Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2141

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-08-2016
Datum publicatie
03-08-2016
Zaaknummer
201509183/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:14172, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 januari 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de definitieve vaststelling van de zorgtoeslag en de huurtoeslag van [appellante] over 2012 herzien, de zorgtoeslag vastgesteld op een bedrag van € 1.347,00, de huurtoeslag vastgesteld op een bedrag van € 998,00 en het teveel betaalde teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201509183/1/A2.

Datum uitspraak: 3 augustus 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats], [gemeente],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 10 december 2015 in zaak nr. 15/3208 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de definitieve vaststelling van de zorgtoeslag en de huurtoeslag van [appellante] over 2012 herzien, de zorgtoeslag vastgesteld op een bedrag van € 1.347,00, de huurtoeslag vastgesteld op een bedrag van € 998,00 en het teveel betaalde teruggevorderd.

Bij besluit van 11 september 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, de zorgtoeslag herzien en vastgesteld op een bedrag van € 1.365,00, de huurtoeslag herzien en vastgesteld op een bedrag van € 1.052,00 en het verzoek om vergoeding van in bezwaar gemaakte proceskosten afgewezen.

Bij uitspraak van 10 december 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juni 2016, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, werkzaam bij de Belastingdienst/Toeslagen is verschenen.

Overwegingen

De voorgaande procedure

1. De Belastingdienst/Toeslagen heeft bij besluit van 16 november 2013 de zorgtoeslag over 2012 definitief vastgesteld op een bedrag van € 1.365,00 en de huurtoeslag definitief vastgesteld op een bedrag van € 1.052,00. Aan dat besluit heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat hij van de basisregistratie inkomen de vastgestelde inkomens over 2012 van [appellante] ten bedrage van € 3.813,00 en van haar toeslagpartner ten bedrage van € -1.540,00 heeft ontvangen en op grond daarvan de toeslagen definitief heeft berekend.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan het besluit van 6 januari 2015 ten grondslag gelegd dat hij van de basisregistratie inkomen opnieuw vastgestelde inkomens over 2012 van [appellante] ten bedrage van € 13.007,00 en van haar toeslagpartner ten bedrage van € 7.654,00 heeft ontvangen en op grond daarvan de toeslagen definitief heeft berekend.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan het besluit van 11 september 2015 ten grondslag gelegd dat uit onderzoek is gebleken dat de basisregistratie inkomen het inkomen van [appellante] over 2012 opnieuw heeft vastgesteld op een bedrag van € 3.813,00 en het inkomen van haar toeslagpartner over 2012 opnieuw heeft vastgesteld op een bedrag van € -1.540,00 en dat de Belastingdienst/Toeslagen op basis daarvan de toeslagen opnieuw definitief heeft berekend. De Belastingdienst/Toeslagen heeft het verzoek om vergoeding van de door [appellante] gemaakte kosten in bezwaar afgewezen, omdat het besluit van 6 januari 2015, waartegen het door [appellante] gemaakte bezwaar was gericht, niet is herzien wegens een aan de Belastingdienst/Toeslagen te wijten onrechtmatigheid.

De rechtbank heeft de afwijzing van het verzoek om proceskosten rechtmatig geoordeeld.

Behandeling van het hoger beroep

2. Ingevolge artikel 1:1, eerste lid aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder bestuursorgaan verstaan: een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld. Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) wordt onder Belastingdienst/Toeslagen verstaan: het organisatieonderdeel van de rijksbelastingdienst dat is belast met het toekennen, uitbetalen en terugvorderen van tegemoetkomingen. In de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling is vermeld: "Omdat dit wetsvoorstel rechtstreeks taken en bevoegdheden toekent aan de Belastingdienst/Toeslagen is de Belastingdienst/Toeslagen bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht" (Kamerstukken II 2004/2005, 29 764, nr. 3, blz. 17).

