Om voorzienbaarheid te kunnen aannemen, is voldoende dat er een concreet beleidsvoornemen is, dat openbaar is gemaakt. Niet is vereist dat dit beleidsvoornemen een formele status heeft.

De StAB heeft in haar advies vermeld dat de gemeente Zandvoort met onder meer het Hoogheemraadschap van Rijnland en de Zandvoortse strandpachtersvereniging op 7 mei 2001 een convenant heeft gesloten dat het tijdelijk toestaan van jaarrondpaviljoens op een gedeelte van het strand van Zandvoort tussen de strandpalen 64.500 en 67.750 mogelijk wordt gemaakt en nader wordt geregeld. Ter uitvoering van dit convenant heeft het college een rapport laten opstellen met daarin de stedenbouwkundige randvoorwaarden en selectiecriteria van de jaarrondpaviljoens. Op 17 juli 2001 heeft het college aan de raad van Zandvoort voorgesteld om in te stemmen met die voorwaarden en criteria, met dien verstande dat de bebouwde oppervlakte van de jaarrondpaviljoens wordt gewijzigd in "15% van de kavel met een maximum van 500 m²" en dat het aantal te plaatsen jaarrondpaviljoens wordt gesteld op maximaal vijf. In de vergadering van 28 augustus 2001 heeft de raad besloten in te stemmen met dit voorstel. Niet in geschil is dat de raadsagenda en dit raadsbesluit openbaar zijn gemaakt. Nu reeds uit deze documenten het concrete beleidsvoornemen blijkt om vijf jaarrondpaviljoens toe te staan met een oppervlakte van 500 m² per kavel, moest [appellante] ten tijde van de aankoop van de woning er rekening mee houden dat dergelijke jaarrondpaviljoens zouden worden gerealiseerd, zoals de StAB in haar advies heeft vermeld. Dat, zoals [appellante] heeft aangevoerd, het convenant niet openbaar is gemaakt en het ontwerpbestemmingsplan "Jaarrondpaviljoens" eerst na de aankoop van de woning ter inzage is gelegd, laat dit onverlet.

4.2.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Natuur- en recreatiegebieden" zijn de op de kaart als "Strand" aangegeven gronden bestemd voor strand en zeewering. Ingevolge het tweede lid mogen deze gronden uitsluitend worden gebruikt voor waterstaatsdoeleinden als aanleg, onderhoud en verbetering van de zeewering, alsmede voor de recreatie. Ingevolge het derde lid mogen op deze gronden uitsluitend andere bouwwerken ten behoeve van waterstaatsdoeleinden en recreatie worden opgericht, met een maximum hoogte van 6,5 m.

Ingevolge artikel 3, vijfde lid, aanhef en onder c, en het zesde lid, aanhef en onder c, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Jaarrondpaviljoens" mochten uitsluitend ter plaatse van het bouwvlak en de gronden met de nadere aanwijzing "(t)" terrassen worden gebouwd.

Nu in het bestemmingsplan "Natuur- en recreatiegebieden" verder geen beperking was opgenomen ten aanzien van de locatie van terrassen, mochten, gelet op artikel 8, tweede en derde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Natuur- en recreatiegebieden", bij een maximale invulling, op het gehele strand ongelimiteerd terrassen worden gerealiseerd. Anders dan [appellante], onder verwijzing naar een door haar bij haar reactie op het nieuwe besluit op bezwaar overgelegde advies van Van der Heijden Rentmeesters van 18 januari 2016, heeft aangevoerd, staat de definitiebepaling van "terras" in de Algemene Plaatselijke Verordening van Zandvoort niet aan de realisering van dergelijke terrassen in de weg. Onder de werking van het bestemmingsplan "Jaarrondpaviljoens" mochten niet ongelimiteerd terrassen worden gebouwd, maar uitsluitend ter plaatse van het bouwvlak en op de gronden met de nadere aanwijzing "(t)". De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat [appellante] met betrekking tot de mogelijkheid om terrassen te realiseren niet in een planologisch nadeliger situatie is komen te verkeren.

