Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2101

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-07-2016
Datum publicatie
27-07-2016
Zaaknummer
201507137/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:4704, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 september 2014 heeft het college een verzoek van [appellante] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Besluit proceskosten bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2016/7626 met annotatie van M.G.O. De lange
JOM 2016/749
OGR-Updates.nl 2016-0160
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201507137/1/A2.

Datum uitspraak: 27 juli 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Vught,

2. [appellante], gevestigd te Vught,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 4 augustus 2015 in zaak nr. 14/3913 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 23 september 2014 heeft het college een verzoek van [appellante] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Het college heeft ingestemd met rechtstreeks beroep als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en het bezwaarschrift van [appellante] tegen voormeld besluit doorgezonden naar de rechtbank.

Bij uitspraak van 4 augustus 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] tegen het besluit van 23 september 2014 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college aan [appellante] een tegemoetkoming in planschade betaalt van € 69.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 november 2013. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college en [appellante] hoger beroep ingesteld.

Beide hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 april 2016, waar het college, vertegenwoordigd door mr. R.P. Randewijk en ir. P.M. van der Elst, beiden werkzaam bij de gemeente, en [appellante], vertegenwoordigd door haar [directeur], bijgestaan door mr. W.J.W. van Eijk, advocaat te ’s-Hertogenbosch, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellante] is sinds 13 februari 2009 eigenaar van het ongenummerde perceel van 213 m2 gelegen tussen de percelen [locatie 1] en [locatie 2] in Vught (hierna: het perceel). Op het perceel staat een garage van 22 m2.

[appellante] heeft onder de werking van het "Uitbreidingsplan I in onderdelen 1953" (hierna: het oude bestemmingsplan) een aanvraag om een vergunning ingediend voor de bouw van een woning op het perceel tegen de zijgevel van het vrijstaande pand aan de [locatie 2]. Bij uitspraak van 30 december 2010 (10/2508) heeft de rechtbank geoordeeld dat het college de vergunning ten onrechte wegens strijd met artikel 15 van de planvoorschriften heeft geweigerd, omdat die bepaling niet van toepassing is. Vervolgens heeft [appellante] een nieuwe aanvraag om een vergunning ingediend voor de bouw van een woning op het perceel. De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 21 december 2012 (12/1981T) en uitspraak van 11 april 2013 (12/1981) geoordeeld dat het college die aanvraag ten onrechte heeft afgewezen wegens strijd met de artikelen 11 en 15 van de planvoorschriften, omdat die bepalingen niet aan de bouw van een woning op het perceel in de weg staan. De rechtbank heeft aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het vernietigde afwijzingsbesluit in stand te laten, omdat het college de aanvraag heeft mogen afwijzen op de grond dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand. Tegen deze uitspraken is geen hoger beroep ingesteld.

2. Op 19 november 2013 heeft [appellante] verzocht om een tegemoetkoming in planschade die zij stelt te lijden ten gevolge van het op 7 februari 2013 in werking getreden en op 19 juni 2013 onherroepelijk geworden bestemmingsplan "Centrum Vught e.o." (hierna: het nieuwe bestemmingsplan). Volgens [appellante] is de bouwmogelijkheid van een woning op het perceel in het nieuwe bestemmingsplan komen te vervallen. [appellante] heeft een rapport van De Lorijn raadgevers o.g. van 7 november 2013 overgelegd waarin de planschade is begroot op € 110.000,00, waarvan € 77.000,00 vermogensschade en € 33.000,00 inkomensschade.