3. Anders dan [appellante] betoogt, heeft de rechtbank terecht onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld de door de rechtbank aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 10 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3373) geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen een ander bestuursorgaan is dan de inspecteur voor de inkomstenbelasting. Uit hetgeen hiervoor onder 2 is overwogen volgt dat de Belastingdienst/Toeslagen een ander bestuursorgaan is dan de inspecteur voor de inkomstenbelasting. Dat, zoals [appellante] heeft aangevoerd, de Belastingdienst/Toeslagen onderdeel is van het Directoraat-generaal Belastingdienst van het ministerie van Financiën en gebruik maakt van binnen de Belastingdienst aanwezige informatie, vormt geen aanleiding hierover anders te oordelen.

4. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen haar verzoek om vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten terecht heeft afgewezen. Zij voert aan dat het besluit van 6 januari 2015 onrechtmatig is genomen. Volgens haar had de Belastingdienst/Toeslagen dit besluit niet mogen nemen, omdat ten tijde van dat besluit bij de inspecteur voor de inkomstenbelasting een door haar gemaakt bezwaar tegen de vaststelling van haar verzamelinkomen aanhangig was en de Belastingdienst/Toeslagen dit wist of kon weten. Zij voert verder aan dat zij na ontvangst van dat besluit geen andere keuze had dan daartegen bezwaar te maken, omdat indien zij dit niet had gedaan, zij de bij dat besluit teruggevorderde bedragen had moeten betalen. Volgens [appellante] heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat indien alsnog blijkt dat het toetsingsinkomen niet juist is vastgesteld, dit automatisch leidt tot een herziening van de definitieve berekening. Zij betoogt dat de rechtbank met deze overweging het in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) neergelegde recht op toegang tot een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld heeft miskend.

4.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder o, van de Awir, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede in inkomensafhankelijke regelingen, verstaan onder inkomensgegeven: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, wordt ter bepaling van de draagkracht voor de toepassing van een inkomensafhankelijke regeling het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, van de belanghebbende en dat van zijn partner in aanmerking genomen.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, is het toetsingsinkomen het op het berekeningsjaar betrekking hebbende inkomensgegeven.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, herziet de Belastingdienst/Toeslagen, indien na de toekenning van de tegemoetkoming uit een wijziging van een inkomensgegeven of niet in Nederland belastbaar inkomen blijkt dat de tegemoetkoming tot een te hoog of te laag bedrag is toegekend, de tegemoetkoming met inachtneming van die wijziging.

Ingevolge het tweede lid geschiedt de herziening binnen acht weken na het tijdstip waarop het gewijzigde inkomensgegeven aan de Belastingdienst/Toeslagen bekend is geworden dan wel de beschikking of uitspraak strekkende tot de in het eerste lid bedoelde wijziging onherroepelijk is geworden.

Ingevolge artikel 21, aanhef en onder e ten eerste, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Awr) wordt in dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen verstaan onder inkomensgegeven: indien over een kalenderjaar een aanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het na afloop van dat kalenderjaar van betrokkene over dat kalenderjaar laatst bepaalde verzamelinkomen.

Ingevolge artikel 21g, eerste lid, gebruikt een afnemer voor zover hij een op grond van een wettelijk voorschrift verleende bevoegdheid tot gebruik van het inkomensgegeven uitoefent, het inkomensgegeven zoals dat ten tijde van het gebruik is opgenomen in de basisregistratie inkomen.

4.2. Niet in geschil is dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraken van 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1321, en 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3534), de Belastingdienst/Toeslagen bij de bepaling van de draagkracht, gelet op artikel 7, eerste lid, in verbinding met artikel 8, eerste lid, en artikel 2, eerste lid, aanhef en onder o, van de Awir dient uit te gaan van het inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Awr.