4.2.2. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht de conclusie van de StAB ten aanzien van het bestemmingsplan "Jaarrondpaviljoens" gevolgd.

Bestemmingsplan "Strand en Duin"

Strand

4.3. Voorafgaand aan de inwerkingtreding van bestemmingsplan "Strand en Duin" gold, op de gronden ter hoogte van het strand, voor zover het bestemmingsplan "Jaarrondpaviljoens" niet van toepassing was, het bestemmingsplan "Natuur-en recreatiegebieden".

Ingevolge artikel 8, vierde lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Natuur- en recreatiegebieden" was het college bevoegd vrijstelling te verlenen van het derde lid, voor het oprichten van maximaal 40 strandpaviljoens, met een maximale inhoud van 450 m³, uitsluitend toegestaan in het zomerseizoen. In dit bestemmingsplan was verder geen beperking opgenomen ten aanzien van de locatie van de strandpaviljoens.

4.3.1. Ingevolge het bestemmingsplan "Strand en Duin" rust op deze gronden de bestemming "Recreatie-Dagrecreatie", met de aanduidingen "strand" en "strandpaviljoen". Op de bijbehorende plankaart is een bouwvlak ingetekend en op vijf locaties is de nadere aanduiding "jaarrond" opgenomen. Eén van die locaties met de nadere aanduiding "jaarrond" is gelegen ter hoogte van de woning.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c, van de voorschriften van dit bestemmingsplan zijn gronden met de aanduiding "strandpaviljoen" bestemd voor ten hoogste 38 seizoensgebonden strandpaviljoens met bijbehorende voorzieningen zoals terrassen met dien verstande dat binnen 20 meter ter plaatse van de nadere aanduiding "jaarrond" in de plaats van een seizoensgebonden strandpaviljoen een jaarrondstrandpaviljoen is toegestaan.

Ingevolge artikel 4, derde lid, aanhef en onder g, onderdeel II, van de planvoorschriften, mag de maximale oppervlakte per strandpaviljoen

700 m² bedragen.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, aanhef en onder c, geldt voor jaarrondpaviljoens dat in afwijking van het gestelde onder II ook één openbaar toilet is toegestaan met een maximale oppervlakte van 75 m², waardoor de totale oppervlakte 775 m² bedraagt.

Ingevolge artikel 4, derde lid, onder d en e, dient ter plaatse van de aanduidingen "strandafgang" en "strandafgang (2)" een strook van minimaal 6, onderscheidenlijk 10 m onbebouwd te blijven.

4.3.2. Uit het StAB-advies volgt dat zij de hiervoor onder 4.3.1 beschreven mogelijkheid van het bestemmingsplan "Strand en Duin" om 38 strandpaviljoens, waarvan 5 jaarrondpaviljoens, van 700 m², respectievelijk 775 m² te bouwen binnen het bouwvlak, met uitzondering van de gronden waarop een strandafgang is gesitueerd, heeft meegenomen. Dat niet alle paviljoens zijn aangeduid op de plankaart, is voor de beoordeling van het planschadeverzoek niet van belang. Gelet hierop heeft de rechtbank op het punt van de maximale bouwmogelijkheden terecht het advies van de StAB gevolgd. De rechtbank heeft in het betoog van [appellante], dat de StAB geen rekening heeft gehouden met de mogelijkheid om binnen het bouwvlak aaneengesloten bebouwing op te richten, terecht geen aanleiding gezien voor een andersluidend oordeel. Uit hetgeen hiervoor onder 4.3 is overwogen, volgt dat onder de werking van het bestemmingsplan "Natuur- en recreatiegebieden", na vrijstelling, 40 strandpaviljoens naast elkaar konden worden opgericht, zodat ook in de oude planologische situatie reeds een bebouwingsvlak met aaneengesloten bebouwing kon ontstaan. Gelet op deze vrijstellingsmogelijkheid was het voor [appellante] voorzienbaar dat ter hoogte van de woning aaneengesloten bebouwing ten behoeve van strandpaviljoens mogelijk zou kunnen worden gemaakt, zoals de StAB in haar advies heeft geconcludeerd.

