Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2103

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-07-2016
Datum publicatie
27-07-2016
Zaaknummer
201505152/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:3565, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 1 juli 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellante] toegekende voorschotten kinderopvangtoeslag over de berekeningsjaren 2009 en 2010 gewijzigd en op nihil gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505152/1/A2.

Datum uitspraak: 27 juli 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 mei 2015 in zaak nr. 14/8276 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 1 juli 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellante] toegekende voorschotten kinderopvangtoeslag over de berekeningsjaren 2009 en 2010 gewijzigd en op nihil gesteld.

Bij besluit van 20 maart 2015 heeft de Belastingdienst-Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 mei 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juli 2016, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. J.H.E. van der Meer, werkzaam bij de dienst, is verschenen.

Overwegingen

1. [appellante] heeft in de berekeningsjaren 2009 en 2010 gebruik gemaakt van gastouderopvang door tussenkomst van [gastouderbureau]. Aan de besluiten van 1 juli 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen onder meer ten grondslag gelegd dat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij in die jaren daadwerkelijk kosten voor kinderopvang heeft gemaakt. In hoger beroep is in geschil of de rechtbank het standpunt van de Belastingdienst/Toeslagen terecht heeft gevolgd.

aangevallen uitspraak

2. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de door [appellante] overgelegde bescheiden niet dat zij daadwerkelijk het volledige bedrag aan opvangkosten, inclusief de eigen bijdrage, over de berekeningsjaren 2009 en 2010 heeft betaald. Uit de jaaropgaven blijkt dat de opvangkosten in deze jaren onderscheidenlijk € 14.640 en € 12.720 hebben bedragen.

[appellante] heeft geen bankafschriften overgelegd waaruit valt af te leiden dat zij (een deel van) de opvangkosten heeft betaald. Dat, zoals [appellante] heeft gesteld, de door haar verschuldigde eigen bijdrage door middel van verrekening met haar salaris is voldaan, is niet aangetoond. Het door haar overgelegde overzicht van [gastouderbureau], waaruit zou volgen dat zij als gastouder recht had op een inkomen van € 6.760 in 2009 en € 6.790 in 2010, wordt niet nader onderbouwd. [appellante] heeft geen bescheiden overgelegd waaruit blijkt dat zij in loondienst van [gastouderbureau] was en dat afspraken zijn gemaakt over verrekening van haar salaris met de opvangkosten. De verrekende bedragen corresponderen ook niet met de bedragen op de overgelegde bankafschriften. Voorts zou [appellante] volgens de bescheiden van [gastouderbureau] aan het gastouderbureau bemiddelingskosten hebben betaald, terwijl in artikel 6 van de overgelegde bemiddelingsovereenkomst tussen [appellante] en [gastouderbureau] is vermeld dat geen bureaukosten zijn verschuldigd. [appellante] heeft voor deze discrepantie geen verklaring gegeven, aldus de rechtbank.

hogerberoepsgronden

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zij niet heeft aangetoond dat zij in de jaren 2009 en 2010 daadwerkelijk kosten voor kinderopvang heeft gemaakt. Daartoe voert zij aan dat de door haar verschuldigde eigen bedrage door middel van verrekening met haar salaris als gastouder is voldaan, dat zij niet verantwoordelijk is voor de administratie van [gastouderbureau] en dat zij nadere stukken ter onderbouwing van haar stellingen zal indienen.

beoordeling hogerberoepsgronden

3.1. Volgens de jaaropgaven waren de opvangkosten in de jaren 2009 en 2010 onderscheidenlijk € 14.640 en € 12.720. [appellante] heeft niet aangetoond dat, naar zij stelt, zij een deel van die kosten heeft voldaan door middel van verrekening met haar salaris als gastouder. Zij heeft, ter onderbouwing van haar standpunt, geen salarisstroken overgelegd, dan wel een arbeidsovereenkomst of gespecificeerde opdrachtbevestiging voor freelance werkzaamheden bij [gastouderbureau], met daarin een regeling met betrekking tot verrekening van haar salaris met het deel van de kosten van kinderopvang dat zij nog diende te betalen.

Omdat de door [appellante] gestelde verrekening niet is aangetoond en uit de door haar overgelegde bescheiden evenmin volgt dat zij rechtstreekse betalingen heeft verricht voor de kosten van kinderopvang, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt stelt dat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij kosten heeft gemaakt voor kinderopvang in 2009 en 2010 en daarom geen aanspraak heeft op voorschotten kinderopvangtoeslag over die berekeningsjaren.

Het betoog faalt.

conclusie

4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.

w.g. Steendijk w.g. Hazen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2016

452.