3. Het college heeft dit verzoek ter advisering voorgelegd aan Tog Nederland Zuid b.v. Dit bureau heeft in een advies van 21 juli 2014 op basis van een vergelijking van het oude en nieuwe bestemmingsplan geconcludeerd dat het nieuwe plan heeft geleid tot een planologische verslechtering. Voorheen was het mogelijk om op het perceel een woning te bouwen, terwijl in de nieuwe situatie alleen nog een garage, autobox of carport is toegestaan binnen een aanzienlijk verkleind bouwvlak. Tog heeft geconcludeerd dat de waarde van het perceel hierdoor is verminderd met

€ 69.000,00. Volgens Tog is er geen grond voor de conclusie dat [appellante] inkomensschade heeft geleden. Er kan geen inkomensschade worden geclaimd als gevolg van niet aangevangen bedrijfsactiviteiten en er zijn geen onomkeerbare investeringen gedaan. Tog heeft het college geadviseerd om [appellante] een tegemoetkoming in planschade van € 69.000,00 toe te kennen, vermeerderd met de wettelijke rente.

Bij besluit van 23 september 2014 heeft het college, in afwijking van het advies van Tog, het verzoek afgewezen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de planologische wijziging niet heeft geleid tot een planologisch nadeel aangezien het ook onder het oude bestemmingsplan niet mogelijk was om een woning op het perceel te bouwen. Volgens het college is de door de rechtbank in de onder 1. vermelde uitspraken gegeven uitleg van de artikelen 11 en 15 van de planvoorschriften van het oude plan onjuist. Tot slot stelt het college zich op het subsidiaire standpunt dat, indien onder het oude plan de bouw van een woning op het perceel wel was toegestaan, het advies van Tog over de hoogte van de schade dient te worden gevolgd.

4. De rechtbank heeft overwogen dat, nu in de eerdere uitspraken van de rechtbank is geoordeeld dat op grond van het oude bestemmingsplan de bouw van een woning op het perceel mogelijk was en tegen deze uitspraken geen hoger beroep is ingesteld, het college dient uit te gaan van het oordeel in deze uitspraken. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het college het verzoek om een tegemoetkoming in planschade niet heeft kunnen afwijzen wegens het ontbreken van een bouwmogelijkheid van een woning op het perceel onder het oude bestemmingsplan en moet worden geoordeeld dat sprake is van een planologische verslechtering.

De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat het college zich in navolging van het advies van Tog van 21 juli 2014 op het subsidiaire standpunt heeft kunnen stellen dat de vermogensschade € 69.000,00 bedraagt en de gestelde inkomensschade niet voor vergoeding in aanmerking komt.

Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen grond is om het college te veroordelen tot vergoeding van de kosten van deskundige bijstand als bedoeld in artikel 6.5 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro).

De rechtbank heeft het besluit van 23 september 2014 vernietigd. Zij heeft aanleiding gezien om zelf in de zaak te voorzien en bepaald dat het college [appellante] een tegemoetkoming in planschade betaalt van € 69.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 november 2013.

Het hoger beroep van het college

5. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college bij de beoordeling van het verzoek van [appellante] om een tegemoetkoming in planschade moet uitgaan van het oordeel van de rechtbank in de onder 1. vermelde uitspraken dat op grond van het oude bestemmingsplan de bouw van een woning op het perceel mogelijk was. Het college verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 24 november 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BO4852), waaruit volgt dat het gezag van gewijsde van een uitspraak slechts geldt voor het geschil waarop die uitspraak betrekking heeft. Voorts ontbrak het belang om tegen de uitspraken van de rechtbank hoger beroep in te stellen, aldus het college.

5.1. De onder 1. vermelde uitspraken van de rechtbank hebben gezag van gewijsde voor de in die zaken aan de orde zijnde afwijzingen van de aanvragen van [appellante] om een vergunning voor de bouw van een woning op het perceel. Aangezien het nu voorliggende geschil betrekking heeft op de afwijzing van het verzoek van [appellante] om een tegemoetkoming in planschade, geldt het oordeel van de rechtbank in die uitspraken dat onder het oude bestemmingsplan een woning op het perceel mogelijk was in de onderhavige procedure niet als tussen partijen vaststaand. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog is terecht voorgedragen, maar leidt gelet op het volgende niet tot het daarmee beoogde resultaat.

