Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:210

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-02-2016
Datum publicatie
03-02-2016
Zaaknummer
201503174/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 januari 2014 heeft de hoofdbewaarder het resultaat van de bijwerking van de Basisregistratie Kadaster (hierna: BRK) aan [appellant] en anderen bekendgemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503174/1/A3.

Datum uitspraak: 3 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], [gemeente], en anderen,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 6 maart 2015 in zaak nr. 14/1716 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

de hoofdbewaarder van het kadaster en de openbare registers.

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2014 heeft de hoofdbewaarder het resultaat van de bijwerking van de Basisregistratie Kadaster (hierna: BRK) aan [appellant] en anderen bekendgemaakt.

Bij besluit van 17 april 2014 heeft de hoofdbewaarder het door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard alsmede hun verzoek tot herstel van de BRK afgewezen.

Bij uitspraak van 6 maart 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 17 april 2014 gedeeltelijk vernietigd en de rechtsgevolgen van dat besluit voor het overige in stand gelaten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.

De hoofdbewaarder heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 december 2015, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door mr. M.I.J. Toonders, advocaat te Tilburg, en de hoofdbewaarder, vertegenwoordigd door mr. M.M.M. van Dalen en mr. I.J. Kloek-Tromp, werkzaam bij het Kadaster, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De broers J.H.L. [appellant] en [persoon] waren mede-eigenaren van landbouwgrond in de gemeente Peel en Maas. De gemeente wenste een gedeelte van de grond te onteigenen ten behoeve van werkzaamheden voor verkeersdoeleinden [persoon] was overleden, maar stond in de BRK nog als mede-eigenaar van de grond ingeschreven. De gemeente heeft daarom op grond van artikel 20, eerste lid, van de Onteigeningswet de rechtbank verzocht een derde te benoemen tegen wie het onteigeningsgeding kon worden gevoerd. De rechtbank heeft mr. Fraats benoemd als derde in vorenbedoelde zin. De gemeente heeft mr. Fraats in die hoedanigheid gedagvaard en onder meer gevorderd dat de rechtbank de vervroegde onteigening zou uitspreken. De weduwe en zoon van [persoon] alsmede de gezamenlijke erfgenamen hebben bij de rechtbank gevorderd dat mr. Fraats als procespartij door hen zou worden vervangen. De rechtbank heeft in haar vonnis van 28 augustus 2013 in het incident de gevorderde tussenkomst van eerstgenoemden afgewezen. De rechtbank heeft in haar vonnis van 23 oktober 2013 in het incident de gevorderde tussenkomst van laatstgenoemden afgewezen en daarnaast bij eindvonnis de vervroegde onteigening uitgesproken. [appellant] en anderen hebben cassatie ingesteld tegen deze vonnissen.

Op 31 december 2013 is in het openbare register een akte ingeschreven inhoudende de instelling van cassatie tegen het onteigeningsvonnis van 23 oktober 2013. Vervolgens is op 2 januari 2014 in het openbare register het onteigeningsvonnis, dat werd afgesloten met een verklaring van non-cassatie van de griffier van de rechtbank Limburg, ingeschreven. In het tussenarrest van 30 januari 2015 (in zaak nr. ECLI:NL:HR:2015:183 ; www.rechtspraak.nl) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het eindvonnis ten opzichte van de partijen in de hoofdzaak nog geen kracht van gewijsde heeft gekregen. In het eindarrest van 14 augustus 2015 (in zaak nr. ECLI:NL:HR:2015:2195; www.rechtspraak.nl) heeft de Hoge Raad de twee cassatieberoepen verworpen. Als gevolg hiervan heeft het onteigeningsvonnis kracht van gewijsde gekregen.