Volgens het besluit van 6 januari 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen dit besluit genomen, omdat het inkomensgegeven in de basisregistratie inkomen was gewijzigd. De Belastingdienst/Toeslagen is op grond van artikel 20 van de Awir verplicht een nieuw besluit te nemen indien een dergelijke wijziging betekent dat bij een eerder besluit de tegemoetkoming tot een te hoog of te laag bedrag is toegekend. De rechtbank heeft, gelet op artikel 21g, eerste lid, van de Awr, met juistheid overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen het besluit van 6 januari 2015 terecht heeft genomen op grondslag van het inkomensgegeven dat op die datum in de basisregistratie inkomen was geregistreerd. De Belastingdienst/Toeslagen was niet gehouden met het nemen van dat besluit te wachten totdat op het door [appellante] bij de inspecteur voor de inkomstenbelasting gemaakte bezwaar was beslist.

Uit het voorgaande volgt dat het besluit van 6 januari 2015 niet onrechtmatig is genomen.

4.3. Voorts kan [appellante] niet worden gevolgd in haar standpunt dat het indienen van het bezwaarschrift tegen het besluit van 6 januari 2015 noodzakelijk was om te voorkomen dat zij de bij dat besluit teruggevorderde bedragen moest betalen. [appellante] had reeds bezwaar gemaakt tegen de aanslag inkomstenbelasting. Een dergelijk procedure kan leiden tot aanpassing van het inkomensgegeven in de basisregistratie inkomen. Zoals hiervoor onder 4.2 is overwogen, is de Belastingdienst/Toeslagen op grond van artikel 20 van de Awir verplicht een nieuw besluit te nemen indien een wijziging van het inkomensgegeven betekent dat bij een eerder besluit de tegemoetkoming tot een te hoog of te laag bedrag is toegekend. Indien daarvoor aanleiding bestaat, betaalt de dienst hierbij tevens rente uit. Verder kan de Belastingdienst/Toeslagen een belanghebbende die bezwaar heeft gemaakt tegen een inkomensgegeven, zoals [appellante] had gedaan, met toepassing van artikel 8, eerste en tweede lid, van de Uitvoeringsregeling Awir op verzoek uitstel van betaling van de terugvordering verlenen. Hoewel het [appellante] uiteraard vrij stond tegen het besluit van 6 januari 2015 bezwaar te maken, zoals zij heeft gedaan, was dit dus niet noodzakelijk.

4.4. Gezien het voorgaande heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat indien het inkomensgegeven in de basisregistratie inkomen is gewijzigd, de Belastingdienst/Toeslagen op grond van artikel 20, eerste lid, van de Awir ‘automatisch’ (lees: ambtshalve), dat wil zeggen zonder dat daarvoor een aanvraag nodig is, de tegemoetkoming herziet. Daarbij heeft de rechtbank, gelet op de termijn van acht weken in het tweede lid van dat artikel, terecht overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen bij die herziening aan een termijn is gebonden. De rechtbank heeft met deze overwegingen slechts verwezen naar artikel 20 van de Awir. Zij heeft daarmee niet overwogen dat [appellante] het geschil over haar aanspraak op huurtoeslag en zorgtoeslag niet aan de rechter kon of mocht voorleggen. De Afdeling volgt dan ook niet het betoog van [appellante] dat de rechtbank het in artikel 6 van het EVRM neergelegde recht op toegang tot een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld heeft miskend.

4.5. Uit hetgeen hiervoor onder 4.2 is overwogen volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het besluit van 6 januari 2015 niet is herroepen wegens een aan de Belastingdienst/Toeslagen te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb en dat de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek van [appellante] om vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten terecht heeft afgewezen.

Het betoog faalt.

Slotoverwegingen

5. Het hoger beroep is ongegrond. De rechtbankuitspraak moet worden bevestigd.

6. De Belastingdienst/Toeslagen hoeft de door [appellante] voor de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten en het betaalde griffierecht niet te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Oranje, griffier.

w.g. Hoogvliet w.g. Oranje

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2016

507.