Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2087

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-07-2016
Datum publicatie
27-07-2016
Zaaknummer
201503535/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 januari 2013 heeft het college [appellante] krachtens artikel 13a van de Woningwet aangeschreven en onder oplegging van een dwangsom gelast om de in het besluit genoemde maatregelen te treffen ten aanzien van het pand aan [locatie] te Noordwijk (hierna: het pand). De opgelegde dwangsom is € 20.000,00 per week dat niet aan de last wordt voldaan met een maximum van € 100.000,00.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Woningwet
Gemeentewet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2016/270
NJB 2016/1501
JM 2016/135 met annotatie van E.J.H. Plambeck
JOM 2016/762
JG 2016/57 met annotatie van prof. mr. T. Barkhuysen en mr. drs. A. Span
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503535/1/A1.

Datum uitspraak: 27 juli 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk.

Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2013 heeft het college [appellante] krachtens artikel 13a van de Woningwet aangeschreven en onder oplegging van een dwangsom gelast om de in het besluit genoemde maatregelen te treffen ten aanzien van het pand aan [locatie] te Noordwijk (hierna: het pand).

De opgelegde dwangsom is € 20.000,00 per week dat niet aan de last wordt voldaan met een maximum van € 100.000,00.

Het college heeft bij besluit van 4 juli 2013 het door [appellante] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 18 januari 2013 ongegrond verklaard.

Bij besluiten van 7 augustus 2013, 20 augustus 2013, 5 september 2013, 13 september 2013 en 20 september 2013 heeft het college besloten tot invordering van de op grond van de bij besluit van 18 januari 2013 opgelegde last verbeurde dwangsommen.

Bij uitspraak van 15 januari 2014 heeft de rechtbank Den Haag de beroepen ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4069, heeft de Afdeling onder meer de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep van [appellante] tegen het besluit van het college van 4 juli 2013 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover daarbij [appellante] is gelast het gehele pand, zowel binnen als buiten, in overeenstemming te brengen en te houden met de eisen zoals geldend op grond van het op de Woningwet gebaseerde Bouwbesluit. Verder heeft de Afdeling bepaald dat tegen het nieuw te nemen besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.

Bij besluit van 17 maart 2015 heeft het college het door [appellante] gemaakte bezwaar gegrond verklaard, voor zover het [appellante] heeft gelast het gehele pand in overeenstemming te brengen en te houden met de eisen zoals geldend op grond van het op de Woningwet gebaseerde Bouwbesluit en dat gedeelte uit de opgelegde last geschrapt. Het college heeft voorts bepaald dat de opgelegde last voor het overige ongewijzigd in stand blijft. Verder heeft het college overwogen dat er geen gevolgen zijn voor de door [appellante] verbeurde dwangsommen.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] en het college hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 december 2015, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. H.J.M. van Schie, advocaat te Schiphol-Rijk, en mr. drs. T.N. Sanders, advocaat te Breda, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Lever, advocaat te Leiden, en mr. E. de Romp, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

standpunten partijen over procesbelang

1. [appellante] stelt zich op het standpunt dat zij geen procesbelang meer heeft bij de beoordeling van haar beroep, omdat het college niet meer bevoegd is om tot invordering van de verbeurde dwangsommen over te gaan door verjaring van deze bevoegdheid en omdat geen nieuwe last tot het treffen van maatregelen kan worden opgelegd nu het pand is gesloopt.

Zij voert daartoe aan dat het college niet binnen de verjaringstermijn van één jaar een stuitingshandeling als bedoeld in de artikelen 4:105, eerste lid, en 4:106 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft verricht.

2. Het college stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat met de in 2013 en 2014 door het college uitgebrachte dwangbevelen de invordering is voltooid, zodat de in artikel 5:35 van de Awb genoemde verjaringstermijn van één jaar vanaf dat moment niet langer geldt. Het dwangbevel levert een executoriale titel op die met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten uitvoer kan worden gelegd. Dan geldt een verjaringstermijn van twintig jaren ingevolge artikel 306 of 324 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW), aldus het college.