6. Het college betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat zowel artikel 11 als artikel 15 van de planvoorschriften van het oude bestemmingsplan aan de bouw van een woning op het perceel in de weg stond. Volgens het college was artikel 11 bedoeld om te voorkomen dat in een situatie als hier op het perceel een woning zou worden gebouwd. De zijgevel van de nieuwe woning zou op slechts een afstand van 4,5 m komen te liggen van de achtergevel met ramen van het bouwblok op de hoek [locatie 1] en Kapellaan 1. Voorts dient artikel 15 volgens het college zo te worden uitgelegd, dat een woningblok slechts als een geheel en krachtens één vergunning mocht worden gebouwd. De bedoeling van de planwetgever was dat in korte tijd zoveel mogelijk woonruimte zou worden opgericht om tegemoet te komen aan het woningtekort. Hiermee is niet verenigbaar de mogelijkheid om aan bestaande woningen of woningblokken te bouwen, aldus het college.

6.1. In het oude bestemmingsplan had het perceel de bestemming "Woningen in klasse M". Op de plankaart is aan de zijde van de St. Elisabethstraat waar het perceel is gelegen een bouwblok ingetekend. Het bouwblok is gelegen op het perceel [locatie 1]/ Kapellaan 1, het perceel van [appellante], het perceel [locatie 2] en de daarnaast gelegen percelen.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 5, van de planvoorschriften werd onder een woningblok verstaan: een blok van twee of meer aaneengebouwde woningen met in het zicht blijvende eindgevels.

Ingevolge artikel 2 waren gronden met voormelde bestemming bestemd voor de bouw van aaneengesloten woningen. De minimale breedte van het bouwperceel en van één woning bedroeg 6,5 m.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, moest, tenzij op de kaart anders was aangegeven, op de hoeken van bouwblokken een open ruimte worden gelaten tussen de woningen van niet minder dan 12 m gemeten tussen achtergevel en zijgevel van de betrokken woningen of bouwblokken. In de genoemde ruimte van 12 m konden uitbouwen worden toegestaan met een hoogte van maximaal 3 m en een lengte van maximaal 4 m.

Ingevolge het tweede lid kon het college ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid ten behoeve van op een hoek gelegen winkelpanden onder het stellen van nadere eisen betreffende licht- en luchttoetreding.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, mocht een woningblok slechts als een geheel krachtens één vergunning worden gebouwd.

Ingevolge het tweede lid kon het college van het bepaalde in het eerste lid ontheffing verlenen, mits de latere totstandkoming van het gehele blok naar het oordeel van het college is verzekerd, zulks onder het stellen van nadere eisen ten aanzien van de tijdelijke zijgevels.

6.2. Uit artikel 11, eerste lid, van de planvoorschriften volgt dat op de hoeken van bouwblokken een open ruimte moest worden gelaten tussen woningen van minimaal 12 m gemeten tussen de achtergevel en zijgevel van de betrokken woningen of bouwblokken. Daargelaten de vraag of een te bouwen woning op het perceel en het bestaande woongebouw op het naastgelegen perceel [locatie 1]/Kapellaan 1 elk op de hoek van een bouwblok zijn gelegen, is artikel 11, eerste lid, hier niet van toepassing reeds omdat de zijgevel van een woning op het perceel niet zal zijn gekeerd naar de achtergevel van het pand op het perceel [locatie 1]/Kapellaan 1, maar naar de zijgevel ervan. Anders dan het college betoogt, stond artikel 11, eerste lid, derhalve niet in de weg aan de bouw van een woning op het perceel.

