Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2130

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-08-2016
Datum publicatie
03-08-2016
Zaaknummer
201509213/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 april 2014 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201509213/1/A2.

Datum uitspraak: 3 augustus 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 12 november 2015 in zaak nr. 14/4663 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Súdwest-Fryslân.

Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2014 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 15 september 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 november 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

[appellant] heeft eveneens een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juli 2016, waar [appellant], in persoon, is verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] was ten tijde van belang eigenaar van de vrijstaande woning op het perceel [locatie] te Koudum (hierna: de woning). Bij brief van 27 maart 2013 heeft hij bij het college een aanvraag ingediend om een tegemoetkoming in planschade, bestaande uit vermindering van de waarde van de woning, die hij stelt te hebben geleden als gevolg van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan Koudum - De Easte en Parkplan van 22 september 2011 (hierna: het nieuwe bestemmingsplan). Dit bestemmingsplan is de planologische basis voor woningbouw op een ten zuidwesten van de woning gelegen agrarisch gebied (hierna: het plangebied).

2. Het college heeft voor het op de aanvraag te nemen besluit advies gevraagd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ). In een advies van 27 maart 2014 heeft de SAOZ een vergelijking gemaakt tussen de planologische mogelijkheden van het nieuwe bestemmingsplan en het daaraan voorafgaande planologische regime (hierna: het oude planologische regime). Uit deze vergelijking heeft de SAOZ de conclusie getrokken dat de planologische verandering in geringe mate heeft geleid tot een aantasting van het omgevingskarakter en de privacy in de woning. Volgens de SAOZ is [appellant] in een nadeliger planologische positie komen te verkeren en is de waarde van de woning ten tijde van de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan op 16 maart 2012 met € 5.000,00, van € 265.000,00 naar € 260.000,00, gedaald. Voorts is in het advies uiteengezet dat de door [appellant] geleden schade niet uitstijgt boven de in artikel 6.2, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening vastgestelde drempel van twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk vóór het opkomen van de schade, zodat de schade geheel voor zijn rekening dient te worden gelaten.

Het college heeft dit advies aan het besluit van 3 april 2014 ten grondslag gelegd en dat besluit in bezwaar gehandhaafd. De rechtbank heeft het daartegen gerichte beroep bij de aangevallen uitspraak van 12 november 2015 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep is in geschil of een juiste vergelijking is gemaakt tussen de mogelijkheden van het nieuwe bestemmingsplan en het oude planologische regime. [appellant] stelt zich op het standpunt dat het college, door zich op het advies van 27 maart 2014 te baseren, niet heeft onderkend dat de SAOZ de nadelige gevolgen van de onder het oude planologische regime nog bestaande mogelijkheden in het plangebied heeft overschat. Hij betoogt in het bijzonder dat, gelet op de onder het oude planologische regime toepasselijke voorschriften (hierna: de planvoorschriften), dat advies berust op de onjuiste veronderstelling dat het onder het oude planologische regime mogelijk was eventuele in het plangebied te realiseren sleufsilo’s niet slechts ten behoeve van de opslag van gras van het plangebied te gebruiken, maar ook ten behoeve van de opslag van gras van andere percelen. Verder betoogt hij het aantal verkeersbewegingen op het pad, waarop de erfdienstbaarheid ten behoeve van onder andere het plangebied rust, onder het nieuwe planologische regime is toegenomen en dat dit heeft geleid tot een aantasting van de privacy in de woning.

3.1. Onder het oude planologische regime was het plangebied conform het bestemmingsplan Koudum De Easte van 2 april 1985 voor cultuurgrond aangewezen.

3.2. Ingevolge artikel 1, onder 34, van de planvoorschriften wordt onder cultuurgrond verstaan: volkstuinen, grasland, akkerbouw- en tuinbouwgronden met uitzondering van bosgronden.

Ingevolge artikel 10, onder A, zijn de op de kaart voor cultuurgrond aangewezen gronden bestemd voor cultuurgrond en boomgaarden, met de bij deze functies behorende paden, groenvoorzieningen en sloten, andere bouwwerken en andere werken.

Ingevolge dat artikel, onder B, zal de hoogte van andere bouwwerken niet meer dan 2 m bedragen.

Ingevolge dat artikel, onder D, is het in het gebied waarop deze bestemming betrekking heeft, verboden de gronden en gebouwen te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de onder A omschreven bestemming.

3.3. Niet in geschil is dat het onder het oude planologische regime was toegestaan in het plangebied sleufsilo’s voor de opslag van gras te realiseren. In de planvoorschriften is slechts een beperking aan de hoogte van die sleufsilo’s gesteld en geen beperking aan het aantal of de oppervlakte ervan. Uit de planvoorschriften valt niet af te leiden dat, zoals [appellant] betoogt, die sleufsilo’s slechts voor de opslag van gras afkomstig uit het plangebied mogen worden gebruikt, maar niet voor de opslag van gras van andere percelen. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen. In het betoog is geen grond te vinden voor het oordeel dat de in het advies van de SAOZ gemaakte vergelijking tussen de mogelijkheden van het nieuwe bestemmingsplan en het oude planologische regime op een onjuiste uitleg van de planvoorschriften berust en dat het college, door de besluitvorming op dat advies te baseren, de voor [appellant] nadelige gevolgen onder het oude planologische regime van landbouwverkeer naar en van eventuele in het plangebied te realiseren sleufsilo’s heeft overschat en daardoor de schade als gevolg van de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan juist heeft onderschat.

Verder heeft het betoog over de aantasting van de privacy in de woning als gevolg van de toename van het aantal verkeersbewegingen op het bij de woning gelegen pad betrekking op de feitelijke situatie. In het advies van de SAOZ is in dit verband uiteengezet dat de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan, gelet op de planologische mogelijkheden onder het oude planologische regime, niet tot een relevante verslechtering of verzwaring van het recht van overpad heeft geleid. Uit het betoog blijkt niet van een concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid van dit onderdeel van het advies van de SAOZ.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.

w.g. Koeman w.g. Hazen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2016

452.