Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2122

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-07-2016
Datum publicatie
27-07-2016
Zaaknummer
201507245/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:10581, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 11 augustus 2015 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2016/254 met annotatie van prof. mr. H. Battjes
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201507245/1/V3

Datum uitspraak: 20 juli 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 8 september 2015 in zaken nrs. 15/15144 en 15/15150 in het geding tussen:

[vreemdeling A] en [vreemdeling B], mede voor hun minderjarige kind,

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 11 augustus 2015 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling genomen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 8 september 2015 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdelingen hebben, vertegenwoordigd door mr. M. Issa, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De vreemdelingen hebben op 13 december 2013 in Nederland, mede voor hun minderjarige kind, asielaanvragen ingediend. Tussen partijen is niet in geschil dat de Italiaanse autoriteiten het overnameverzoek van de staatssecretaris op 6 maart 2014 hebben geaccepteerd, zodat zij ingevolge artikel 22, eerste lid, van Verordening (EU) 604/2013 (PB 2013 L 180; hierna: de Dublinverordening) verantwoordelijk zijn geworden voor de behandeling van de asielaanvragen.

1.1. De staatssecretaris heeft de asielaanvragen eerst bij besluiten van 14 maart 2014 afgewezen. De vreemdelingen hebben tegen deze besluiten beroep ingesteld en bij de rechtbank een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening ingediend, welk verzoek de voorzieningenrechter van de rechtbank bij uitspraak van 18 juni 2014 heeft ingewilligd. De rechtbank heeft bij uitspraak van 22 mei 2015 de beroepen gegrond verklaard en de staatssecretaris opgedragen nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van de uitspraak. Bij besluiten van 11 augustus 2015 heeft de staatssecretaris de asielaanvragen niet in behandeling genomen. De rechtbank heeft deze besluiten bij uitspraak van 8 september 2015 vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. De voorzieningenrechter van de Afdeling heeft bij uitspraak van 16 oktober 2015 in zaak nr. 201507245/2/V3 bepaald dat de staatssecretaris geen nieuw besluit op de aanvraag hoeft te nemen voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.

2. In zijn eerste grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat sprake is van een onevenredig lange procedure, zodat de besluiten van 11 augustus 2015 niet met de vereiste zorgvuldigheid zijn voorbereid en genomen. In dat verband voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank heeft miskend dat de Dublinverordening juist voorziet in de mogelijkheid een overdrachtstermijn te verlengen en dat op het moment van de besluiten en de behandeling ter zitting bij de rechtbank het claimakkoord nog immer geldig was en de uiterlijke overdrachtstermijn nog niet was verlopen.

2.1. Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening kan de verzoeker of andere persoon als bedoeld in artikel 18, lid 1, onder c of d, overeenkomstig het nationale recht van de verzoekende lidstaat, na overleg tussen de betrokken lidstaten, overgedragen worden van de verzoekende lidstaat aan de verantwoordelijke lidstaat zodra dat praktisch mogelijk is, en uiterlijk binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het verzoek van een andere lidstaat om de betrokkene over of terug te nemen of vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar wanneer dit overeenkomstig artikel 27, derde lid, opschortende werking heeft.

2.2. De termijn van zes maanden genoemd in artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening was ten tijde van de besluiten van 11 augustus 2015 niet verstreken, aangezien de overdrachtstermijn die op 6 maart 2014 is aangevangen door de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank van 18 juni 2014 is opgeschort tot na de uitspraak op het beroep. De rechtbank heeft op 22 mei 2015 op het beroep beslist en pas daarna is de overdrachtstermijn opnieuw gaan lopen. De overdrachtstermijn is door de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 16 oktober 2015 opnieuw opgeschort. Nu de Dublinverordening voor het overige geen termijn stelt waarbinnen de overdracht van de vreemdelingen dient plaats te vinden en overdracht nog steeds mogelijk is, kan niet worden gesproken van een onevenredig lange procedure, waardoor de staatssecretaris verplicht zou zijn de behandeling van de aanvragen van de vreemdelingen aan zich te trekken.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen in grief 2 is aangevoerd behoeft geen verdere bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de besluiten van 11 augustus 2015 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

4. De vreemdelingen hebben in beroep betoogd dat Nederland de behandeling van hun asielaanvragen aan zich moet trekken, omdat de brief van 21 januari 2015 van de Italiaanse autoriteiten onvoldoende specifieke garanties bevat als bedoeld in het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712, in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland. Daarnaast zijn de vreemdelingen van mening dat de nieuwe afspraken over de opvang van kwetsbare groepen zoals vastgelegd in de brief van 8 juni 2015 onvoldoende waarborgen bieden dat de vreemdelingen en hun minderjarige kind, dat aanspraak kan maken op bijzondere bescherming vanwege haar leeftijd, in passende omstandigheden zullen worden opgevangen. Hierbij wijzen de vreemdelingen erop dat het aantal beschikbare plekken binnen de SPRAR-locaties die geschikt zijn voor de opvang van kwetsbare groepen afgezet tegen het grote aantal asielaanvragen in Italië ontoereikend is. Dit wordt volgens de vreemdelingen bevestigd door het fact finding-onderzoek naar de zogenoemde SPRAR-locaties, nu uit het daarvan opgemaakte rapport van 13 juli 2015 niet kan worden afgeleid dat sprake is van een afname van de schaarste aan opvangplaatsen voor kwetsbare groepen. Verder voeren de vreemdelingen aan dat ten aanzien van Italië niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, zodat bij overdracht aan Italië sprake zal zijn van schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). In dat verband hebben de vreemdelingen een groot aantal documenten overgelegd waaruit volgens de vreemdelingen blijkt dat Italië niet aan zijn verdragsverplichtingen voldoet. Tevens vragen de vreemdelingen zich af of zij na hun overdracht passende medische zorg zullen krijgen, nu twee leden van het gezin aan tuberculose leiden.

4.1. Zoals volgt uit de uitspraak van 7 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3209, heeft de Afdeling geoordeeld dat de Italiaanse autoriteiten bij brief van 8 juni 2015 nader hebben toegelicht onder welke omstandigheden en op welke locaties zij gezinnen met minderjarige kinderen zullen opvangen en heeft de staatssecretaris zich met het rapport van een fact finding missie door liason-officers van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, het Duitse Bundesambt für Migration und Flüchtlinge en het Zwitserse Eidgenössische Justiz- und Polizeidepartement van 13 juli 2015 ervan vergewist dat de opvang voldoet aan de eisen die op grond van het arrest Tarakhel daaraan mogen worden gesteld. Er mag derhalve vanuit worden gegaan dat de vreemdelingen na overdracht passende opvang in Italië zullen krijgen. Ten aanzien van de medische zorg worden in beginsel de medische voorzieningen tussen de lidstaten vergelijkbaar verondersteld. De vreemdelingen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de medische voorzieningen in Italië niet voldoen, dan wel dat zij niet in staat zullen zijn medische behandeling te krijgen. Onder deze omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat de overdracht van de vreemdelingen en hun minderjarige kind aan Italië strijd zal opleveren met artikel 3 van het EVRM.

5. De beroepen zijn ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 8 september 2015 in zaken nrs. 15/15144 en 15/15150;

III. verklaart de door de vreemdelingen bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Snijders, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Snijders

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2016

205