2. De hoofdbewaarder constateerde in januari 2014 dat er twee tegenstrijdige stukken in de openbare registers waren ingeschreven. Om te kunnen overgaan tot een juiste bijwerking van de BRK, heeft de hoofdbewaarder een toelichting gevraagd aan de griffier van de rechtbank. De griffier heeft schriftelijk meegedeeld dat, nu [appellant] en anderen geen partij waren in de hoofdzaak - de vordering tot vervroegde onteigening - hun niet het recht toekomt om hiertegen een rechtsmiddel in te stellen. Hun cassatieberoep ziet derhalve uitsluitend op de afwijzing van hun vorderingen tot tussenkomst. Dit staat volgens de griffier een verklaring van non-cassatie niet in de weg. Gelet op deze verklaring was de hoofdbewaarder van mening dat hij de onteigening in de BRK kon verwerken en heeft hij de tenaamstelling van voornoemde gronden bijgewerkt in die zin dat de gemeente als eigenaar is vermeld.

3. De rechtbank heeft overwogen dat over de juistheid van de inschrijving in de openbare registers alleen bij de civiele rechter kan worden geprocedeerd. De hoofdbewaarder had derhalve het bezwaar voor zover dat was gericht tegen deze inschrijving niet-ontvankelijk moeten verklaren. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de hoofdbewaarder, gelet op de verklaring van de griffier met betrekking tot de door hem verstrekte verklaring van non-cassatie, op goede gronden tot bijwerking in de BRK is overgegaan en het verzoek van [appellant] en anderen tot herstel van deze bijwerking heeft kunnen afwijzen.

4. [appellant] en anderen richten zich tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de bijwerking van de BRK en de afwijzing van hun verzoek om herstel van de eigendomsgegevens van voornoemde gronden in de BRK. Zij voeren aan dat het onteigeningsvonnis nog niet in rechte onaantastbaar was, zodat de BRK ten onrechte is bijgewerkt. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de hoofdbewaarder mocht afgaan op de verklaring van de griffier omtrent de door hem verstrekte verklaring van non-cassatie, nu deze verklaring feitelijk en juridisch onjuist is. [appellant] en anderen hadden immers wel cassatie ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van 23 oktober 2013 en een gegrondverklaring van hun cassatieberoep zou ertoe kunnen leiden dat zij als partij zouden worden toegelaten in de onteigeningsprocedure. De Hoge Raad heeft bij tussenarrest van 30 januari 2015 bevestigd dat het onteigeningsvonnis nog niet in rechte onaantastbaar was. Het oordeel omtrent de ontvankelijkheid van [appellant] en anderen in hun cassatieberoep is voorts voorbehouden aan de Hoge Raad. De hoofdbewaarder had gelet op zijn actieve rol met betrekking tot de bijwerking van de BRK nader onderzoek moeten doen en mocht niet afgaan op voornoemde verklaring van de griffier. Hij had moeten afzien van de bijwerking van de BRK dan wel deze bijwerking moeten opschorten. Ten slotte voeren [appellant] en anderen aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de hoofdbewaarder in redelijkheid heeft kunnen afzien van het horen in de bezwaarfase.