Voor de uitleg van artikel 15 van de planvoorschriften is het volgende van belang. In het oude bestemmingsplan waren het perceel en de aangrenzende percelen bestemd voor de bouw van aaneengesloten woningen. Ten tijde van de vaststelling van het oude plan waren al vrijstaande woongebouwen aanwezig op de percelen [locatie 1]/ Kapellaan 1 en [locatie 2]. Indien daartussen op het perceel een woning zou worden gebouwd die aansloot op de zijgevel van het vrijstaande pand aan de [locatie 2], zou ingevolge artikel 1, aanhef en onder 5, sprake zijn van een woningblok, maar dat blok zou dan in strijd met artikel 15 niet als een geheel en met één vergunning zijn gebouwd. De planwetgever heeft bij de totstandkoming van het oude bestemmingsplan, zijnde een wederopbouwplan uit 1953, de thans aan de orde zijnde situatie niet voor ogen gehad. Gelet hierop brengt een redelijke uitleg van artikel 15 met zich dat een vergunning voor de bouw van een woning op het perceel niet had kunnen worden geweigerd omdat het bouwplan niet voorziet in de bouw van een woningblok als een geheel krachtens één vergunning. Gelet hierop stond artikel 15 er niet aan in de weg dat op het perceel een woning kon worden gebouwd aan het naastgelegen pand [locatie 2].

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de artikelen 11 en 15 van de planvoorschriften van het oude bestemmingsplan aan de bouw van een woning op het perceel in de weg stonden.

Het betoog faalt.

Het hoger beroep van [appellante]

7. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de taxatie van de vermogensschade in het advies van Tog van 21 juli 2014 niet aan zijn subsidiaire standpunt in het besluit van 23 september 2014 ten grondslag heeft mogen leggen. [appellante] voert aan dat de waardebepaling door Tog onvoldoende controleerbaar en begrijpelijk is. Tog heeft ten onrechte een zelfstandige waarde toegekend aan de in slechte staat verkerende garage op het perceel. Ook is de waarde van de gronden na de planologische wijziging te hoog geschat. Volgens [appellante] had het college het rapport van

De Lorijn van 7 november 2013 moeten volgen.

7.1. Indien uit een advies van een door een bestuursorgaan benoemde deskundige op objectieve en onpartijdige wijze blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, mag dat bestuursorgaan volgens vaste jurisprudentie bij het nemen van een besluit op een verzoek om een tegemoetkoming in planschade van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 12 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2553).

7.2. In het advies van Tog van 21 juli 2014 is de waarde van het perceel op peildatum 7 februari 2013 voor de planologische wijziging getaxeerd op € 106.000,00 en na die wijziging op € 37.000,00 en hieruit is een planschade van € 69.000,00 afgeleid. Tog is bij de taxatie uitgegaan van de op de peildatum aanwezige garage.

7.3. De Lorijn heeft de waarde van het perceel voor de planologische wijziging getaxeerd op € 97.000,00. Het verschil in waarde met Tog bedraagt € 9.000,00. Dit kan worden verklaard door het feit dat De Lorijn, in tegenstelling tot Tog, geen zelfstandige waarde aan de garage heeft toegekend wegens de matige kwaliteit ervan. De Lorijn heeft de waarde van het perceel na de planologische wijziging getaxeerd op € 20.000,00. Het verschil in waarde met Tog bedraagt € 17.000,00. Dit wordt veroorzaakt door de gehanteerde lagere grondprijs en het buiten beschouwing laten van de garage door De Lorijn.

