Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2117

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-07-2016
Datum publicatie
27-07-2016
Zaaknummer
201604914/1/A1 en 201604914/2/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2016:3104, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 februari 2014 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast binnen zes weken de met de letters A, F en I aangeduide gebouwen en de opslag op zijn perceel aan de [locatie 1] te Eemnes te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201604914/1/A1 en 201604914/2/A1.

Datum uitspraak: 19 juli 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Eemnes,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 8 juni 2016 in zaak nr. 15/4838 in het geding tussen:

[partij]

en

het college van burgemeester en wethouders van Eemnes.

Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2014 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast binnen zes weken de met de letters A, F en I aangeduide gebouwen en de opslag op zijn perceel aan de [locatie 1] te Eemnes (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 23 juli 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard wat betreft het verwijderen van de gebouwen A, F en I en in zoverre het besluit van 19 februari 2014 herroepen, en ongegrond verklaard wat betreft het verwijderen van de opslag.

Bij uitspraak van 8 juni 2016 heeft de rechtbank het door [partij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 23 juli 2015 vernietigd voor zover daarbij de last tot het verwijderen van de gebouwen F en I is herroepen, bepaald dat de last onder dwangsom in het besluit van 19 februari 2014 ten aanzien van het slopen van de gebouwen F en I in stand blijft en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 23 juli 2015. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Voorts heeft hij verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 juli 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. K. de Wit, en het college, vertegenwoordigd door mr. F.R.M. van Lent, werkzaam bij de BEL (Blaricum, Eemnes, Laren) combinatie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij], bijgestaan door mr. S.D. van Reenen, gehoord.

Overwegingen

Kortsluiting

1. In deze zaak kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. De voorzieningenrechter heeft de mogelijkheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak ter zitting aan de orde gesteld en partijen hebben daartegen geen bezwaren hebben geuit.

Inleiding

2. Op 19 april 2005 is aan [appellant] een vergunning verleend voor het bouwen van een nieuwe bedrijfswoning op het perceel. Aan die vergunning is het voorschrift verbonden dat onder meer de gebouwen F en I gesloopt worden. [appellant] heeft de gebouwen F en I, naar ook niet in geschil is, in strijd met het aan de vergunning van 19 april 2005 verbonden voorschrift niet gesloopt. [partij] woont op het naastgelegen perceel aan de [locatie 2] en heeft bezwaren tegen de aanwezigheid van de gebouwen F en I. Om die reden heeft hij het college verzocht daartegen handhavend op te treden. In hoger beroep is in geschil of er bijzondere omstandigheden zijn die afzien van handhavend optreden ten aanzien van de gebouwen F en I rechtvaardigen.

Hoger beroep

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan ten aanzien van de gebouwen F en I van handhavend optreden moet worden afgezien. Hiertoe voert hij aan dat concreet zicht op legalisatie bestaat, omdat de planregels van het bestemmingsplan "Buitenrand 2012" op het perceel bedrijfsgebouwen voor een kwekerij toestaan. Volgens [appellant] zijn de gebouwen F en I dergelijke bedrijfsgebouwen, aangezien ze worden gebruikt voor de opslag van goederen van zijn kwekerij. [appellant] voert verder aan dat handhaving onevenredig is, nu het slechts leidt tot kapitaalvernietiging. Bovendien maakt de sloop van de gebouwen de situatie voor [partij] niet beter, omdat het nu geldende bestemmingsplan nieuwe bebouwing toelaat op het perceel, aldus [appellant].

Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank buiten haar bevoegdheid is getreden door zelf een last op te leggen.

3.1. Ingevolge artikel 2.3, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is het verboden te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning dat betrekking heeft op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a.

3.2. Het laten staan van de gebouwen F en I op het perceel is in strijd met het aan de vergunning van 19 april 2005 verbonden voorschrift, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

3.3. Ingevolge de artikelen 4.1 en 4.2 van de planregels zijn bedrijfsgebouwen op het perceel toegestaan, mits deze ten dienste staan van de op het perceel rustende bestemming "Agrarisch - 2" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - kwekerij".

