Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2136

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-08-2016
Datum publicatie
03-08-2016
Zaaknummer
201410037/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:8986, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 februari 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag van [appellant] over het berekeningsjaar 2009 definitief vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201410037/1/A2.

Datum uitspraak: 3 augustus 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 november 2014 in zaak nr. 14/3142 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag van [appellant] over het berekeningsjaar 2009 definitief vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 7 april 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard. Bij besluit van 10 mei 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag van [appellant] definitief vastgesteld op € 6.631,00.

Bij uitspraak van 6 november 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juli 2016, waar [appellant] en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, werkzaam bij de dienst, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant] heeft zijn kinderen [kind 1] en [kind 2] in 2009 laten opvangen bij [kinderopvang] Het voorschot kinderopvangtoeslag is voor het berekeningsjaar 2009 bij besluit van 3 juli 2009 na een door [appellant] op 17 juni 2009 doorgegeven wijziging herzien naar € 11.257,00. Uit de doorgegeven wijziging blijkt dat zijn twee kinderen per 1 juni 2009 iedere maand voor 128 uur bij het kinderdagverblijf hadden moeten worden opgevangen en dat [appellant] voor de opvang € 6,30 per uur was verschuldigd.

verzoek om informatie

2. De Belastingdienst/Toeslagen heeft in 2010 en in 2013 aan [appellant] verzocht om jaaroverzichten van de kinderopvang die in 2009 heeft plaatsgevonden, te verstrekken. [appellant] heeft bij de in 2010 verstrekte informatie de gevraagde jaaroverzichten niet meegestuurd en op de verzoeken van 26 augustus en 11 november 2013 niet gereageerd. Nadat bij het besluit van 18 februari 2014 de kinderopvangtoeslag definitief op nihil was gesteld, heeft [appellant] in bezwaar na een daartoe door de Belastingdienst/Toeslagen op 17 maart 2014 gedaan verzoek jaaroverzichten van [kinderopvang] aan de Belastingdienst/Toeslagen verstrekt.

definitieve berekening

3. De Belastingdienst/Toeslagen heeft bij besluit van 10 mei 2014 de kinderopvangtoeslag definitief vastgesteld op € 6.631,00. Voor het kind [kind 1] is conform de overgelegde jaaropgave voor de periode 16 juni 2009 tot en met 30 september 2009 uitgegaan van 128 uur dagopvang tegen een maximaal uurtarief van € 6,10. Voor de periode 1 oktober 2009 tot en met 31 december 2009 is uitgegaan van 66 uur buitenschoolse opvang tegen een tarief van € 6,02. Voor het kind [kind 2] is conform de overgelegde jaaropgave voor de periode 16 juni 2009 tot en met 31 december 2009 uitgegaan van 121 uur dagopvang tegen een maximaal uurtarief van € 6,10.

Oordeel rechtbank

4. De rechtbank heeft geoordeeld dat het betoog van [appellant] dat de Belastingdienst/Toeslagen het recht op kinderopvangtoeslag voor het kalenderjaar 2009 te laat heeft vastgesteld, namelijk meer dan drie jaren na afloop van het betreffende kalenderjaar en dat daarom het recht op kinderopvang conform de laatste herziening van het voorschot voor 2009 dient te worden vastgesteld, faalt.

Gronden van het hoger beroep

5. [appellant] heeft betoogd dat de Belastingdienst/Toeslagen heeft toegegeven de termijn waarbinnen de kinderopvangtoeslag definitief moet worden vastgesteld, danig te hebben overschreden. Hij heeft gesteld dat de Belastingdienst/Toeslagen het recht om de kinderopvangtoeslag definitief vast te stellen op een lager bedrag dan het eerder aan hem toegekende voorschot, op grond van eigen regelgeving, heeft verspeeld en dat het niet zo kan zijn dat een bestuursorgaan de eigen regelgeving aan de kant schuift.

Beoordeling

6. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir), kent de Belastingdienst/Toeslagen, indien ten name van de belanghebbende, zijn partner of een medebewoner over het berekeningsjaar een aanslag inkomstenbelasting wordt vastgesteld, de tegemoetkoming met betrekking tot dat berekeningsjaar toe binnen dertien weken nadat de laatste in dit kader van belang zijnde aangifte inkomstenbelasting is ingediend, of, indien dit eerder is, binnen acht weken na de vaststelling van de laatste in dit kader van belang zijnde aanslag. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt een aangifte inkomstenbelasting die is ingediend vóór 1 april van het jaar volgend op het berekeningsjaar geacht te zijn ingediend op 1 april van het jaar volgend op het berekeningsjaar.

Ingevolge het tweede lid kent de Belastingdienst/Toeslagen, indien voor geen van de in het eerste lid bedoelde personen over het berekeningsjaar een aanslag inkomstenbelasting of een beschikking ter zake van niet in Nederland belastbaar inkomen wordt vastgesteld, de tegemoetkoming met betrekking tot dat berekeningsjaar toe vóór 1 december van het jaar volgend op het berekeningsjaar.

6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1484), volgt uit de Awir, noch de totstandkomingsgeschiedenis daarvan, dat de in artikel 19, eerste en tweede lid, van de Awir, neergelegde beslistermijnen in zoverre fataal zijn dat de Belastingdienst/Toeslagen na het verstrijken van deze termijnen niet meer bevoegd is om een voorschot, overeenkomstig artikel 16, vijfde lid, van de Awir, of een toeslag, overeenkomstig artikel 19 van de Awir, definitief vast te stellen. Dit betekent evenwel niet dat die bevoegdheid niet in tijd is begrensd. Uit voormelde uitspraak volgt dat, gelet op de wetssystematiek en in lijn met artikel 21, tweede lid, van de Awir, de bevoegdheid van de Belastingdienst/Toeslagen om een voorschot te herzien of een toeslag vast te stellen ten nadele van de aanvrager vijf jaar na de laatste dag van het berekeningsjaar waarop de toeslag betrekking heeft, vervalt. De toeslag moet in die gevallen definitief op het bedrag van het laatste voorschot worden vastgesteld, zodat een terugvordering of verrekening op de voet van artikel 16, zesde lid, en artikel 26 van de Awir achterwege blijft.

Gevolgen voor [appellant]

7. De Afdeling ziet geen aanleiding in dit geval anders te oordelen dan in de hiervoor genoemde uitspraak van 1 juni 2016. Dit oordeel betekent voor deze zaak dat de Belastingdienst/Toeslagen bevoegd was om de kinderopvangtoeslag van [appellant] bij besluit van 10 mei 2014 op een bedrag van € 6.631,00 vast te stellen. Op het moment dat het bij het besluit op bezwaar gewijzigde besluit van 18 februari 2014 werd genomen, was er immers nog geen vijf jaar verstreken sinds het einde van het berekeningsjaar 2009. De Belastingdienst/Toeslagen was derhalve niet gehouden om de kinderopvangtoeslag vast te stellen op het bedrag van het laatste voorschot, namelijk € 11.257,00. Voor het oordeel dat, zoals [appellant] ter zitting heeft gesteld, de Belastingdienst/Toeslagen daartoe in dit geval wel gehouden was, nu de dienst de overschrijding van de wettelijke termijn heeft erkend en dat niet zonder gevolgen kan blijven, is geen plaats. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de Afdeling het hoger beroep van [appellant] ongegrond zal verklaren.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. van Zanten, griffier.

w.g. Van Ettekoven w.g. Van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2016

97.