4.1. Wat betreft het bezwaar tegen de bijwerking van de BRK wordt als volgt overwogen. Ingevolge artikel 39, tweede lid, eerste volzin, van de Kadasterregeling 1994 worden, indien de inschrijving in de openbare registers een wijziging betreft in de rechtstoestand naar burgerlijk recht dan wel een wijziging of aanvulling van de gegevens omtrent een rechthebbende en die inschrijving aanleiding geeft tot een wijziging of aanvulling van de in de kadastrale registratie vermelde gegevens, laatstbedoelde gegevens met het ingeschreven stuk in overeenstemming gebracht, tenzij de inschrijving betrekking heeft op een erfdienstbaarheid. In het bijzonder gelet op de zinsnede "en die inschrijving aanleiding geeft tot een wijziging of aanvulling", heeft de hoofdbewaarder bij de bijwerking van de BRK naar aanleiding van een inschrijving in de openbare registers - anders dan bij de inschrijving van aktes in de openbare registers - geen lijdelijke rol. De hoofdbewaarder dient te beoordelen of voornoemde inschrijving aanleiding geeft voor bijwerking van de BRK en heeft in zoverre een actieve rol in het zo nodig doen van navraag. Daarbij dient de hoofdbewaarder zich evenwel te onthouden van een beoordeling van het onteigeningsvonnis nu deze is voorbehouden aan de Hoge Raad. Dat de hoofdbewaarder een actieve rol heeft, kan ook worden afgeleid uit de artikelen 7s en 59 van de Kadasterwet en artikel 15 van het Kadasterbesluit. In de uitzonderlijke situatie dat in de openbare registers is ingeschreven een akte houdende instelling van cassatie tegen het onteigeningsvonnis en enkele dagen daarna hetzelfde vonnis is voorzien van een verklaring van non-cassatie van de zijde van de griffier, ligt het op zichzelf voor de hand dat de hoofdbewaarder daaromtrent bijvoorbeeld navraag doet bij de griffier. Vervolgens rijst de vraag of de hoofdbewaarder op het bericht met uitleg van de griffier mag afgaan en de conclusie mag trekken dat in de BRK de eigendomsgegevens met betrekking tot het perceel grond moeten worden gewijzigd. Gelet op het grote belang dat is gemoeid met de juistheid van de gegevens die zijn opgenomen in de BRK dient in situaties als hier aan de orde grote terughoudendheid te worden betracht met wijzigingen indien daaromtrent geen volstrekte duidelijkheid bestaat. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat de griffier ten aanzien van een verklaring van non-cassatie een lijdelijke rol vervult die meebrengt dat geen inhoudelijke beoordeling van het onteigeningsvonnis wordt gemaakt.

In dit geval had de door de hoofdbewaarder in acht te nemen terughoudendheid moeten meebrengen dat - zolang er ten aanzien van het onteigeningsvonnis niet in cassatie was beslist - geen wijziging van de eigendomsgegevens in de BRK zou plaatsvinden. De rechtbank heeft het vorenstaande niet onderkend.

Het betoog slaagt.

4.2. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank het besluit van 17 april 2014 niet heeft vernietigd wat betreft de bijwerking van de BRK. Voorts bestaat aanleiding, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het besluit van 17 april 2014, voor zover het betreft de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de bijwerking van de BRK, te vernietigen.

4.3. De Afdeling ziet evenwel aanleiding te beoordelen of de rechtsgevolgen van het besluit op het bezwaar voor zover het betreft de bijwerking van de BRK in stand kunnen worden gelaten. Vast staat dat gegevens in de BRK alleen kunnen worden bijgewerkt vanaf heden. Ook indien uit de openbare registers blijkt dat een eerdere bijwerking onjuist is geweest, dan wordt - zoals de hoofdbewaarder ter zitting heeft toegelicht - in de BRK hiervan melding gemaakt en wordt de BRK per datum dat daarvan is gebleken, bijgewerkt. Het is, zoals de hoofdbewaarder ter zitting heeft bevestigd, niet mogelijk de BRK met terugwerkende kracht bij te werken. Thans staat vast dat als gevolg van het eindarrest van de Hoge Raad van 14 augustus 2015 het onteigeningsvonnis van de rechtbank van 23 oktober 2013 kracht van gewijsde heeft gekregen en dat de eigendomsgegevens met betrekking tot voornoemde percelen die in de BRK zijn opgenomen, juist zijn en derhalve geen bijwerking behoeven. Gelet hierop, kan het oordeel onder 4.2 er niet toe leiden dat de bijwerking van de BRK ongedaan wordt gemaakt dan wel wordt hersteld voor de periode 20 januari 2014 tot 14 augustus 2015. Derhalve bestaat aanleiding de rechtsgevolgen van het besluit van 17 april 2014 voor zover daarin het bezwaar tegen de bijwerking van de BRK ongegrond is verklaard in stand te laten.