Subsidiair stelt het college zich op het standpunt dat door het verlenen van uitstel van betaling in de brief van 10 maart 2014 de verjaringstermijn is verlengd. Voorts stelt het college zich op het standpunt dat tijdig een stuitingshandeling is verricht door de betekening van het exploot van 13 februari 2014. Deze betekening betreft een daad van rechtsvervolging. Indien deze niet een daad van rechtsvervolging betreft, dient de betekening van het exploot toch als een stuitingshandeling te worden aangemerkt omdat het niet mogelijk is om op andere wijze de verjaring te stuiten omdat al van de mogelijkheden zoals de aanmaning en uitvaardiging van een dwangbevel gebruik is gemaakt, aldus het college.

wettelijk kader

3. Ingevolge artikel 4:94, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan de wederpartij uitstel van betaling verlenen.

Ingevolge artikel 4:104, eerste lid, verjaart de rechtsvordering tot betaling van een geldsom vijf jaren nadat de voorgeschreven betalingstermijn is verstreken.

Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan na voltooiing van de verjaring zijn bevoegdheden tot aanmaning en verrekening en tot uitvaardiging en tenuitvoerlegging van een dwangbevel niet meer uitoefenen.

Ingevolge artikel 4:105, eerste lid, wordt de verjaring gestuit door een daad van rechtsvervolging overeenkomstig artikel 316, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 316, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge het tweede lid stuit erkenning van het recht op betaling de verjaring van de rechtsvordering tegen hem die het recht erkent.

Ingevolge artikel 4:106 kan het bestuursorgaan de verjaring ook stuiten door een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112, een beschikking tot verrekening of een dwangbevel dan wel door een daad van tenuitvoerlegging van een dwangbevel.

Ingevolge artikel 4:107 kan de schuldeiser van het bestuursorgaan de verjaring ook stuiten door een schriftelijke aanmaning of een schriftelijke mededeling waarin hij zich ondubbelzinnig zijn recht op betaling voorbehoudt.

Ingevolge artikel 4:110, eerste lid, begint door stuiting van de verjaring een nieuwe verjaringstermijn te lopen met de aanvang van de volgende dag.

Ingevolge het tweede lid is de nieuwe termijn gelijk aan de oorspronkelijke, doch niet langer dan vijf jaren.

Ingevolge het derde lid is artikel 324 van Boek 3, van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing, indien de verjaring wordt gestuit door het instellen van een eis die door toewijzing wordt gevolgd.

Ingevolge artikel 4:111, eerste lid, wordt de verjaringstermijn van de rechtsvordering tot betaling aan een bestuursorgaan verlengd met de tijd gedurende welke de schuldenaar na aanvang van die termijn uitstel van betaling heeft.

Ingevolge artikel 5:35 verjaart in afwijking van artikel 4:104 de bevoegdheid tot invordering van een verbeurde dwangsom door verloop van een jaar na de dag waarop zij is verbeurd.

Ingevolge artikel 306 van Boek 3 van het BW verjaart een rechtsvordering door verloop van twintig jaren, indien de wet niet anders bepaalt.

Ingevolge artikel 316, eerste lid, wordt de verjaring van een rechtsvordering gestuit door het instellen van een eis, alsmede door iedere andere daad van rechtsvervolging van de zijde van de gerechtigde, die in de vereiste vorm geschiedt.

Ingevolge artikel 317, eerste lid, wordt de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt.

Ingevolge artikel 324, eerste lid, verjaart de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke of arbitrale uitspraak door verloop van twintig jaren na de aanvang van de dag, volgende op die van de uitspraak (…).

relevante data

4. Uit het besluit van 18 januari 2013 volgt dat de laatste dag van de begunstigingstermijn 25 juli 2013 is. Tussen partijen is niet in geschil dat alle vijf de dwangsommen zijn verbeurd. De eerste dwangsom is op 2 augustus 2013 verbeurd, de tweede dwangsom op 9 augustus 2013, de derde op 16 augustus 2013, de vierde op 23 augustus en de laatste op 30 augustus 2013.

Aan [appellante] is op 18 september 2013, 30 oktober 2013, 11 november 2013, 19 november 2013 en op 25 november 2013 een aanmaning verzonden.

Op 7 oktober 2013, 22 november 2013, 29 november 2013, 10 december 2013 en 3 januari 2014 zijn de door het college uitgevaardigde dwangbevelen betekend.