4.4. Met betrekking tot de gebruiksmogelijkheden heeft de StAB in haar advies vermeld dat vergeleken met de oude situatie een aanzienlijk grotere bebouwbare oppervlakte is toegestaan en dat daardoor het gebruik van het strand zal intensiveren. Daarnaast heeft de StAB in haar advies vermeld dat vanwege de toegestane omvang van de strandpaviljoens het aantrekkelijker wordt om deze strandpaviljoens te gebruiken voor activiteiten die niet dan wel beperkt gerelateerd zijn aan recreatie op het strand, zoals bedrijfs- of bruiloftsfeesten. Met name door de komst van het jaarrondpaviljoen ter hoogte van de woning zal op bepaalde momenten de drukte toenemen, hetgeen meer verkeersbewegingen met zich brengt en kan leiden tot parkeerhinder. De StAB heeft in haar advies vermeld dat daarbij rekening dient te worden gehouden met de ligging van de woning aan de boulevard, nabij het strand. Nu volgens de StAB de boulevard ook in de oude planologische situatie onderdeel uitmaakte van de routes van en naar het strand en van en naar de parkeerterreinen en nu de bestaande infrastructuur en de grote parkeerterreinen het reeds mogelijk maakte dat grote aantallen mensen het strand bezoeken, werd het gebied in bepaalde perioden van het jaar reeds intensief gebruikt. Gelet hierop heeft de StAB geconcludeerd dat de intensivering van het gebruik van het strand en de daarmee gepaard gaande toename aan verkeersbewegingen heeft geleid tot een voor [appellante] enigszins beperkt nadeliger situatie.

Uit het voorgaande volgt dat de StAB rekening heeft gehouden met de intensivering van het gebruik door de komst van het jaarrondpaviljoen ter hoogte van de woning en het grotere aantal bezoekers ten gevolge van de grotere oppervlakte per strandpaviljoen. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de StAB de nadelen hiervan heeft onderschat. De rechtbank heeft, gelet hierop, terecht geen aanleiding gezien voor de conclusie dat op dit punt het advies van de StAB niet kan worden gevolgd.

Duin

4.5. Op de gronden waarop de boulevard is gelegen en op het duin (met strandopgang) dat ten westen van de woning lag, rustte ingevolge het bestemmingsplan "Boulevard-Zuid" de bestemming "Waterstaatsdoeleinden en natuurgebied (duinen)".

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de beschrijving in hoofdlijnen, van dit bestemmingsplan, waren deze gronden bestemd voor zeewering en natuurgebied, alsmede voor verhardingen ten dienste van deze bestemming.

Ingevolge het tweede lid mochten deze gronden uitsluitend worden gebruikt als zeewering en was extensieve recreatie uitsluitend toegestaan op de daarvoor opengestelde paden.

4.5.1. Ingevolge het bestemmingsplan "Strand en Duin" rust op deze gronden de bestemming "Natuur", met de aanduiding "reclame-uiting".

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de voorschriften van dit bestemmingsplan, zijn deze gronden bestemd voor het behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden, zeewering en extensieve dagrecreatie. Ter plaatse van de aanduiding "reclame-uiting" zijn deze gronden tevens bestemd voor reclame-uitingen in de vorm van vlaggenmasten en reclameborden zoals menukasten. Daarnaast zijn deze gronden bestemd voor bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals (ontsluitings)wegen, nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en water.

Ingevolge artikel 3, derde lid, aanhef en onder k, zijn ter plaatse van de aanduiding "reclame-uiting" bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een maximale diepte van 0,2 m, een maximale bouwhoogte van 1,8 m en een maximale breedte van 1 m en vlaggenmasten tot een maximale bouwhoogte van 8 m toegestaan, met dien verstande dat per strandpaviljoen maximaal één reclame-uiting is toegestaan.