7.4. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de gedachtegang van Tog, zoals uiteengezet in haar advies van 21 juli 2014, duidelijk en controleerbaar is. Toegelicht is welke feiten en omstandigheden aan de taxatie ten grondslag zijn gelegd en de daarop gebaseerde conclusies zijn niet onbegrijpelijk. [appellante] heeft geen gronden aangevoerd die leiden tot het oordeel dat Tog is uitgegaan van een onjuiste grondprijs na de planologische wijziging. Dat De Lorijn is uitgegaan van een grondprijs van € 100,00 per m2 omdat alleen de eigenaar van nummer 8 bereid zal zijn tot aankoop van het perceel, terwijl Tog is uitgegaan van € 150,00 per m2, betekent op zich niet dat het advies Tog op dit punt onjuist is. De rechtbank heeft terecht overwogen dat Tog bij de vaststelling van de grondprijs in redelijkheid aansluiting heeft mogen zoeken bij de prijzen voor een strook extra grond bij een woning of een reststrook, nu ook voor deze gronden in de regel slechts een zeer beperkt aantal gegadigden zal zijn. Tog heeft vermeld dat de prijzen daarvan in Vught tussen de € 150,00 en € 200,00 per m2 liggen. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat het haar niet onjuist voorkomt dat de garage een waarde vertegenwoordigt, ook al is de kwaliteit ervan matig. Daarbij is van belang dat Tog heeft meegewogen dat de garage bruikbaar is en het bouwrecht van een garage ook een waarde vertegenwoordigt. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het advies van Tog met betrekking tot de taxatie van de vermogensschade naar inhoud of wijze van totstandkoming onzorgvuldig is geweest en dat het college dit advies niet aan zijn subsidiaire standpunt in het besluit van 23 september 2014 ten grondslag heeft mogen leggen.

Het betoog faalt.

8. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in navolging van Tog zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gestelde inkomensschade niet voor vergoeding in aanmerking komt. [appellante] voert aan dat het niet aanvangen van de bedrijfsactiviteiten is veroorzaakt door het nieuwe bestemmingsplan. Uit de overgelegde stukken volgt dat al € 21.479,86 aan onomkeerbare investeringen ten behoeve van het bouwplan zijn gedaan. Voorts heeft

De Lorijn de inkomensderving begroot op € 33.000,00, aldus [appellante].

8.1. Tog heeft in het advies van 21 juli 2014 geconcludeerd dat er geen grond is voor de conclusie dat [appellante] inkomensschade heeft geleden. Volgens Tog komt de door [appellante] gestelde gemiste winst uit niet aangevangen bedrijfsactiviteiten niet voor een tegemoetkoming in aanmerking en was er geen aanleiding om daarop een uitzondering te maken omdat er geen onomkeerbare investeringen zijn gedaan.

8.2. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AV1760) komt gemist voordeel uit niet aangevangen bedrijfsvoering niet voor vergoeding in aanmerking. [appellante] heeft ter zitting toegelicht dat zij de te bouwen woning wilde gaan verhuren. Vaststaat dat [appellante] op de peildatum op het perceel geen aanvang heeft gemaakt met deze bedrijfsactiviteiten. Het gestelde gemiste voordeel daaruit komt derhalve niet voor vergoeding in aanmerking. [appellante] heeft geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven hierop een uitzondering te maken. De door haar gestelde tevergeefs gemaakte kosten ten behoeve van de voorbereiding van de bouwplannen onder de werking van het oude bestemmingsplan zijn niet het gevolg van het nieuwe bestemmingsplan en komen om die reden niet op grond van artikel 6.1 van de Wro voor een tegemoetkoming in planschade in aanmerking. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college in navolging van Tog zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gestelde inkomensschade niet op grond van artikel 6.1 van de Wro voor een tegemoetkoming in aanmerking komt.

Het betoog faalt.

9. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend voor de gemaakte kosten voor deskundige bijstand door De Lorijn. Deze kosten hebben betrekking op de indiening van het verzoek om een tegemoetkoming in planschade en het indienen van een zienswijze op het conceptadvies van Tog. Volgens [appellante] volgt uit jurisprudentie van de Afdeling dat deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen. De inschakeling van De Lorijn en de gemaakte kosten zijn redelijk gezien het langlopende geschil en de opstelling van het college, aldus [appellante].