Voorts is op 19 februari 2014, 6 februari 2014 en 10 april 2014 executoriaal beslag gelegd op het pand. Ook is op 18 oktober 2013, 28 november 2013, 10 december 2013, 2 januari 2014 en 14 februari 2014 op het pand Zeereep 4 van [appellante] executoriaal beslag gelegd.

wanneer ontbreekt procesbelang

5. [appellante] heeft in dit geval geen procesbelang meer bij beoordeling van haar beroep, indien ten aanzien van alle verbeurde dwangsommen de bevoegdheid tot invordering is verjaard. De Afdeling zal nagaan of de bevoegdheid tot invordering van de laatst verbeurde dwangsom is verjaard, omdat gelet op de hiervoor vermelde data indien dat het geval is ook de bevoegdheid tot invordering van de eerder verbeurde dwangsommen is verjaard.

verjaringstermijn

6. Op de verjaring van de bevoegdheid tot invordering van dwangsommen ingevolge artikel 5:35 van de Awb zijn de bepalingen van afdeling 4.4.3 van de Awb (artikelen 4:104-4:111) van toepassing. De bevoegdheid tot invordering omvat gelet op het bepaalde in artikel 4:104, tweede lid, mede de tenuitvoerlegging van een dwangbevel. Anders dan het college aanvoert moet hieronder niet slechts worden begrepen de betekening van het dwangbevel, maar onder meer de executoriale beslaglegging en verkoop. Dit betekent dat wat betreft de bevoegdheid tot invordering van de verbeurde dwangsom de verjaringstermijn als genoemd in artikel 5:35 van de Awb geldt. Hetgeen het college heeft betoogd over de verjaringstermijnen ingevolge Boek 3 van het BW wordt derhalve niet gevolgd.

Uit artikel 5:35 gelezen in verbinding met artikel 4:110, eerste en tweede lid, van de Awb volgt dat op 11 april 2014, de dag na de laatste beslaglegging waardoor de verjaring ingevolge artikel 4:106 van de Awb is gestuit, een nieuwe verjaringstermijn van één jaar voor de laatst verbeurde dwangsom is ingegaan. De laatste dag van deze verjaringstermijn is 10 april 2015.

7. In de brief van 10 maart 2014 van mr. Lever is vermeld dat de gemeente zal wachten met het treffen van verdere executiemaatregelen. Deze vermelding is geen uitstel van betaling als bedoeld in artikel 4:94, eerste lid, van de Awb, reeds omdat het achterwege laten van executiemaatregelen niet afdoet aan de termijn waarbinnen moet zijn voldaan aan de verplichting tot betaling van de dwangsommen. De verjaringstermijn is derhalve niet verlengd.

stuitingshandeling

8. Bij exploot van 13 februari 2015 heeft de gemeente Noordwijk aangezegd dat zij onverkort aanspraak maakt op de daarin genoemde sommen en dat hiermee de verjaring van deze dwangsommen is gestuit. In geschil is of deze aanzegging als een daad van rechtsvervolging kan worden aangemerkt.

In artikel 4:105, eerste lid, van de Awb wordt als stuitingshandeling genoemd een daad van rechtsvervolging overeenkomstig artikel 316 van Boek 3 van het BW.

De hiervoor beschreven aanzegging is een mededeling waarbij de gemeente zich ondubbelzinnig haar recht op nakoming voorbehoudt. Een dergelijke mededeling kan naar het oordeel van de Afdeling niet als een daad van rechtsvervolging worden beschouwd. Steun voor dit oordeel kan worden gevonden in artikel 4:107 van de Awb waarin alleen de schuldeiser van een bestuursorgaan de mogelijkheid wordt gegeven om de verjaring ook te stuiten door een dergelijke mededeling. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (memorie van toelichting, Kamerstukken II, 29702, nr. 3, blz. 57) blijkt dat het in de rede ligt dat een bestuursorgaan als schuldeiser de verjaring niet kan stuiten door een schriftelijke mededeling waarin het zich ondubbelzinnnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Artikel 4:107 is dan ook niet van toepassing als de schuldeiser een bestuursorgaan is. Voorts kan daarvoor steun worden gevonden in de omstandigheid dat een dergelijke mededeling een stuitingshandeling betreft die is vermeld in artikel 317 van Boek 3 van het BW, terwijl in artikel 4:105, eerste lid, van de Awb uitsluitend artikel 316 van Boek 3 van het BW van overeenkomstige toepassing is verklaard.