4.5.2. De StAB heeft in haar advies onderkend dat de extensieve recreatie, in de voorschriften van het bestemmingsplan "Strand en Duin" gedefinieerd als niet-gemotoriseerde recreatieve activiteiten, zoals wandelen, fietsen, skaten, paardrijden, vissen, zwemmen en natuurobservatie, onder de werking van dit bestemmingsplan niet langer is beperkt tot de daarvoor opengestelde paden en dat dit enigszins van invloed kan zijn op de intensivering van het gebruik. Voorts heeft de StAB in haar advies onderkend dat de gronden met de bestemming "Natuur" met de aanduiding "reclame-uiting" ook bestemd zijn voor de aanleg van parkeervoorzieningen, terwijl de gronden voorheen niet als zodanig waren bestemd. Tot slot heeft de StAB onderkend dat op deze gronden onder meer vlaggenmasten met een hoogte van 8 m kunnen worden gebouwd, terwijl voorheen bebouwing ten behoeve van recreatie niet was toegestaan. De StAB heeft vermeld dat de ligging en het aantal paden niet in het bestemmingsplan "Boulevard-Zuid" was gereguleerd en dat niet was voorgeschreven dat de paden (de verhardingen) slechts voor voetgangers toegankelijk waren. Ten aanzien van de parkeervoorzieningen heeft de StAB vermeld dat op de tussenliggende gronden, zijnde de gronden aan weerszijden van de boulevard reeds parkeervoorzieningen zijn toegelaten. Daarnaast heeft, zoals hiervoor onder 4.4 is overwogen, de StAB rekening gehouden met de toename van het verkeer door de toename van de maximale toegestane oppervlakte per strandpaviljoen en de komst van het jaarrondpaviljoen. Gelet op de ligging van de woning aan de drukke Boulevard Paulus Loot en de reeds bestaande mogelijkheid om te parkeren aan weerszijden van de boulevard, kan geen grond worden gevonden voor het oordeel dat de mogelijkheid om in de duinstrook parkeervoorzieningen aan te leggen en de mogelijkheid om ontsluitingswegen aan te leggen ten behoeve van de bestemming heeft geleid tot extra hinder, ten opzichte van de toename die de StAB reeds heeft meegenomen. De StAB heeft het nadeel dus niet onderschat. Tot slot heeft de StAB vermeld dat ter plaatse van de gronden met de aanduiding "reclame-uiting" alleen bebouwing mag plaatsvinden indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder het peil, niet wordt uitgebreid, zodat [appellante] ten aanzien van deze bouwmogelijkheden niet in een nadeliger positie is komen te verkeren.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank op dit punt terecht geen aanleiding gezien voor de conclusie dat het advies van de StAB op dit punt niet mag worden gevolgd.

Deskundigenkosten

5. Tussen partijen is voorts in geschil of de rechtbank de eindnota van 30 oktober 2013, ten bedrage van € 1.119,25, en de voorschotnota van 24 september 2013, ten bedrage van € 1.119,25, ten onrechte niet voor vergoeding in aanmerking heeft gebracht. De nota’s hebben betrekking op de kosten voor het laten opstellen van het rapport van Kenniscentrum van 18 oktober 2013, welke door [appellante] in beroep bij de rechtbank is overgelegd. Gelet op de inhoud van dit rapport, waarin geen schadetaxatie is opgenomen, kan dit niet worden aangemerkt als een door een deskundige uitgebracht verslag, als bedoeld in artikel 8:36, tweede lid, van de Awb, waarvan de kosten ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb) voor vergoeding in aanmerking komen, maar dienen de gemaakte kosten te worden aangemerkt als kosten voor rechtsbijstandsverlening in de zin van artikel 1, onder a, van dat besluit. De kosten moeten daarom worden geacht te zijn begrepen in de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, als bedoeld in artikel 1, onder a, van het Bpb die ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van dat besluit forfaitair worden bepaald. De rechtbank heeft deze kosten derhalve terecht niet afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking gebracht.