9.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:135), vergoedt het college ingevolge artikel 6.5, aanhef en onder a, van de Wro, indien het een tegemoetkoming, als bedoeld in artikel 6.1 toekent, daarbij tevens de rederlijkwijs gemaakte kosten van rechtsbijstand en andere deskundige bijstand. Onder redelijkerwijs gemaakte kosten dienen niet te worden verstaan de kosten die de aanvrager met betrekking tot de indiening van de aanvraag heeft gemaakt. Daarvan kunnen wel deel uitmaken de kosten die de aanvrager maakt vanaf het moment dat de door het college ingeschakelde deskundige een conceptadvies dan wel advies over de aanvraag aan het college heeft uitgebracht tot het moment dat het college op de aanvraag een besluit heeft genomen waartegen rechtsmiddelen kunnen worden ingesteld. Daarbij is niet van belang of het commentaar van de aanvrager heeft geleid tot aanpassing van het advies.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de deskundigenkosten die [appellante] heeft gemaakt ten behoeve van de indiening van de aanvraag niet voor vergoeding in aanmerking komen. Dat het geschil tussen [appellante] en het college al jaren duurt, leidt niet tot een ander oordeel.

In zoverre faalt het betoog.

9.2. De rechtbank heeft echter niet onderkend dat de door [appellante] gemaakte deskundigenkosten vanaf het moment dat Tog een conceptadvies heeft uitgebracht tot het moment dat het college op haar verzoek een besluit heeft genomen wel voor vergoeding in aanmerking komen. Het inschakelen van een deskundige in die fase is in dit geval redelijk. Uit de door [appellante] overgelegde factuur van De Lorijn van € 1.228,15 volgt dat De Lorijn in totaal 7 uur heeft besteed aan het bijwonen van hoorzitting en opname, het doornemen van het conceptadvies van Tog en het geven van een reactie daarop. Het uurtarief bedraagt € 145,00. [appellante] heeft ter zitting toegelicht dat 5 uur dient te worden toegerekend aan het uitbrengen van een zienswijze op het conceptadvies van Tog. Dit aantal uren acht de Afdeling, het vermelde uurtarief in aanmerking genomen, redelijk. Het voorgaande betekent dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen grond bestaat voor het vergoeden van die deskundigenkosten.

In zoverre slaagt het betoog.

10. [appellante] betoogt tot slot tevergeefs dat de rechtbank bij de veroordeling van het college in de proceskosten op grond van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht ten onrechte geen aanleiding heeft gezien het college te veroordelen in de werkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht kan in geval van bijzondere omstandigheden worden afgeweken van de in dit besluit forfaitair vastgestelde proceskosten. De stelling van [appellante] dat het college ondanks de eerdere onherroepelijke uitspraken van de rechtbank over de bouwplannen het standpunt is blijven innemen dat op grond van het oude bestemmingsplan geen bouwmogelijkheid bestond, is niet een bijzondere omstandigheid in voormelde zin.

Slotoverwegingen

11. Het hoger beroep van het college is ongegrond. Het hoger beroep van [appellante] is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank niet heeft bepaald dat het college de door [appellante] gemaakte kosten voor deskundige bijstand, voor zover die kosten betrekking hebben op het indienen van een zienswijze op het conceptadvies van Tog, dient te vergoeden. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het college veroordelen tot vergoeding van deze kosten aan [appellante] tot een bedrag van € 725,00. Daarbij is uitgegaan van 5 uur werk en een tarief van € 145,00 per uur. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

12. Het college dient ten aanzien van [appellante] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Vught ongegrond;

II. verklaart het hoger beroep van [appellante] gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 4 augustus 2015 in zaak nr. 14/3913, voor zover daarbij niet is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders van Vught de door [appellante] gemaakte kosten voor deskundige bijstand dient te vergoeden, voor zover die kosten betrekking hebben op het indienen van een zienswijze op het conceptadvies van Tog Nederland Zuid b.v.;

IV. bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders van Vught aan [appellante] een vergoeding van die kosten betaalt van € 725,00;

V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het door de rechtbank vernietigde besluit van 23 september 2014;

VI. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Vught tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Vught aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 497,00 (zegge: vierhonderdzevenennegentig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt;

IX. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Vught een griffierecht van € 497,00 (zegge: vierhonderdzevenennegentig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Jansen, griffier.

w.g. Van Buuren w.g. Jansen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2016

609.