De Afdeling ziet echter aanleiding om de aanzegging in dit geval gelijk te stellen met een stuitingshandeling als bedoeld in de artikelen 4:105, eerste lid, en 4:106 van de Awb. Aan [appellante] zijn op de eerder vermelde data aanmaningen verzonden, waarin zij is gewaarschuwd dat de dwangsommen bij dwangbevel worden ingevorderd en dat de kosten daarvan op haar worden verhaald indien zij niet alsnog binnen twee weken de dwangsommen betaalt. Voorts zijn op de eerder vermelde data dwangbevelen betekend waarbij [appellante] tevens is gewezen op de tenuitvoerlegging van die dwangbevelen. Verder is op de eerder vermelde data beslag gelegd op het pand Zeereep 4. Verder acht de Afdeling van belang dat uit de aanzegging onmiskenbaar blijkt dat het college niet berust in het niet betalen van de schuld. Het ontbreken van een termijn om te betalen en een waarschuwing over het treffen van invorderingsmaatregelen in de aanzegging leidt in dit geval evenmin tot strijd met de rechtszekerheid. [appellante] heeft immers eerder de gelegenheid gekregen om de dwangsommen alsnog te betalen en heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Ook was zij al eerder gewaarschuwd dat invorderingsmaatregelen getroffen zouden worden en de kosten daarvan zouden worden verhaald. Van het college mocht onder de hiervoor vermelde omstandigheden niet worden gevergd opnieuw een aanmaning overeenkomstig artikel 4:112 van de Awb te versturen.

Gelet op het voorgaande is het exploot van 13 februari 2015 gelijk te stellen met een stuitingshandeling als bedoeld in de artikelen 4:105, eerste lid, en 4:106 van de Awb. Dit betekent dat op die datum een nieuwe verjaringstermijn van één jaar is ingegaan. Ten tijde van de zitting van de Afdeling was de bevoegdheid tot invordering derhalve nog niet verjaard.

tussenconclusie

9. [appellante] heeft procesbelang bij beoordeling van haar beroep. De Afdeling zal haar beroepsgronden tegen het besluit van 17 maart 2015 bespreken.

vervallen invorderingsbeschikkingen

10. [appellante] betoogt dat met de wijziging van de last de invorderingsbeschikkingen op grond van artikel 5:38 van de Awb zijn vervallen. In dit verband voert zij aan dat het college ten onrechte de hoogte van de dwangsom niet heeft aangepast.

11. Ingevolge artikel 5:38, eerste lid, van de Awb vervalt, indien uit een beschikking tot intrekking of wijziging van de last onder dwangsom voortvloeit dat een reeds gegeven beschikking tot invordering van die dwangsom niet in stand kan blijven, die beschikking.

12. Anders dan [appellante] betoogt volgt uit artikel 5:38, eerste lid, van de Awb niet dat iedere wijziging van een last tot het vervallen van de reeds gegeven invorderingsbeschikking leidt. Alleen indien uit de wijziging voortvloeit dat een reeds gegeven beschikking niet in stand kan blijven, vervalt deze.

Bij het besluit van 18 januari 2013 had het college [appellante] gelast elf maatregelen te treffen ten aanzien van het pand. Bij het besluit van 17 maart 2015 heeft het college uitsluitend de maatregel om het pand in overeenstemming te brengen met de eisen zoals geldend op grond van het op de Woningwet gebaseerd Bouwbesluit geschrapt. Het college heeft terecht geen aanleiding gezien om naar aanleiding hiervan de hoogte van de dwangsom aan te passen. Hiertoe overweegt de Afdeling dat het college aan de last ten grondslag heeft gelegd dat het uiterlijk van het pand in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand en daarmee in strijd is met artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet. Het college heeft blijkens het besluit van 18 januari 2013 de hoogte van de dwangsom gerelateerd aan de aard en de ernst van deze overtreding en niet aan de in dat besluit vermelde te nemen maatregelen. Ook heeft de Afdeling bij haar uitspraak van 12 november 2014 het besluit wat betreft de hoogte van de dwangsom in stand gelaten. Verder overweegt de Afdeling dat uit het besluit van 18 januari 2013 volgt dat de dwangsom ook wordt verbeurd indien één van de maatregelen niet zou zijn getroffen. [appellante] had geen van de maatregelen getroffen.

Gelet op de aard van de wijziging en de omstandigheid dat deze wijziging geen gevolgen heeft voor de hoogte van de dwangsom en de verbeuring daarvan, zijn de invorderingsbeschikkingen niet vervallen.

Het betoog faalt.

Eindconclusie

13. Het beroep is ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier.

w.g. Van der Spoel w.g. Soede

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2016

270-789.