Op het perceel hebben op 25 april 2013 en 18 oktober 2013 controles plaatsgevonden door een toezichthouder in opdracht van het college. Uit de verslagen van die controles en uit de foto’s die tijdens deze controles zijn gemaakt, kan worden afgeleid dat gebouw F een uit een bouwkeet of delen daarvan samengesteld (half vervallen) bouwwerk is en dat gebouw I gedeeltelijk is ingericht als woning en gedeeltelijk in gebruik is voor de opslag van onder meer tuinmeubels en geweien van herten. De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat, gezien die verslagen en foto's, de gebouwen F en I niet ten dienste staan van de kwekerij. [appellant] heeft geen stukken overgelegd waaruit het tegendeel blijkt. De enkele stelling ter zitting dat aannemers die voor hem werkzaamheden verrichten gebouw I af en toe gebruiken om te schaften, biedt, wat hier ook van zij, geen grond voor het oordeel dat dit gebouw ten dienste staat van de kwekerij. De gebouwen F en I kunnen dan ook niet worden aangemerkt als bedrijfsgebouwen die op grond van het bestemmingsplan ter plaatse zijn toegestaan. Reeds hierom heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat.

Het betoog van [appellant] dat handhaving onevenredig is, omdat sprake is van kapitaalvernietiging, gaat eraan voorbij dat de sloop van de gebouwen F en I een voorschrift was van de vergunning voor het oprichten van de nieuwe bedrijfswoning. Zonder die sloop zou hij de vergunning van 19 april 2005 niet hebben gekregen. Gelet hierop en op het algemeen belang dat erbij gediend is dat overeenkomstig een onherroepelijke vergunning wordt gehandeld en het vertrouwen dat derden, waaronder [partij], daaraan mogen ontlenen, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat handhaving onevenredig is. Het betoog dat het bestemmingsplan nieuwe bebouwing op het perceel toelaat, leidt niet tot een ander oordeel, aangezien dit er niet aan afdoet dat de gebouwen F en I niet zijn toegestaan.

Gelet op het voorgaande, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat er geen bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan het college had mogen afzien van handhaving. Het betoog faalt in zoverre.

3.4. Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank buiten haar bevoegdheid is getreden door zelf een last onder dwangsom op te leggen inhoudende dat de gebouwen F en I gesloopt moeten worden, faalt het betoog ook in zoverre. Artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb geeft de rechtbank de bevoegdheid om zelf in een zaak te voorzien door haar uitspraak in de plaats te laten treden van een vernietigd besluit of het vernietigde gedeelte daarvan. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank in dit geval van die bevoegdheid geen gebruik had mogen maken, te minder nu zij slechts de eerder door het college bij het besluit van 19 februari 2014 opgelegde last heeft gehandhaafd.

De voorzieningenrechter merkt nog op dat, anders dan waarvan [appellant] uitgaat, de omstandigheid dat in de last is vermeld dat de gebouwen F en I verwijderd moeten worden, er niet aan in de weg staat dat na verwijdering van die gebouwen op dezelfde plek nieuwe bouwwerken worden gebouwd, mits deze zonder vergunning mogen worden gebouwd of daarvoor een nieuwe vergunning is verleend. Voor zover ooit voor het bouwen van de gebouwen F en I vergunning is verleend, kan hij die vergunningen echter niet gebruiken om deze gebouwen na verwijdering opnieuw te bouwen.

Conclusie

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening af te wijzen. Wel ziet de voorzieningenrechter aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb ambtshalve een voorziening te treffen inhoudende dat de begunstigingstermijn van de opgelegde last onder dwangsom wordt verlengd tot en met 18 augustus 2016.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af;

III. bepaalt dat de begunstigingstermijn van de aan [appellant] opgelegde last onder dwangsom om de gebouwen F en I te verwijderen en verwijderd te houden wordt verlengd tot en met 18 augustus 2016.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Van Roessel

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2016

457-769.