4.4. Wat betreft het verzoek om herstel van de BRK als bedoeld in artikel 7t van de Kadasterwet wordt als volgt overwogen. In het besluit van 17 april 2014 is beslist op dit verzoek om herstel. Dit besluit betreft derhalve in zoverre een primair besluit en geen besluit op bezwaar. Het beroep van [appellant] en anderen tegen dit deel van het besluit had derhalve moeten worden aangemerkt als bezwaar tegen het primaire besluit. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het betoog met betrekking tot het oordeel van de rechtbank omtrent de afwijzing van het verzoek om herstel van de BRK slaagt reeds daarom. Nu uit het vorenstaande echter volgt dat de gegevens in de BRK thans juist zijn en nu de BRK niet met terugwerkende kracht kan worden bijgewerkt dan wel hersteld, zijn de rechtsgevolgen van het primaire besluit - strekkende tot afwijzing van het verzoek om herstel - thans juist. Gelet daarop ziet de Afdeling aanleiding te bepalen dat de hoofdbewaarder geen besluit dient te nemen op het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om herstel. Deze zaak is daarmee finaal beslecht.

4.5. Gelet op de omstandigheid dat het besluit van 17 april 2014 voor vernietiging in aanmerking komt, behoeft het betoog dat de hoofdbewaarder in de bezwaarfase ten onrechte heeft afgezien van het horen, geen bespreking meer.

5. Het hoger beroep is gegrond.

Zoals reeds is overwogen onder 4.3 dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd, voor zover de rechtbank het besluit van 17 april 2014 niet heeft vernietigd wat betreft de bijwerking van de BRK. De Afdeling ziet aanleiding, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het besluit van 17 april 2014 wat betreft de bijwerking van de BRK gegrond te verklaren.

Zoals reeds is overwogen onder 4.3 vernietigt de Afdeling voorts het besluit van 17 april 2014 voor zover het betreft de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de bijwerking van de BRK. Gelet op het eindarrest van de Hoge Raad van 14 augustus 2015 staat vast dat de rechtsgevolgen van dit besluit thans juist zijn. Derhalve bestaat aanleiding de rechtsgevolgen van dit besluit voor zover het betreft de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de bijwerking van de BRK in stand te laten. Voorts zal de Afdeling gelet hierop, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, bepalen dat de hoofdbewaarder geen besluit meer dient te nemen op het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om herstel.

De Afdeling zal ten slotte bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het door de Afdeling vernietigde deel van het besluit van 17 april 2014.

6. De hoofdbewaarder dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 6 maart 2015 in zaak nr. 14/1716, voor zover de rechtbank het besluit van 17 april 2014 niet heeft vernietigd voor zover het betreft het besluit op het bezwaar tegen de bijwerking van de Basisregistratie Kadaster;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep tegen het besluit van 17 april 2014 voor zover het betreft de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de bijwerking van de Basisregistratie Kadaster gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de hoofdbewaarder van het kadaster en de openbare registers van 17 april 2014 voor zover het betreft de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de bijwerking van de Basisregistratie Kadaster;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 17 april 2014, voor zover het betreft de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de bijwerking van de Basisregistratie Kadaster, in stand blijven;

VI. bepaalt dat de hoofdbewaarder van het kadaster en de openbare registers geen besluit neemt op het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om herstel van de Basisregistratie Kadaster;

VII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het deel van het besluit van 17 april 2014 dat door de Afdeling is vernietigd;

VIII. veroordeelt de hoofdbewaarder van het kadaster en de openbare registers tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.480,00 (zegge: tweeduizend vierhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat de hoofdbewaarder van het kadaster en de openbare registers aan [appellant] en anderen het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 413,00 (zegge: vierhonderddertien euro) voor de behandeling van het beroep en hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.P. van Kooten-Vroegindeweij, griffier.

w.g. Wortmann w.g. Van Kooten-Vroegindeweij

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2016

559.