6. Het hoger beroep is ongegrond.

7. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college de SAOZ verzocht om nader advies aan hem uit te brengen. In haar advies van november 2015 concludeert de SAOZ dat de planologische maatregelen voor [appellante] hebben geleid tot een nadeliger positie, waaruit op de voet van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening voor vergoeding vatbare schade in de vorm van waardevermindering is voortgevloeid. Volgens de SAOZ is de waarde van de woning met een bedrag van € 20.000 gedaald van € 1.300.000,00 naar € 1.280.000,00. Een bedrag dat gelijk staat aan 2% van de waarde van de woning, zijnde een bedrag van € 26.000,00, komt niet voor vergoeding in aanmerking. Dit betekent dat de schade geheel voor rekening van [appellante] wordt gelaten.

Het college heeft dit advies ten grondslag gelegd aan het besluit op bezwaar van 1 december 2015.

Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:19, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, geacht voorwerp te zijn van dit geding.

8. [appellante] heeft, onder verwijzing naar het advies van Van der Heijden Rentmeesters, betoogd, dat het college niet mocht afgaan op het nadere advies van de SAOZ. [appellante] voert daartoe aan dat de SAOZ bij de planvergelijking eraan voorbij is gegaan dat het bestemmingsplan "Jaarrondpaviljoens" voorzag in de realisering van een viertal op afstand van elkaar gelegen paviljoens, terwijl het bestemmingsplan "Strand en Duin" de mogelijkheid biedt om in de strook met de bestemming "Recreatie-Dagrecreatie" met de aanduiding "strandpaviljoen" nagenoeg aaneengesloten gebouwen in de vorm van strandpaviljoens te realiseren, hetgeen zou resulteren in een aaneengesloten bebouwing. Voorts voert zij aan dat de SAOZ het planologisch nadeel heeft onderschat. De toename van de oppervlakte per paviljoen en het jaarrondpaviljoen ter hoogte van de woning hebben tot gevolg dat de exploitatie van deze voorzieningen het karakter krijgt van reguliere permanente horeca. Dit omdat door de ruimere exploitatiemogelijkheden de directe link met en afhankelijkheid van de strandrecreatie fors kleiner is geworden. Daarnaast kunnen ook in de winter grote feesten en partijen plaatsvinden, waardoor de exploitatie niet langer is verbonden aan het zomerseizoen en de momenten van rust steeds schaarser worden. Voorts is de hinder van onder meer ladend en lossend vrachtverkeer niet meegenomen in het advies van de SAOZ, aldus [appellante].

8.1. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.3.2 is overwogen, slaagt het betoog van [appellante] over de mogelijkheid om aaneengesloten bebouwing te realiseren, niet.

8.2. De SAOZ heeft in haar advies vermeld dat door het mogelijk maken van jaarrondpaviljoens, waarbij de maximale oppervlakte is toegenomen naar 700 m² (en 75 m² aan openbare toiletten), er nadeel van enige betekenis is ontstaan in de periode dat alleen het jaarrondpaviljoen geopend is. Deze conclusie is in overeenstemming met de conclusie in het advies van de StAB. De SAOZ heeft in haar advies aldus rekening gehouden met de omvang van de toelaatbare bebouwing en met de mogelijkheid om een jaarrondpaviljoen te bouwen ter hoogte van de woning. Niet is gebleken dat de SAOZ het nadeel heeft onderschat. De SAOZ heeft in haar advies vermeld dat het nadeel van de toegenomen oppervlakte dient te worden afgezet tegen het nadeel van een strandpaviljoen met een oppervlakte van 500 m². De SAOZ heeft voorts vermeld dat rekening moet worden gehouden met de tussenliggende ontsluitingsweg en de hinder die hiervan kan worden ondervonden en de hinder van mensen die van en naar hun auto’s lopen. Dat de SAOZ niet specifiek is ingegaan op de hinder van ladend en lossend vrachtverkeer doet geen afbreuk aan haar advies, nu deze hinder onder de verkeersaantrekkende werking van het strandpaviljoen kan worden begrepen.

8.3. Gelet op het voorgaande mocht het college afgaan op het advies van de SAOZ.

Het betoog faalt.

9. Het beroep van rechtswege is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van 1 december 2015 van het college van burgemeester en wethouders van Zandvoort, kenmerk 2015/11/000768, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. van Zanten, griffier.

w.g. Polak w.g. Van Zanten

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2016

97-680.